Harinxma thoe Slooten, Binnert Philip baron van (1839-1923)

HARINXMA THOE SLOOTEN, Binnert Philip baron van (1839-1923)

Harinxma thoe Slooten, Binnert Philip baron van, commissaris der Koningin in Friesland (Drachten 30-8-1839 - Leeuwarden 2-11-1923). Zoon van Maurits Pico Diderik baron Van Harinxma thoe Slooten, grietman, later adjunct-houtvester, en jkvr. Clara Feijona van Eijsinga. Gehuwd sinds 2-6-1863 met jkvr. Anna van Beyma. Uit dit huwelijk werden 6 zoons en 4 dochters geboren.

Van Harinxma stamde uit een oud Fries geslacht met veel politieke invloed. Hij studeerde rechten te Leiden. Na zijn promotie in 1863 begon direct zijn rechterlijke loopbaan als ambtenaar van het openbaar ministerie in het kanton Beetsterzwaag, waar hij in 1869 kantonrechter werd. Tevens was Van Harinxma van 1863 tot 1869 advocaat bij de Heerenveense rechtbank. Daarnaast deed hij politiek en bestuurlijk werk. Van Harinxma, die de liberale beginselen huldigde, was van 1865 tot 1869 wethouder, daarna tot 1873 alleen raadslid van Opsterland. In 1871 kwam hij in de Friese Staten, waar waterstaatszaken zijn interesse hadden. De stad Dokkum vaardigde hem in 1873 af naar de Tweede Kamer.

In 1878 werd Van Harinxma, die volgens de voordrachtsbrief 'onafhankelijk van fortuin en karakter' was, tot commissaris des Konings in Friesland benoemd.

Met vaste hand leidde hij de Statenvergadering, waarin hij gebrek aan mannen van betekenis signaleerde. De samenwerking in het college van Gedeputeerde Staten gaf de commissaris in het algemeen voldoening. Over de griffier mr. C.B. Menalda was hij zeer te spreken. Van c. 1880 tot c. 1900 had Friesland ten gevolge van de agrarische depressie met ernstige moeilijkheden te kampen. Van Harinxma, die de toen vrij algemeen gehuldigde opvatting deelde, dat provinciale besturen ook op sociaal-economisch gebied weinig taken te vervullen hadden, lijkt aanvankelijk voor de malaise nauwelijks aandacht te hebben gehad. Tijdens de grote stakingen van veenarbeiders in zuidoost Friesland en van landarbeiders in Het Bildt (1888-1892), die tot de gevolgen van die malaise behoorden, wenste hij krachtig optreden, maar miste inzicht in het gebeurde. Dit gold trouwens ook voor de andere Friese autoriteiten en de ambtenaren van het departement van Binnenlandse Zaken in Den Haag. Later leidde een conflict met de gemeenteraden van Opsterland en Weststellingwerf over de financiering van werkverschaffing tot het tijdelijk overdragen van enige van hun bevoegdheden aan de burgemeesters (1895). Gemeentefinanciën en -belastingen baarden Van Harinxma trouwens ook geregeld andersoortige zorg. De taak van de provincie breidde zich uit, vooral op waterstaatsgebied. De commissaris hield zich speciaal bezig met de mogelijkheden voor gedeeltelijke indijking van de Lauwerszee. Overigens signaleerde hij de vergroting van het takenpakket, dat al met al nog klein bleef, niet zonder enige zorg.

Medio 1909 nam Van Harinxma ontslag. Inmiddels was hij in 1905 tot staatsraad in buitengewone dienst benoemd en hij bleef dat tot zijn dood.

Van Harinxma had de hooghartigheid en waardigheid, die ook veel andere rijke Friese adellijke grootgrondbezitters kenmerkte. Hij was een punctueel man, die door de vaste en rechte lijn van zijn beleid gezag had en, gezien in zijn tijd, op verantwoorde wijze leiding gaf aan het provinciaal bestuur.

P: Over het strafbeding bij verbintenissen, naar het Nederlandsch burgerlijk regt (Leiden, 1863). Proefschrift Leiden.

L: Leeuwarder Courant van 2-11-1923; C.B. Menalda, in Leeuwarder Nieuwsblad van 9-11-1923; It Heitelân 5 (1923) 538.

A.P. van Nienes


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013