Heek, Gerrit Jan van (1837-1915)

 
English | Nederlands

HEEK, Gerrit Jan van (1837-1915)

Heek, Gerrit Jan van, textielfabrikant (Enschede 9-11-1837 - Enschede 28-12-1915). Zoon van Helmig van Heek, fabrikeur, en Maria Geertruid ten Cate. Gehuwd met Julia Blijdenstein op 24-5-1861 en na haar overlijden op 11-3-1867 met Christine Frederike Meier op 5-2-1870. Uit het 1e huwelijk werden 3 zoons en 2 dochters geboren, uit het 2e huwelijk 4 zoons en 4 dochters.

Van Heek was de jongste zoon van de dertien kinderen van Helmig van Heek, die in het begin van de 19e eeuw met zijn broer Gerrit Jan de hen door vererving toegevallen aloude en belangrijke Enschedese entrepreneursbedrijven van J.B. Lasonder en van de Erven H. van Lochern met hun eigen bedrijf in één firma had samengevoegd. Na het overlijden van zijn vader in 1848 nam diens kinderloze oudste zoon Hendrik Jan (1814-1872) de opvoeding van zijn 23 jaar jongere broer op zich. Zo werd deze als zijn geestelijke en stoffelijke erfgenaam de invloedrijkste textielondernemer van Enschede en wellicht van geheel Twente gedurende de tweede helft van de 19e eeuw; uit dien hoofde was hij ook bij tal van omvangrijke ondernemingen en nieuwe initiatieven in Twente en Westfalen betrokken. Zijn industriële loopbaan begon Van Heek, na een bezoek aan Engeland, in 1859 als één der oprichters van de firma Van Heek en Co., die mede door zijn toedoen uitgroeide tot één der grootste spin-weef ondernemingen van de Nederlandse katoenindustrie, vooral producerend voor de koloniale markt. Behalve door voortdurende vernieuwing en uitbreiding van de bestaande fabrieken werd dit ook bereikt door overname van andere in liquidatie verkerende ondernemingen. De integratie van het produktieproces werd in 1889 afgerond door de oprichting van de Boekelosche Stoombleekerij N.V., waardoor de moederfirma onafhankelijk werd voor de finishing van haar Produkten doch ook gekocht doek kon doen veredelen, dat voor export naar Nederlands-Oost Indië was bestemd. Daarnaast werd in 1897 de firma G.J. van Heek en Zoonen (Rigtersbleek) opgericht, waarvan de produktie geheel op de koloniale markt was gericht. Verder nam Van Heek het initiatief tot de oprichting van de Westfälische Jute Spinnerei und Weberei te Ahaus en was zijn firma nauw betrokken bij het jutebedrijf Ter Horst en Co. te Rijssen. Tot zijn andere activiteiten op economisch gebied behoorden het bekleden van het voorzitterschap en commissariaten van een aantal regionale spoorwegmaatschappijen, alsmede een aantal functies als commanditair vennoot of commissaris van de Twentsche Bank N.V. Van 1869-1895 was Van Heek liberaal lid der Provinciale Staten van Overijssel, van 1895-1903 van de Eerste Kamer der Staten-Generaal als opvolger van C.T. Stork, met wie hij nauw bevriend was.

Bijzondere aandacht behoeven daarnaast zijn vele initiatieven op agrarisch en sociaal gebied. Hij wist zich door aankoop en vererving een uitgebreid grootgrondbezit te verwerven, dat hem, naast het beoefenen van de jacht, de gelegenheid gaf als landbouweconoom proeven te nemen voor rationeler bedrijfsvoering. Zijn grote belangstelling voor het in cultuur brengen van woeste gronden maakte hem in 1889 tot een van de oprichters en commissaris van de Nederlandsche Heidemaatschappij en voorzitter van de Staatscommissie voor Bevloeiingen.

Zijn sociale activiteiten moeten gezien worden tegen de achtergrond van eigentijdse opvattingen over een sociale verantwoordelijkheid van de liberale ondernemer, bij wie alleen de uiteindelijke en patriarchale beslissingsbevoegdheid lag over het wel en wee van allen, die in zijn dienst werkzaam zijn. Wanneer er zich ontwikkelingen voordeden die deze positie zouden kunnen ondergraven vonden tegenstanders Van Heek als één der oudste en meest doortastende verdedigers van de absolute macht van de ondernemer. 'Het groote gevaar is dat die arbeiders zich laten overvleugelen door de socialisten, die willen niet de zaken op vredelievende wijze schikken, maar wel strijd uitlokken. Met hen willen wij natuurlijk niets te doen hebben.' (Enquête gehouden door de Staatscommissie... krachtens de wet van....1890. Tweede afdeling. Twenthe, 63). Bij vrijwel alle initiatieven op sociaal gebied in Enschede gedurende dit tijdvak is hij als initiatiefnemer, stimulator of oprichter te vinden: als eerste kan vermeld worden de oprichting van het Zieken- en Pensioenfonds voor Enschede-Lonneker in 1867. Ook was hij één der oprichters en eerste voorzitter van de Fabrikantenvereeniging te Enschede, één van de oudste industriële werkgeversverenigingen in den lande. In 1888 werd deze opgericht als gevolg van een staking bij één der Enschedese textielfabrieken. Voorlopig enig doel was het voorkomen van werkstakingen, waartoe één der middelen de onderlinge krachtige steun was. Bij de firma Van Heek en Co. zelf brak op 13 januari 1902 een staking uit in de dekenweverij -een zeer belangrijk onderdeel van het produktieprogramma - naar aanleiding van de aanzienlijke verlaging der lonen, die veel hoger lagen dan die der andere wevers. Met behulp van stakingbrekers, uitsluiting en dreiging met gedeeltelijke stopzetting van het werk in de bedrijven van de andere leden der Fabrikantenvereeniging kwam eerst na vijf maanden aan deze staking, die in het gehele land belangstelling trok, een einde. In Enschede was dit het begin van een jarenlange verscherpte strijd tussen de opkomende vakorganisaties en de organisaties der fabrikanten die de emoties hoog deed oplaaien, zelfs tot in 1915 tijdens de begrafenis van Van Heek. Na afloop van de staking betuigden 250 ondertekenaars uit Twentse ondernemerskringen in een adres hun protest tegen de wijze waarop de firma en met name haar chef G.J. van Heek in vergaderingen en in de pers over de tong waren gegaan.

De betekenis van Van Heek ligt vooral op economisch gebied en dan met name in Twente en Westfalen. Voor Enschede in het bijzonder heeft hij veel betekend als charitatief weldoener, die zoals zo velen van zijn familie vaak op onopvallende wijze aanzienlijke geldsbedragen ter beschikking stelde van de plaatselijke gemeenschap. Als voorbeeld hiervan dient het park, dat zijn weduwe en kinderen na zijn overlijden aan het gemeentebestuur aanboden, zoals zijn oudste broer het Volkspark mogelijk had gemaakt. Zijn economische en sociale activiteiten vonden plaats in het kader van de toenmalige textielindustrie: bestaande uit patriarchale familiebedrijven waar de patroons nagenoeg onbeperkt heersten over het leven in de fabriek en in belangrijke mate daarbuiten. 'Hij was de eenvoud zelf, in uiterlijk en kleeding, zowel in leefwijze en omgeving', een enigszins ouderwetse figuur die onverbrekelijk gehecht was aan zijn streek en zijn stad, besloten binnen het Twentse milieu.

A: Archief van Van Heek & Co. N.V. in Rijksarchief te Zwolle.

L: Familieboek der Van Heeks (Enschede, [1915]); O. Schrieke, 'Gerrit Jan van Heek', in Eigen Haard 42 (1916) 97-102; R.A. van Sandick c.i.; ' † G. J. van Heek', in De Ingenieur 31 (1916) 41; A.A.N., 'In memoriam G.J. van Heek' in Tijdschrift der Nederlandsche Heidemaatschappij 1916, 25; Grote Nederlanders. Door J.J. Moerman en T. Klijnhout-Moerman ('s-Gravenhage, [1946]) 67-73; H. D. Grobben, 'Sociale conflicten en sociale organisatie in de Twentse textielindustrie (1860-1912)', in Textielhistorische Bijdragen 12(1970) 36-78 en 13 (1971)38-75.

A.L. van Schelven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013