Heijnsbergen, Pieter van (1880-1927)

 
English | Nederlands

HEIJNSBERGEN, Pieter van (1880-1927)

Heijnsbergen, Pieter van, hoogleraar straf- en strafprocesrecht (Zaandam 8-6-1880 - Amsterdam 5-3-1927). Zoon van Pieter van Heijnsbergen, apotheker, en Guurtje Windelberg. Gehuwd op 3-7-1905 met Henny Mathilde Fenner. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

Van Heijnsbergen doorliep het stedelijk gymnasium te Amsterdam en studeerde van 1899-1903 aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde eerst op stellingen tot doctor in de rechtswetenschap, daarna (1907) tot doctor in de staatswetenschappen op het onderwerp: De omvang der wetgevende bevoegdheid der waterschapsbesturen. Na vanaf 1904 een functie bij de Rijksverzekeringsbank bekleed te hebben, werd hij in 1907 benoemd tot ambtenaar van het openbaar ministerie bij de kantongerechten in het arrondissement Alkmaar. Het strafrecht kreeg nu zijn voorliefde. Op dit gebied begon hij dan ook al spoedig te publiceren. In 1914 volgde zijn benoeming tot substituut-offïcier van justitie te Winschoten, in 1917 te Amsterdam. Ondanks zijn drukke werkzaamheden bracht Van Heijnsbergen in 1924 voor de Nederlandse Juristenvereniging een preadvies uit over het leerstuk der 'deelneming'. Steeds meer schreef hij - en dit is zijn bijzondere verdienste - op rechtshistorisch terrein. Een groot aantal publikaties, waaronder De pijnbank in de Nederlanden (Groningen, 1925), getuigen hiervan. Tevens publiceerde hij op eigentijds strafrechtelijk gebied o.a. Abortus Criminalis (Amsterdam, 1925) in samenwerking met de Amsterdamse vrouwenarts G.C. van Balen Blanken geschreven, waarin werd voorgesteld abortus na een sexueel misdrijf toe te laten en straffeloosheid te bepleiten voor de vrouw die zelf aangifte doet van dit delict. Begin 1927 werd hij te Groningen benoemd tot hoogleraar in het straf- en strafprocesrecht. Hij overleed echter reeds drie weken na het uitspreken van zijn inaugurele rede Het inquisitoire proces (Groningen, 1927).

Zijn betekenis voor praktijk en wetenschap komt tot uiting in vele publikaties, waarvan een gedeelte (17 stuks) door zijn zoon K.S. van Heijnsbergen is bijeengebracht in de bundel Verspreide Opstellen (Amsterdam, 1929). Wat betreft het strafrecht werd Van Heijnsbergen, anders dan zijn leermeester Van Hamel, een aanhanger van de zogenaamde 'vergeldingsleer', waarop hij uitzonderingen mogelijk achtte. Ten aanzien van het strafprocesrecht koos hij voor het inquisitoire proces in zijn goede vorm: '... behoudt die beginselen, maar weert af al wat ruw, al wat onrechtvaardig, al wat onbeschaafd is' (Verspreide Opstellen, 336).

Van Heijnsbergen stond bekend als een man bij wie rechtvaardigheid en menselijkheid op de voorgrond stond. Daardoor dwong hij eerbied af. Hij was bovendien een onvermoeibaar werker, die steeds weer de historische achtergronden trachtte te doorschouwen.

P: Behalve de reeds genoemde publikaties Geschiedenis der rechtswetenschap in Nederland. Beknopt overzicht der geschiedenis onzer rechtswetenschap tot 1900 (Amsterdam, 1925); Een rechter vermoord (Amsterdam, 1926), een detectiveroman onder pseudoniem H. van Greben.

L: S.J.M. van Geuns, in Tijdschrift voor Strafrecht 37 (1927) 399-402; P. van Heijnsbergen, Verspreide opstellen. Verz. door K.S. van Heijnsbergen. Voorw. van J. Simon van der Aa (Amsterdam, 1929); W.P.J. Pompe, Geschiedenis der Nederlandse strafrechtswetenschap sinds de codificatie-beweging (Amsterdam, 1956) [= 1957]. [= Geschiedenis der Nederlandsche rechtswetenschap II: 3].

W.G.Ph.E. Wedekind


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013