Houwing, Johannes Fredericus (1857-1921)

 
English | Nederlands

HOUWING, Johannes Fredericus (1857-1921)

Houwing, Johannes Fredericus, jurist (Blokzijl 17-4-1857 - Doorn 10-3-1921). Zoon van Wesselius Marcus Houwing, predikant, en Berendina Lampe. Gehuwd op 29-10-1885 met Jinke Catharina Suzanna Brouwer Huisinga. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 4 dochters geboren. afbeelding van Houwing, Johannes Fredericus

Kort na de geboorte van Johannes Fredericus verhuisde het gezin naar Havelte. Na zijn gymnasiumtijd in Assen ging Houwing in 1876 in Leiden klassieke talen studeren; hij promoveerde er op 23 juni 1883 op een proefschrift gewijd aan de tijdens de Romeinse Republiek uitgevaardigde wetten die tot doel hadden overdadige luxe tegen te gaan, dat getiteld was: De Romanorum legibus sumptuariis (Leiden, 1883). Vervolgens studeerde hij rechten aan dezelfde Universiteit en precies vijfjaar na zijn eerste promotie promoveerde hij cum laude in de rechtswetenschap op een dissertatie, getiteld: Dwaling bij overeenkomsten naar Nederlandsch recht (Leiden, 1888). Nog enige jaren bleef hij repetitor en advocaat te Leiden tot hij op 20 maart 1891 werd benoemd tot ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij het kantongerecht te Hoorn. Op 22 juli 1893 volgde zijn benoeming tot rechter in de arrondissementsrechtbank te Amsterdam. Reeds kort daarna werd hij tot het hoogleraarsambt in het burgerlijk recht en de burgerlijke rechtsvordering aan de Universiteit van Amsterdam geroepen. Het benoemingsbesluit van de Amsterdamse gemeenteraad van 10 juli 1895 werd bij K.B. van 26 juli 1895 bekrachtigd. Het hoogleraarschap heeft Houwing uitgeoefend tot 1 september 1910. Op 14 oktober 1895 hield hij zijn inaugurele rede, getiteld: Wet en rechter (Groningen, 1895). In het jaar 1905/1906 was hij rector magnificus; op 8 januari 1906 sprak hij de diesrede uit over De maatschappelijke beteekenis van het burgerlijk proces (Amsterdam, 1906). In de eerste jaren van zijn hoogleraarschap vervulde hij talrijke nevenfuncties, o.m. die van voorzitter van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen en van lid van Provinciale Staten van Noord-Holland. Van 1905 tot 1920 was hij lid van de redactie van het Weekblad voor Privaatrecht, Notaris-ambt en Registratie. In 1898 kreeg Houwing voor het eerst een ernstige keelaandoening; deze herhaalde zich in 1906 en noopte hem in 1910 ontslag te nemen als hoogleraar. Elf jaar heeft hij daarna in Doorn gewoond, waar hij nog een aantal belangrijke artikelen schreef, die in juridische tijdschriften zijn gepubliceerd.

Houwing was een begenadigd docent. Al redenerende samen met de studenten bouwde hij een betoog op en drong diep door in de problemen van het privaatrecht, waarbij hij het geldende Nederlandse recht onderwees in het licht van de continentaal-Europese, op het Romeinse recht gebaseerde rechtsontwikkeling. In een dergelijke opzet was voor legisme geen plaats. Houwing had grote invloed op zijn leerlingen, o.m. op Paul Scholten, E.M. Meijers en J.C. van Oven.

In zijn publikaties vallen op: aandacht voor de geschiedenis der behandelde rechtsfiguren, een moeilijke, soms moeizame stijl en een groot gevoel voor de eisen van de rechtspraktijk. Belangrijk was o.m. het in 1904 in Rechtsgeleerd Magazijn (250 e.v.) verschenen opstel waarin hij de zg. subjectieve overmachtsleer heeft verdedigd, krachtens welke er sprake is van overmacht, ten gevolge waarvan de debiteur bevrijd is, indien hij aan de niet-nakoming der verbintenis geen schuld heeft gehad.

P: Bibliografie in Rechtskundige opstellen. Uitg. onder toezicht van Paul Scholten (Haarlem, 1921).

L: P. Scholten in Amst. Stud. Almanak 81 (1911) 193; E.M. Meijers, in Handelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden en Levensberichten harer afgestorven medeleden 1921-1922. Levensberichten 135-139; J.C. van Oven, in Ars Aequi 8 (1958-1959) 210-212.

I: Ars Aequi 8 (1958-1959) 210.

J.A. Ankum


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013