Hubrecht, Ambrosius Arnold Willem (1853-1915)

 
English | Nederlands

HUBRECHT, Ambrosius Arnold Willem (1853-1915)

Hubrecht, Ambrosius Arnold Willem, hoogleraar in de zoölogie en vergelijkende anatomie aan de Rijksuniversiteit Utrecht (Rotterdam 2-3-1853 - Utrecht 21-3-1915). Zoon van Paul François Hubrecht, secretaris-generaal van het departement van Binnenlandse Zaken, en Maria Pruys van der Hoeven. Sedert 31-10-1878 gehuwd met Johanna Maria Molewater. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren. afbeelding van Hubrecht, Ambrosius Arnold Willem

Hubrecht stamde uit een Nederlands patriciërsgeslacht en was van moederszijde verwant met de Van der Hoevens, een professorenfamilie. In Rotterdam bezocht hij het Instituut Stadwijk van W.G. van Krieken en van 1865 tot 1869 de HBS met 5-jarige cursus. In 1869 liet hij zich inschrijven aan de Polytechnische School te Delft, om reeds in 1870 om te zwaaien naar de studie in de zoölogie te Utrecht onder de hoogleraren P. Harting en F.C. Donders. Gedurende de cursus 1873/74 vinden wij hem in Leiden bij E. Selenka. Daarna vertrok hij met laatstgenoemde naar Erlangen om vervolgens zijn studies bij C. Gegenbauer te Heidelberg af te sluiten. Zijn promotie bij Harting had inmiddels magna cum laude in 1874 plaatsgevonden op een proefschrift getiteld: Aanteekeningen over de anatomie, histologie en ontwikkelingsgeschiedenis van eenige Nemertinen.

Tussen 1874 en 1889 verscheen een 14-tal publikaties van zijn hand over deze groep van wormen.

Nadat Hubrecht van 1875 tot 1882 als conservator van de afdeling vissen verbonden was aan het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden, volgde in 1882 zijn benoeming tot hoogleraar in de zoölogie en vergelijkende anatomie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Zijn inaugurele rede had tot titel: De hypothese der versnelde ontwikkeling door eerstgeboorten en hare plaats in de evolutieleer (1882). In zijn Utrechtse periode begon zijn belangstelling voor de vergelijkende embryologie van de gewervelde dieren zich te ontwikkelen. Als trouw aanhanger van leer van Darwin trachtte hij de resultaten van zijn onderzoek te interpreteren in termen van fylogenetische verwantschap. Hij maakte vergelijkende studies over de vastzetting van het ei in de uterus en over de eerste ontwikkelingsstadia van de placenta. In dit verband moge de volgende publikaties worden genoemd: 'Die Phylogenese des Amnions und die Bedeutung des Trophoblastes' (Verh. Kon. Akad. van Wetensch., 2e sectie, dl. 4, no. 5, 1895). Met de term trophoblast duidde Hubrecht de buitenste cellaag aan bij het zoogdier embryo; het is een term die thans nog in die zelfde betekenis wordt gebruikt. In de publikatie Die Keimblase von Tarsius. Ein Hilfsmittel zur schärferen Definition gewisser Säugethierordnungen (Leipzig, 1896) trachtte Hubrecht het ontstaan van de zoogdieren uit de amfibieën af te leiden, een hypothese, die de kritiek des tijds niet heeft kunnen doorstaan.

Teneinde het voor zijn onderzoek gewenste materiaal in voldoende hoeveelheid te verzamelen, maakte Hubrecht in 1890/91 een tocht door het voormalige Nederlands-Indië, waar hij een zeer waardevolle collectie van embryonen, vooral van insektenetende zoogdieren en lagere aapachtige dieren, verzamelde. Aangezien hem ook na zijn terugkomst nog veel embryologisch materiaal werd nagestuurd, geraakte een aantal reeds zeldzame diersoorten in acuut gevaar uit te sterven, hetgeen inderdaad voor enkele soorten het gevolg is geweest. Een belangrijke publikatie die uit de bestudering van dit materiaal is voortgekomen verscheen onder de titel: Die Säugetierontogenese in ihrer Bedeutung für die Phylogenie der Wirbeltiers (Jena, 1909). In 1912 volgde nog een verzamelreis naar Algerije en in 1914 naar Afrika.

In 1910 legde Hubrecht het ambt van gewoon hoogleraar neer en aanvaardde dat van buitengewoon hoogleraar in de vergelijkende embryologie, eveneens in Utrecht, een leerstoel, die voor hem persoonlijk werd ingesteld. Hij hield hiertoe op 2 mei 1910 een rede over De plaats der vergelijkende embryologie in het hooger onderwijs. De gewone leerstoel werd door H.F. Nierstrasz bezet. In 1911 stichtte hij een vereniging van embryologen, het nog steeds bestaande Institut International d' Embryologie, bedoeld als een centraal bureau waar bestaande embryologische verzamelingen bewaard en bewerkt kunnen worden. Hubrecht stierf op 21 maart 1915 aan aderverkalking; zijn stoffelijk overschot werd ten dienste der wetenschap gesteld.

Hubrecht is zeker een van de meest begaafde Nederlandse zoölogen geweest en een man met zeer originele gedachten. Als wetenschapsman was hij een nauwkeurig waarnemer en briljant schrijver. Als theoretisch denker kwam hij - zeker naar tegenwoordige maatstaven - te snel tot verreikende conclusies, waarmee hij trouwens ook in zijn eigen tijd veel weerstanden opriep. Zijn theoretische concepties zijn dan ook vrijwel allemaal door latere onderzoekingen achterhaald. In filosofisch opzicht beschouwde Hubrecht zichzelf als een agnosticus. Hij was een levendig en geestrijk man, gezien op internationale congressen, waarbij zijn formidabele talenkennis hem goed van pas kwam. Onder zijn leiding werd het 3de Zoölogencongres van 1895 te Leiden tot een werkelijk internationaal ontmoetingspunt.

Hoewel reeds gedurende Hubrechts leven de vergelijkende embryologie gaandeweg verdrongen werd door de causaal-analytisch te werk gaande experimentele embryologie, is toch zijn invloed op de verdere ontwikkeling der Nederlandse zoölogie niet weg te denken. Dit komt mede doordat Hubrecht naast zijn hoogleraarschap tal van leidende functies vervulde. Zo kwam onder zijn voorzitterschap (1888-1898) de Nederlandsche Dierkundige Vereeniging tot grote bloei. Mogelijk nog belangrijker waren zijn inzet en volharding bij de totstandkoming van een permanent Zoölogisch Station in Den Helder (in 1890 geopend; sedert 1960 is dit instituut bekend onder de naam Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee, NIOZ, gevestigd op Texel). Ook was Hubrecht de man, die het systeem van werktafels organiseerde bij het Zoölogisch Station te Napels.

Hubrecht heeft altoos grote belangstelling gehad voor visserijproblemen. Zo was hij lid van het voormalige College voor de Zeevisscherijen en de Staatscommissie voor het Zalmvraagstuk. Belangrijk was ook zijn functie als secretaris gedurende bijna 20 jaar (vanaf 1890) van de Maatschappij ter bevordering van het Natuurkundig Onderzoek der Nederlandse Koloniën. In deze functie legde hij de kiem voor de Siboga-expeditie en gaf hij de stoot tot expedities naar Borneo en Nieuw-Guinea. Volgens Hubreeht legde het bezit der koloniën ons de plicht op deze gebieden ook wetenschappelijk te exploreren. Ook op ruimer sociaal gebied was Hubrecht actief: het lidmaatschap van de Aaneenschakelingscommissie voor het Onderwijs; zijn strevingen voor de invoering van de midden-Europese tijd in Nederland; en zijn veeljarig redacteurschap van De Gids met zijn daarin opgenomen en vaak pittige artikelen. Hubrecht werd ook internationaal als een groot geleerde erkend, waarop wijst, dat hem maar liefst zes eredoctoraten werden toegekend (St. Andrews, Princeton, Cambridge, Glasgow, Giessen, Dublin). Voorts was hij lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (1883) en van vele buitenlandse academische en wetenschappelijke genootschappen.

A: Collectie-Hubrecht in Hubrecht Laboratorium in Utrecht.

P: Behalve in de tekst genoemde werken een niet volledige bibliografie in hieronder genoemde Anatomischer Anzeiger 48 (1915) 203-208.

L: F. Keibel, in Anatomischer Anzeiger 48 (1915) 201-203; H.F. Nierstrasz, in Tijdschrift der Nederlandsche Dierkundige Vereeniging 2e serie 14 (1915-1916) 180-186; M. Weber, in De Amsterdammer, 28 maart 1915; G.C.J. Vosmaer, in De Gids 79 (1915) II, 193-200.

I: Website Universiteit Utrecht: http://www.uu.nl/uupublish/collecties/geschiedenis/4266main.html [28-6-2007].

P. Smit


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013