Hudig, Jan (1838-1924)

 
English | Nederlands

HUDIG, Jan (1838-1924)

Hudig, Jan, cargadoor en reder, plaatselijk bestuurder (Hellevoetsluis 9-8-1838 - Rotterdam 5-4-1924). Zoon van Jan Hudig, zee-officier, cargadoor en reder, en Cornelia Johanna Bakker. Gehuwd sinds 12-6-1867 met Jacoba Catharina Gijsbertina Toe Water, en na haar overlijden op 1-2-1875, met jkvr. Johanna Clementina Quarles van Ufford op 9-4-1879. Uit het eerste huwelijk 5 dochters en 1 zoon geboren, uit het tweede 1 dochter en 1 zoon.

Telg van een geslacht, dat sinds de aanvang van de achttiende eeuw werkzaam was in het Rotterdamse zakenleven, werd hij als vanzelf in dezelfde richting gezogen. Aan zijn gymnasiale opleiding dankte hij niet slechts goede bekendheid met de klassieke schrijvers, doch, daarop voortbouwend, ook gedegen kennis van de Engelse, Franse en Italiaanse letterkunde. De betrekkelijk vroege dood van zijn vader een jaar vóór het verscheiden van zijn grootvader, deed echter de volle zorg voor de cargadoors-firma Hudig & Blokhuyzen, voor haar rederijzaken, alsmede voor de firma John Hudig & Son Lloyd's Agents, drukken op de schouders van de twintigjarige Jan, wie daartoe handlichting werd verleend. Zijn verstandig inzicht betoonde hij door als eerste daad een associatie aan te gaan met L.W. Veder, met wie hij ongeveer twintig jaar later in het bijzonder voor de rederijzaken de firma Hudig & Veder vormde. In 1903 verdween de naam Hudig & Blokhuyzen en werd het gehele havenbedrijf verder onder de naam Hudig & Veder gevoerd. Dat hij op zijn jeugdige leeftijd reeds vertrouwen inboezemde getuigt mede het feit, dat hij in zijn vijfentwintigste levensjaar werd benoemd tot honorair-consul van Italië. Later werd hij consul-generaal en toen hij op zijn tweeëntachtigste jaar als zodanig aftrad ontving hij nog de titel van ere-consul-generaal.

Nog geen eenendertig jaar oud werd deze zakenman in 1869 met meer dan 80 % van de uitgebrachte stemmen in de gemeenteraad gekozen. Later zou hij ook deel uitmaken van de Provinciale Staten van Zuid-Holland. Hij dankte deze mooie carrière in de openbare dienst aan zijn innemende, bij alle bescheidenheid indrukwekkende, persoonlijkheid. Zijn eenvoudige welsprekendheid werd versterkt door vriendelijke geestigheid.

Als zoveel Rotterdamse zakenlieden kwam hij onder de bekoring van de vooraanstaande zakenman Lodewijk Pincoffs, bijgenaamd de voorzienigheid van Rotterdam, wiens grote plannen hij geestdriftig steunde. Toen diens zaken in 1879 roemloos te gronde gingen, behield hij, als vrijwel enige toenmalige stadgenoot, waardering voor diens goede zijden, aan welk gevoel hij uiting gaf in een gedenkwoord in het Rotterdamsch Jaarboekje van 1912: 'Laten wij bij zijn graf dankbaar erkennen het goede, dat hij voor de stad heeft gedaan, zonder de oogen te sluiten voor zijn feilen: zwaar heeft hij geboet; laten wij hem dus niet hard vallen, maar met een gevoel van weemoed terug zien op: "a spectacle of so much glory and so much shame" (p. 185). Zulk een citaat uit Macaulay was even kenmerkend voor de schrijver als voor zijn onderwerp. Na de val van Pincoffs begon Hudig in de gemeenteraad meer op de voorgrond te treden. Hij hielp de desolate boedel zo goed mogelijk redderen.

Eigenlijk in strijd met zijn liberale beginselen werkte hij eraan mede, waar hij dit praktisch nodig achtte, openbare voorzieningen aan de gemeente toe te vertrouwen. In deze richting lag mede zijn baanbrekend werk voor het stedelijk ziekenhuis. Doch ook op eenvoudiger bedieningen werkte hij geestdriftig voor het algemeen belang, getuige zijn optreden als hoofdman van de Rotterdamse Vrijwillige Brandweer.

Naast deze arbeid voor de gemene zaak en zijn drukke taak in zijn belangrijke firma's vond Hudig nog de tijd om veel sociaal werk te verrichten. Zo bevorderde hij de voeding van kinderen in minvermogende gezinnen, was voorzitter van de Inrichting voor Ooglijders, bestuurslid van de Vereeniging voor Vacantiekolonies. Verder was hij bestuurslid en ten slotte voorzitter van de Academie van beeldende kunsten en technische wetenschappen en leider van de Zuid-Hollandsche Vereeniging tot bevordering van Kunstnijverheid en Volkskunst. Deze laatste functies getuigden mede van zijn liefde voor de kunst, vooral de schilderkunst. Daarnaast was hij ook een toegewijd bibliofiel.

Het was waarlijk geen slechte gedachte 'van minister Tak van Poortvliet om deze vooraanstaande Rotterdammer in 1891 uit te nodigen de heengaande burgemeester S.A. Vening Meinesz op te volgen. Hudig wees in zijn bescheidenheid deze benoeming af. Doch wel aanvaardde hij in 1899 zijn verkiezing tot wethouder, als hoedanig hij zich belastte met de portefeuille van Plaatselijke Werken. Daarmede ving voor hem een decade van vruchtbare arbeid aan, in nauwe samenwerking met de bekende directeur van Gemeentewerken G.J. de Jongh. Toen de gemeenteraad besloot aan wethouders een pensioen toe te kennen was dat voor hem aanleiding ontslag te nemen. Burgemeester A.R. Zimmerman kenschetste hem bij die gelegenheid als een man, die Rotterdam onder 't hart gedragen heeft. Daarna trok hij zich geleidelijk terug uit het openbare leven.

P: 'In Memoriam L. Pincoffs', in Rotterdamsch Jaarboekje 10 (1912) 175-185; Eene ontmoeting met Multatuli', ibidem, 2e reeks 8 (1920) 64-65.

L: Ovalus, 'Rotterdamsche figuren'. Teekening door Joh. B.P. Kerkhoff. II Jan Hudig, in De Nieuwe Amsterdammer van 22 december 1917; G.H. Hintzen, in Rotterdamsch Jaarboekje 3e reeks 3 (1925) 1-9; F.A.M. Schoone, 'Profiel van een cargadoor', in Werkers aan de Waterweg. Reeks twee no. 6 (Rotterdam, 1974).

W.F. Lichtenauer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013