Idenburg, Alexander Willem Frederik (1861-1935)

 
English | Nederlands

IDENBURG, Alexander Willem Frederik (1861-1935)

Idenburg, Alexander Willem Frederik, minister en gouverneur-generaal (Rotterdam 23-7-1861 - 's-Gravenhage 28-2-1935). Zoon van Petrus Johannes Idenburg, scheeps- en huisarts, en Rosine Alexandrine Frederike van der Hegge Spies. Gehuwd sinds 24-8-1882 met Maria Elisabeth Duetz. Uit dit huwelijk werden, behalve 4 jonggestorven kinderen, 2 dochters en 1 zoon geboren. afbeelding van Idenburg, Alexander Willem Frederik

Idenburg bezocht te Utrecht de lagere school en voltooide de HBS. Zestien jaar oud werd hij naar de Koninklijke Militaire Academie te Breda gezonden waar hij een opleiding volgde tot officier bij het wapen der genie van het Indische leger. In 1882 vertrok hij als tweede luitenant naar Ned.-Indië. Dit was het begin van een Indische militaire loopbaan die in 1901 een afsluiting kreeg toen hij met ziekteverlof naar Nederland terugkeerde. Idenburg nam, toen hij in 1883 was bevorderd tot eerste luitenant, deel aan militaire campagnes in de Westerafdeling van Borneo (1884) en Atjeh (1889-1890) zonder echter rechtstreeks bij gevechtshandelingen betrokken te worden. In 1892 werd hij bevorderd tot kapitein en in 1896 volgde zijn benoeming tot adjudant van de Commandant van het Indische leger luitenant-generaal J.A. Vetter en tot chef van diens kabinet, welke functie hij tot 1901 heeft vervuld.

Afkomstig uit een orthodox-protestants milieu trad Idenburg spoedig na zijn aankomst in Indië tot de Gereformeerde kerk toe. Zijn streng christelijke levensovertuiging baarde in de Indische samenleving van die dagen wel enig opzien. Zo weigerde hij als jong officier de zondagse recepties van meerderen bij te wonen. Te Batavia was hij ouderling en ging hij bij afwezigheid van de predikant in 1899 gedurende een aantal maanden voor bij godsdienstoefeningen in de Kwitang-kerk.

Tijdens Europees verlof in 1894 en 1895 kwam Idenburg in aanraking met Kuyper. Deze kennismaking, die het begin vormde van een duurzame persoonlijke en politieke vriendschap, is op Idenburgs verdere loopbaan van grote invloed geweest. Na de dood van L.W.C. Keuchenius in 1893 beschikte de antirevolutionaire partij niet over gezaghebbende koloniale specialiteiten. Het was Kuyper die in belangrijke mate ertoe bijdroeg dat de pas uit Indië teruggekeerde, in Nederland vrijwel onbekende, Idenburg bij de verkiezingen van 1901 voor het district Gouda in de Tweede Kamer werd gekozen. Na het overlijden van de antirevolutionaire minister van Koloniën jhr. T.A.J. van Asch van Wijck op 9 september 1902 nam Kuyper Idenburg in zijn ministerie op.

Al in zijn eerste kamerrede, op 21 november 1901, had Idenburg uitgesproken, dat het doel van de koloniale politiek voortaan het 'opheffen' van de inlander moest zijn. Egoïsme mocht die politiek niet langer bepalen. De materiële ontwikkeling van de inheemse bevolking kon echter niet op zichzelf staan. In de geestelijke verheffing lag, aldus Idenburg, de kiem voor iedere vooruitgang op stoffelijk gebied. Die geestelijke verheffing kon alleen ten volle slagen bij een verdere verbreiding van het christendom in de Indische archipel. Deze christelijk-ethische politiek, reeds verwoord in Kuypers program van 1878 en in de troonrede van 1901 waarin Nederland was voorgehouden dat het tegenover de bevolking van Indië 'een zedelijke roeping' had te vervullen, heeft na dat laatste jaar in Idenburg als geen ander haar verpersoonlijking gevonden.

Tijdens Idenburgs ministerschap (24 september 1902-16 augustus 1905) kwamen twee belangrijke, reeds onder zijn voorgangers voorbereide, legislatieve maatregelen tot stand. In 1903 werd definitief een streep gezet onder de batig-slot-politiek door de schrapping van de bepalingen van de Indische Comptabiliteitswet die betrekking hadden op de bijdrage van Ned.-Indië aan de geldmiddelen van het moederland. Sedert 1877 had die bijdrage wegens gebrek aan baten overigens nog slechts als memoriepost op de Indische begroting gestaan. Van een verplichting tot althans gedeeltelijke restitutie van de voordien genoten Indische baten ter kwijting van een op Nederland rustende 'ereschuld' wilde Idenburg echter niet weten. Wel wist hij te bewerken dat in 1905 bij de wet 40 miljoen gulden beschikbaar werd gesteld ten behoeve van de economische ontwikkeling van Indië. Na 1905 zou de financiële en economische situatie in Indië zich geleidelijk weer verbeteren, mede als gevolg van de opleving van de internationale conjunctuur.

Een Decentralisatiewet, eveneens van 1903, bepaalde dat de gouverneur-generaal gewestelijke en plaatselijke raden in het leven kon roepen teneinde de voor de gebieden, waarvoor die raden waren ingesteld, af te zonderen geldmiddelen te beheren. Eventueel konden aan die raden ook andere taken worden opgedragen. Alleen de op basis van deze wet ingestelde gemeenteraden hebben echter aan de verwachtingen beantwoord.

Na het aftreden van het ministerie-Kuyper werd Idenburg op 14 september 1905 tot gouverneur van Suriname benoemd. Tijdens zijn bestuur bevorderde Idenburg de tropische landbouw in deze weinig welvarende kolonie, o.a. de koffie- en bananencultuur. Het opiumgebruik en het misbruik van sterke drank werden door hem bestreden. Ten slotte stelde hij een verordening op de wekelijkse rustdag vast (zondagsverordening). Het ambt van gouverneur van Suriname heeft hij bekleed tot zijn optreden in het ministerie-Heemskerk in 1908. Idenburg ambieerde een nieuw ministerschap niet. Een persoonlijk telegram van koningin Wilhelmina, waarin op zijn medewerking werd aangedrongen, gaf echter de doorslag.

Tijdens zijn tweede ambtsperiode als minister van Koloniën (20 mei 1908-16 augustus 1909) stonden vooral de in Atjeh toegepaste pacificatiepolitiek en het daarmede samenhangende conflict tussen de gouverneur van Atjeh, generaal-majoor G.C.E. van Daalen, en de gouverneur-generaal J.B. van Heutsz in de belangstelling. Idenburg was een voorstander van een krachtige Nederlandse gezagsvestiging in de buitengewesten, omdat hij daarin een noodzakelijke voorwaarde zag voor de verbetering van het lot van de bevolking. In 1904 had hij dan ook de benoeming van Van Heutsz tot gouverneur-generaal bevorderd, hoewel deze destijds zo populaire generaal niet tot de geestverwanten van het toen zittende ministerie behoorde. Ook tegen kritiek uit de Tweede Kamer op excessen van het Indische leger, o.a. bij de tocht door de Gajo- en Alaslanden in 1904, kwam Idenburg met kracht op. Dit was eveneens het geval in 1908.

Idenburgs aftreden hing samen met zijn benoeming tot gouverneur-generaal op 20 augustus 1909. Hoewel het sedert 1866 niet meer was voorgekomen, dat een minister van Koloniën tot gouverneur-generaal werd benoemd, lokte de keuze van Idenburg weinig kritiek uit, omdat men in hem de geschiktste kandidaat zag. Op 18 december 1909 nam hij het bestuur van Van Heutsz over. Hij heeft dit uitgeoefend tot 21 maart 1916, langer dan de voor een gouverneur-generaal gebruikelijke ambtstermijn (vijf jaar) in verband met de oorlogsomstandigheden.

Idenburg was de eerste gouverneur-generaal die te maken kreeg met de opkomende nationalistische beweging in Indonesië. In 1912 werd de Sarekat Islam (S.I.) opgericht, die spoedig onder de inheemse bevolking massale aanhang verwierf. Hoewel de S.I. zich aanvankelijk vooral keerde tegen de Chinezen met hun sterke greep op tussen- en kleinhandel, had zij ook een krachtige nationalistische onderstroom, waardoor zij onder de Europeanen geen geringe ontsteltenis veroorzaakte. Aan de in de Europese pers op Java gehoorde roep, om deze beweging zonodig gewelddadig te onderdrukken, gaf Idenburg niet toe. Wel weigerde hij in 1913 de S.I. als rechtspersoon te erkennen, waartoe goedkeuring harer statuten werd vereist, maar hij liet de mogelijkheid open, dat plaatselijke afdelingen onder bepaalde omstandigheden wel voor die erkenning in aanmerking zouden komen. Uiteindelijk heeft hij de S.I., toen deze door innerlijke verdeeldheid reeds veel van haar kracht had verloren, in 1916, kort voor het einde van zijn ambtstermijn, erkend.

Veel aandacht trok verder de uitzetting uit Indië van de Indo-Europese journalist E.F.E. Douwes Dekker en de Indonesiërs Tjipto Mangunkusomo en Suwardi Surianingrat, waartoe Idenburg in 1913 besloot. Aanleiding tot dit optreden was de oprichting van de Indische partij, waarin Douwes Dekker Indo-Europeanen en Indonesiërs had willen verenigen, om de onafhankelijkheid van Indië na te streven.

Als gouverneur-generaal nam Idenburg verder maatregelen tot bevordering van de zondagsrust (o.a. bij de 'pasar-circulaire' die het houden van markten op zondag wilde tegengaan). Ook streefde hij naar uitbreiding en betere subsidiëring van het christelijk onderwijs, onder meer door de zg. Sumba- en Floresregeling, waarbij het onderwijs op die eilanden respectievelijk aan de gereformeerde zending en missie bleef voorbehouden. Deze politiek riep sterke weerstand op in niet-confessionele kring, omdat men daarin een riskante poging zag tot opgedrongen kerstening van de inlandse bevolking. Vooral C.Th. van Deventer, de man van de 'ereschuld', viel de Indische regering hierop aan. Ook in het verkiezingsmanifest van de vrijzinnige concentratie in 1913 werd Idenburgs koloniaal beleid om deze reden veroordeeld. Hij was 'de dweper' op de Buitenzorgse troon.

Na de kamerverkiezing van 1913, die in een nederlaag voor de rechtse partijen eindigde, heeft Idenburg dan ook ernstig overwogen of hij niet zou aftreden. Vooral op advies van Kuyper en Colijn besloot hij af te wachten of een nieuwe, vrijzinnige, minister van Koloniën bereid zou zijn met hem samen te werken. Alleen wanneer Van Deventer die nieuwe minister mocht worden, was Idenburg besloten onmiddellijk ontslag te vragen. Samenwerking met Van Deventer zou naar Idenburgs gevoel al te zeer strijden met zijn christelijke en politieke overtuiging. Aan dit voornemen behoefde hij echter geen gevolg te geven toen in het nieuwe ministerie (het extraparlementaire kabinet-Cort van der Linden) Th.B. Pleyte als minister van Koloniën optrad. Met hem werkte Idenburg in een redelijke harmonie samen, onder meer bij de voorbereiding van de wijziging van het Regeringsreglement in 1916, die voorzag in de instelling van de Volksraad.

Na de kamerverkiezingen van 1918 leek Idenburg voorbestemd formateur en premier te worden van een nieuw ministerie van de rechterzijde. Vanuit protestants-christelijke kring, o.a. Kuyper, werd hierop krachtig aangedrongen, omdat anders het premierschap onvermijdelijk moest toevallen aan een rooms-katholiek premier. Hoewel Idenburg deze bedenking deelde, heeft hij hardnekkig geweigerd zich met de leiding van een nieuw ministerie te belasten. Hij achtte zichzelf daarvoor niet geschikt. Alle pogingen, óók van katholieke zijde, om hem tot andere gedachten te brengen, bleken tevergeefs. Wel was Idenburg bereid de portefeuille van Koloniën te aanvaarden in het ministerie-Ruijs de Beerenbrouck, dat op 9 september 1918 optrad. Reeds binnen het jaar moest hij echter, fysiek uitgeput en niet langer tegen zijn taak opgewassen, met ziekteverlof gaan. Daarop aansluitend werd hem op 11 november 1919 wegens gezondheidsredenen ontslag verleend.

Na dit jaar trok Idenburg zich definitief uit de actieve politiek terug. In 1920 weigerde hij een benoeming tot (eerste) voorzitter van het Centraal Comité van de Antirevolutionaire Partij, waarna de leiding van deze partij overging op Colijn. Wel bleef Idenburg als tweede voorzitter van de ARP en intieme vriend van Colijn achter de schermen grote invloed uitoefenen. Ook had hij van 1920 tot 1924 zitting in de Eerste Kamer. In 1923, bij het 25-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina, werd hij tot minister van Staat benoemd en het jaar daarop tot lid van de Raad van State. Van dit hoge regeringscollege zou hij tot zijn dood in 1935 deel blijven uitmaken.

Idenburg leefde zeer sterk vanuit het geloof dat het God was die door hem werkte. Als een man van grote beginselvastheid genoot hij door zijn alom erkende bekwaamheden, bescheidenheid en gaaf karakter een uitzonderlijk prestige binnen en buiten zijn partij. Het ministerschap zag de gevoelige Idenburg echter als een last, waaraan hij zich het liefst had willen onttrekken. Hij vond het verder moeilijk zijn houding te bepalen tegenover het voornaamste vraagstuk dat de Nederlandse koloniale politiek na 1900 beheerste: het opkomende nationalisme in Indonesië. Zo stond hij nogal huiverig tegenover de instelling van de Volksraad. Al zag Idenburg de koloniale verhouding als tijdelijk, een toekomst waarin voor de Nederlander in Indië geen plaats meer zou zijn, kon hij zich niet voorstellen. Mogelijk is hij, wat deze kwestie betreft, in zijn latere levensjaren ook onder invloed geraakt van de afwijzende opvattingen van Colijn, in zoveel opzichten zijn tegenpool.

A: Een omvangrijk archief van Idenburg bevindt zich bij het Historisch Documentatiecentrum voor Nederl. Protestantisme 1800-heden (Vrije Universiteit van Amsterdam). Hierin ook afschriften van vele uitgaande brieven, een autobiografie 1882-1913 etc. Brieven van Idenburg bevinden zich verder in de archieven-Colijn, Heemskerk en De Waal Malefijt, die eveneens bij dit Documentatiecentrum berusten. Zie voor zijn correspondentie met Kuyper het archief van deze laatste (Historisch Documentatiecentrum . . .). Zie verder de op het Algemeen Rijksarchief aanwezige collecties-Van Heutsz, J.P. van Limburg Stirum, F. Pinke, Th.B. Pleyte en A.F. de Savornin Lohman. Brieven van Idenburg bevinden zich ook in de collectie-D.F.W. van Rees (Koninklijk Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde te Leiden). Gedeelten uit de briefwisseling met Pleyte zijn gepubliceerd in: Bescheiden betreffende de buitenlandse politiek van Nederland 1848-1919. Derde periode 1899-1919. Uitg. door C. Smit. ('s-Gravenhage, 1962) IV.

P: Afgezien van ambtelijke stukken is door Idenburg slechts weinig gepubliceerd. Bijdragen van zijn hand verschenen in De Standaard. Zie verder zijn ingezonden brief over de formatie van de genie in Indië in Het Vaderland van 14-2-1894 die aangehaald is in de Indische Gids 16 (1894) I, 604-605 en 'Ons beginsel voor koloniale politiek', in Schrift en Historie. Gedenkboek. . . antirevolutionaire Partij (Kampen, 1928) 201-222.

L: 'Ter nagedachtenis aan Zijne Excellentie A.W.F. Idenburg', in Antirevolutionaire Staatkunde April 1935 ; G.J. Lammers, A.W.F. Idenburg in zijn leven en werken geschetst (Amsterdam, 1935); C.J. Middelberg-Idenburg, A.W.F. Idenburg (Den Haag, 1935); Encyclopaedie van Nederlandsch-lndië (2e dr. Den Haag, 1939) VIII, 1619-1625; F.L. Rutgers, Idenburg en de Sarekat Islam in 1913 (Amsterdam, 1939); J.C. Lamster, J . B. van Heutsz als Gouverneur Generaal 1904-1909 (Amsterdam, [1947]); J. Voerman, Het conflict Kuyper-Heemskerk (Utrecht, 1954); B.J. Brouwer, De houding van Idenburg en Colijn tegenover de Indonesische beweging (Kampen, 1958); D.M.G. Koch, Batig slot. Figuren uit het oude Indië (Amsterdam, [I960]) 10-17; A. Algra, De Gereformeerde Kerken in Nederlands-Indië/Indonesië (1877-1961) (Franeker, [1967]); G. Puchinger, Colijn en het einde van de coalitie. De geschiedenis van de kabinetsformaties 1918-1924 (Kampen, 1969).

I: Website Parlementair Documentatiecentrum: http://www.parlement.com/9291000/modulesf/g6ki9ydx [26-4-2007].

C. Fasseur


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013