Iterson, Willem van (1897-1973)

 
English | Nederlands

ITERSON, Willem van (1897-1973)

Iterson, Willem van, rechtshistoricus (Ouder-Amstel 25-5-1897 - Zeist 1-1-1973). Zoon van Johannes Adrianus van Iterson, notaris, en Maria Geertrui van Wetering. Gehuwd sinds 17-10-1945 met Maria van Soeren. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

Van Iterson bezocht het christelijk gymnasium te Arnhem en studeerde eerst rechten te Leiden en later in Utrecht, waar hij op 28-6-1923 doctoraal examen deed. Na zijn studie heeft hij in binnen- en buitenland rechtshistorische onderzoekingen gedaan. Sinds 1926 was hij te Leiden gevestigd als repetitor voor oudvaderlands recht, en promoveerde aldaar cum laude op 27-5-1932 op het proefschrift De historische ontwikkeling van de rechten op de grond in de provincie Utrecht (Leiden, 1932. Dl. I in 2 bdn.). In 1935 werd hij lid van de redactie van het Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis, waarvan hij tevens het secretariaat waarnam. Hij werd in 1937 lid van de commissie tot redactie van het Leids Jaarboekje. In 1939 volgde zijn verkiezing tot lid van het bestuur van de Vereeniging tot Uitgaaf van de bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht. In dat jaar volgde hij zijn leermeester De Blécourt op als hoogleraar in het oudvaderlands recht aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Zijn inaugurele rede was getiteld Willig decreet in Holland en Utrecht (Haarlem, 1939). Aangezien Van Itersons houding in verband met de bezetting zodanig is geweest dat hij niet in zijn ambt kon worden gehandhaafd, werd hij aanvankelijk met ingang van 18 juni 1945 met behoud van wachtgeld ontslagen. Krachtens beschikking van de minister van O, K. en W. van 2 mei 1946 werd dit ontslag nader vastgesteld op 1 februari 1946. Overigens heeft Van Iterson niet in zijn wetenschappelijke publikaties van een pro-Duitse houding blijk gegeven. Hij werd opgevolgd door mr. H.F.W.D. Fischer, die reeds in 1945 de colleges oudvaderlands recht waarnam. De diverse functies die Van Iterson in wetenschappelijke kring vervulde diende hij eveneens neer te leggen.

Na de oorlog heeft Van Iterson zich verder ontplooid als een vruchtbaar publicist op rechtshistorisch terrein. Zijn belangstelling was vooral gericht op problemen rond de rechten op de grond, waarvan hij, behalve in zijn proefschrift, ook in een groot aantal artikelen getuigenis aflegde. Bijzondere aandacht heeft hij gehad voor het verschijnsel van de 'dertiende penning'. Zijn veelzijdige belangstelling komt duidelijk in studies over vrouwenvoogdij in de Middeleeuwen, feodaliseringspogingen in Friesland, Franciscus Lievens Kersteman, het voordeelbeginsel in het nieuwe Burgerlijk Wetboek tot uiting. Zijn grote eruditie en diepgaande kennis van archiefbronnen bleek uit publikaties over confiscatie en de geschiedenis van Rhenen. Over de theorie van de geschiedschrijving heeft Van Iterson zich alleen in de inleiding van zijn proefschrift uitgelaten. Hij stelt zich daarin op het standpunt dat 'naar hedendaagsche opvattingen' het doel der beoefening van de rechtsgeschiedenis is het geven van een genetische beschrijving van het recht. Bij de causale verklaring van het recht wordt dit, zijn inziens, beschouwd als een historisch produkt, dat in de loop der eeuwen langzamerhand is gegroeid en zich geleidelijk heeft ontwikkeld. In zijn geschriften heeft hij deze geschiedopvatting gestalte trachten te geven.

Tijdens de laatste periode van zijn leven gaf Van Iterson jaarlijks gastcolleges te Heidelberg en te Freiburg im Breisgau. Hij was adviseur van de redactie van het Deutsches Rechtswörterbuch dat door de Heidelberger Akademie der Wissenschaften wordt uitgegeven. Zijn omvangrijke rechtshistorische bibliotheek, werd in 1974 bij de firma Beijers te Utrecht geveild. Zijn talrijke aantekeningen, waaronder vele uit Utrechtse archieven, zijn gedeponeerd op het Instituut voor Rechtsgeschiedenis der Rijksuniversiteit te Utrecht.

P: Zie behalve bovengenoemde en de door Gilissen (zie onder L) opgenomen werken het kaartsysteem van het Nederlands Centrum voor Rechtshistorische documentatie in Amsterdam.

L: Jaarboek der Rijksuniversiteit te Leiden 1940, 72-73; J. Gilissen, in Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 42 (1974) 185-187; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden... ('s-Gravenhage, 1974) VI, 578; H. Thieme, in Zeitschrift der Savigny-stiftung für Rechtsgeschichte. Germanische Abt., 92(1975) 425-426.

A.H. Huussen jr.


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013