Jacobs, Aletta Henriƫtte (1854-1929)

 
English | Nederlands

JACOBS, Aletta Henriëtte (1854-1929)

Jacobs, Aletta Henriëtte, feministe (Sappemeer 9-2-1854 - Baarn 10-8-1929). Dochter van Abraham Jacobs, heel- en vroedmeester, en Anna de Jongh. Gehuwd op 28-4-1892 met Carel Victor Gerritsen, graanhandelaar. Uit dit huwelijk was 1 jong overleden kind. afbeelding van Jacobs, Aletta Henriëtte

Als zesjarig kind stond bij Aletta reeds vast dat zij dokter wilde worden. In het grote joodse gezin, waar zowel stipte orde als vrijheid, vlijt en toewijding heersten, en op de lagere school die door alle jongens en meisjes van het dorp, rijk en arm, werd bezocht, kon zij deze wens ongestoord koesteren. Daarna was de weg echter volkomen geblokkeerd. De in 1864 opgerichte Rijks Hoogere Burgerschool nam alleen jongens aan; op een deftige jongedamesschool kon Aletta het niet uithouden. Het werk bij moeder thuis en later bij een kostuumnaaister had een deprimerend effect en een lichamelijke crisistoestand tot gevolg. Uitkomst bood ten slotte de opleiding voor het diploma leerlingapotheker, die toen ook voor vrouwen opengesteld werd. Het bericht dat een andere leerlingapotheker zonder verdere examens de begeerde admissie tot de Groninger Universiteit had verkregen, deed het amper zestien jarige dorpskind onmiddellijk in correspondentie treden met minister J.R. Thorbecke. De toelating werd verkregen, eerst voorwaardelijk, dan, enige dagen vóór Thorbeckes dood, definitief.

Als eerste Nederlandse studente betrad Aletta de Groninger Hoogeschool op 20 april 1871. Toen zij 10 maart 1879 aldaar haar medische studie afsloot met een dissertatie Over localisatie van physiologische en pathologische verschijnselen in de grote hersenen, haar promotor was prof. A.H. Kooyker, had de heersende controverse over vrouwenstudie haar nauwelijks beroerd. De strijdvaardigste vrouw die Nederland toen kende, begon haar letterlijk baanbrekende loopbaan als iets dat zozeer vanzelf sprak in zulk een haast kinderlijke eenvoud dat zij in de universitaire mannenwereld overwegend gevoelens van welwillenheid en ridderlijkheid opriep. Haar kleine, tengere gestalte droeg daartoe het nodige bij. Korte tijd daarna stortte zij zich in, wat zij noemde, pionierswerk naar alle kanten. Een verblijf te Londen bracht haar in aanraking met leden van de Fabian Society en andere radicale hervormers; een contact dat zich in Amsterdam verdiepte, in eerste instantie bevorderd door introducties van Carel Victor Gerritsen, politiek radicaal georiënteerd zakenman, met wie zij in 1892 in het huwelijk zou treden.

Via B.H. Heldt, leider van het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond, werd zij bekend met de toenmalige toestanden- in arbeidersgezinnen. Daarop stelde zij in 1880, het eerste jaar van haar snel groeiende praktijk, twee middagen per week een gratis cursus hygiëne en zuigelingenzorg in, gevolgd door een eveneens kosteloos spreekuur voor onbemiddelde vrouwen. Aan de schandelijke woningtoestanden in vele armenwijken gaf zij zoveel mogelijk bekendheid, hetgeen o.m. een in brede kring besproken artikel van haar vriendin, patiënte en medehervormster Helène Mercier in het Sociaal Weekblad tot gevolg had.

Al spoedig verschenen op dr. Jacobs' spreekuur een aantal meisjes en vrouwen met lichamelijke afwijkingen die te wijten waren aan het verplichte staan dat destijds aan winkelpersoneel in de 9 à 11 uur durende werkdag werd voorgeschreven. Haar mondelinge en schriftelijke initiatieven en uiteindelijk een uitvoerige advertentie in kranten brachten ten slotte het lot van de winkelmeisjes onder de ogen van het grote publiek. Actieve tegenwerking, de lauwheid van de medestand(st)ers en de traagheid van de wetgever maakten dat pas na meer dan twintig jaar het verplicht stellen van zitgelegenheid voor winkelpersoneel bereikt werd.

Sinds haar kinderjaren was dr. Jacobs overtuigd dat de talrijke bevallingen in het bijzonder voor de arbeidersvrouw en haar gezin een zware druk betekenden. In 1882 bekend geworden met het doelmatige voorbehoedmiddel dat tot die tijd aan de theoretische Malthusiaanse waarschuwingen had ontbroken, besloot zij aan het pessarium occlusivum bekendheid te geven. Een storm van verontwaardiging, met name in de medische wereld, brak los. Hierop volgde een jarenlange campagne van leugens en laster zoals maar weinigen te doorstaan hebben. Het aantal medestanders, dat haar openlijk steunde, was gering. Bewijzen van instemming voor haar moedig initiatief bereikten haar pas vele jaren later, vooral na het Congress for Birth Control te Londen in juli 1922.

Sinds Aletta als studente bij het ziekenhuisbezoek inzicht had gekregen in het toen geheten 'noodzakelijk kwaad', was zij diep begaan met het lot van de prostituee. Zij ondersteunde ds. Pierson in zijn strijd tegen prostitutie, bordelen en reglementering, en schreef hierover opzienbarende artikelen.

Aletta's overtuiging dat vrouwen dezelfde rechten dienden te hebben als mannen, vond bevestiging in een vaak door haar aangehaalde brochure van B.D.H. Tellegen, De toekomst der vrouw (Groningen, 1870). Voordat de grondwet van 1887 aan de onzekerheid van de wettelijke term 'Nederlanders' een eind maakte, besloot dr. Jacobs, die in haar positie aan alle gestelde eisen voldeed, een poging te doen om op de kiezerslijst te worden geplaatst. De verwachte weigering verschafte de aanleiding tot een proces dat zij op advies van het liberale en het feminisme gunstig gezinde kamerlid mr. S. van Houten tot aan de Hoge Raad doorzette. De motivering van het negatieve arrest van 18-5-1883 was nauw verwant aan het toen aangevoerde 'argument': 'Zij kan het niet krijgen, omdat zij het nooit heeft gehad.'

Door de jaren heen groeide dr. Jacobs' overtuiging dat de opheffing van de staatsburgerlijke ondergeschiktheid van de vrouw de sleutel zou vormen tot alle verdere hervormingen. In 1889 was door Mina Drucker de 'Vrije Vrouwen Vereeniging' opgericht, die in 1894 een afzonderlijke 'Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht' instelde met een eigen Maandblaadje, later Maandblad genoemd. Het sprak vanzelf dat dr. Jacobs dadelijk als lid toetrad en het nog weinig populaire doel met voordrachten en artikelen trachtte te steunen. In 1903 nam zij de algehele leiding over van Annette Versluys-Poelman en legde haar medisch werk neer.

Het overlijden van haar man in juli 1905 ontnam Aletta gedurende vele maanden de moed om alleen voort te gaan. Pas na een verblijf in het buitenland besloot zij zich in 1906 aan de dan naderende grondwetsherziening te wijden. Men besloot dat mevr. M.W.H. Rutgers-Hoitsema en zij aan koningin Wilhelmina, tijdens haar verblijf in 1906 te Amsterdam, een verzoekschrift zouden aanbieden, waarin stond dat art. 80 van de Grondwet diende te luiden: 'De Wet bepaalt welke mannen en vrouwen kiesbevoegd en verkiesbaar zijn.' Hoewel men hiervan geen succes verwachtte, had deze stap een enorme propagandawaarde voor de Vereeniging.

Dr. Jacobs was diep doordrongen van de betekenis die de internationale solidariteit bezat wegens het opbeurend effect op de individuele leden en de indruk die dit in politieke kringen vermocht te maken. Aangezien zij tot aan de verkrijging van het verlangde kiesrecht behalve presidente van de Vereeniging tevens voorzitster van de redactie was, trof men in het Maandblad dan ook regelmatig berichten aan over de stand van zaken elders. Plannen werden gemaakt om ook een internationale bundeling van vrouwenkiesrechtverenigingen tot stand te brengen, hetgeen in 1904 te Berlijn een feit werd. Op het volgende congres in 1906 te Kopenhagen werd aan dr. Jacobs en Carry Chapman Catt, voorzitster van de Wereldbond voor vrouwenkiesrecht, gevraagd een reis te maken door Oostenrijk-Hongarije, ter ondersteuning van de vrouwenverenigingen aldaar, hetgeen niet zonder politieke perikelen geschiedde. Tevens werd de uitnodiging aanvaard om het derde tweejaarlijkse congres te Amsterdam te houden. Dank zij vele tournees ten plattelande steeg het aantal leden en door de financiële talenten van Mina Drucker sloot de manifestatie met een batig saldo. Het congres voldeed aan alle verwachtingen, maar het succes bracht tevens een splitsing in de gelederen. Dr. Jacobs' doordrijven en concentratie van activiteiten van de Vereeniging op het ene punt 'verkrijging van het kiesrecht op dezelfde voorwaarden als de man', waren aanleiding tot de oprichting van een gematigder 'Bond voor Vrouwenkiesrecht', die op steun van intellectuele kringen kon rekenen.

De verkiezingen van 1909 brachten wederom een rechtse regering, ontoegankelijk voor de argumentatie betreffende het vrouwenkiesrecht. Met Carry Chapman Catt was Aletta van mening dat een informatieve en propagandistische wereldreis van groter belang was dan haar aanwezigheid in eigen land. Na het congres van de Wereldbond te Stockholm meegemaakt te hebben, begon haar wereldreis op 11 juli 1911 met een verkenning van het Midden-Oosten. Vervolgens verbleef zij in Zuid-Afrika en Azië, met name in China. Deze tocht leerde dr. Jacobs het nut en de noodzaak van openbaar optreden. Angst om 'suffragette-achtig' te doen, was voor velen een rem, maar op 4 mei 1913 gaat toch de eerste openbare protestoptocht van start in Den Haag. Van nu af aan waren openbare betogingen van verschillende aard in diverse afdelingen aan de orde van de dag. Helaas vond het nieuwe ministerie-Cort van der Linden vrouwenkiesrecht 'een sprong in het duister'. Aan alle propaganda kwam een plotseling einde door het uitbreken van de oorlog op 4 augustus 1914.

De Vereeniging werd onmiddellijk gereorganiseerd en vormde binnen enkele dagen een actief deel van het grote vrouwencomité, opgericht op verzoek van de Koningin, tot steun van hen die door de mobilisatie in moeilijkheden waren geraakt. Hoewel Aletta deze hulp noodzakelijk vond, liet haar de gedachte niet los dat, ondanks de allerwege gezaaide haat, vrouwen internationaal solidair moesten blijven. Zo rijpte het plan tot een internationaal congres in het neutrale Den Haag, dat op 3 mei 1915 werd gehouden. Deelneemsters uit oorlog- en niet oorlogvoerende landen voelden het als een heilige plicht zich in te zetten voor de vrede. Daarom werd besloten dat Aletta en Jane Addams, Amerikaans sociaal hervormster, beiden afkomstig uit neutrale staten, bij de oorlogvoerende regeringen op audiëntie zouden gaan, om aan te dringen op beëindiging van de oorlog. Zij stonden bij al deze bezoeken ook in contact met de vrouwenverenigingen en vervulden in elk land spreekbeurten. In diplomatieke gesprekken werd met tact een vraag of opmerking over het belang van vrouwenkiesrecht ingelast. De laatste oorlogsjaren gaf zij met Rosa Manus haar beste krachten aan de tijdens het congres opgerichte 'Liga voor duurzame vrede'. In het voorjaar van 1919 was dr. Jacobs actief bij de voorbereiding van het vredescongres te Zürich. In het najaar nam zij de leiding op zich van een Nederlands vrouwencomité dat wilde helpen de thuiskomst te bevorderen van de half miljoen Duitse krijgsgevangenen die nog in Siberië werden vastgehouden. Pas toen eindelijk het Internationale Rode Kruis in beweging kwam en Fridjof Nansen zieh inzette, maakte het comité het opgehaalde geld aan het Rode Kruis over.

Hoewel haar activiteiten in die jaren sterk pacifistisch en humanitair gericht waren, bleef zij zich toch ook, met het kiesrechtvraagstuk bezighouden. In 1916 werden indrukwekkende demonstraties te Amsterdam en Den Haag gehouden naar aanleiding van de komende grondwetsherziening. Deze acties hadden overigens weinig resultaat: als 'zoethoudertje' verkregen de vrouwen de verkiesbaarheid, die in 1918 als eerste de socialistische Suze Groeneweg in de Kamer bracht. Enkele maanden later zocht de conservatieve regering evenwel uit angst voor het overslaan van de communistische onlusten na de Duitse nederlaag van 11 november 1918, steun bij de linkerzijde met het aanbod een politieke wens te zullen vervullen. Ter tafel kwamen de achturige werkdag en het vrouwenkiesrecht. Dit laatste kon snel worden afgewerkt, omdat een eerder toen kansloos ingediend wetsontwerp van de vrijzinnig-democraat Marchant voor handen was. Bovendien werd er een temperend effect van verwacht. Zo kregen door de zonder veel oppositie aangenomen 'wet-Jacobs', die het woord 'mannen' verving door 'personen' en twee keer 'mannelijk' liet vervallen, de vrouwen van Nederland het kiesrecht, dat zij voor een goed deel te danken hadden aan 'la petite doctoresse'. Dit betekende overigens niet dat nu alle onrechtvaardigheden jegens de vrouw weggenomen waren, en nog minder dat het onrecht in de wereld bestreden was, teneinde de vrede te bevestigen. Aletta Jacobs, die zich allengs terugtrok, bleef tot het laatst geloof in de goede zaak en het vertrouwen in de komende generatie behouden.

P: Vrouwenbelangen (Amsterdam, 1899); 'A.H. Jacobs en F.S. van Balen-Klaar, Vrouwenkiesrecht (Amsterdam, [1913]); De Vrouw en de vredesbeweging in verband met het vrouwenkiesrecht ['s-Gravenhage, 1917]; Herinneringen (Amsterdam, 1924). Sun Reprint. Nijmegen, 1978).

L: B. Bakker-Nort, in Groningsche Volksalmanak 1930, 86-96; Jaarboek van het internationaal archief van de Vrouwenbeweging 1 (1937) 33-42; Honderd nationale jaren [Door M.G. Emeis jr. Ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de Nationale Levensverzekering-Bank N.V.] (Rotterdam, 1963) 31-34; Van moeder op dochter. Onder red. van W.H. Posthumus- van der Goot en A. de Waal. Sun Reprint van 3e herz. dr. (Nijmegen, 1977).

I: ANP Historisch Fotoarchief, beeldnummer 50162 [Aletta Jacobs in februari 1900].

Mw. W.H. Posthumus-van der Goot


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013