Jonge, jhr. Bonifacius Cornelis de (1875-1958)

 
English | Nederlands

JONGE, jhr. Bonifacius Cornelis de (1875-1958)

Jonge, jhr. Bonifacius Cornelis de, minister van Oorlog, gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië ('s-Gravenhage 22-1-1875 - Zeist 24-6-1958). Zoon van jhr. Bonifacius Cornelis de Jonge, raadsheer in de Hoge Raad, en Elizabeth Henrietta Maria Philipse. Gehuwd sinds 5-7-1904 met Anna Cornelia barones Van Wassenaer. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren. afbeelding van Jonge, jhr. Bonifacius Cornelis de

De Jonge volgde lager en gymnasiaal onderwijs in zijn geboorteplaats en studeerde van 1893 tot 1900 rechten te Utrecht, waar hij cum laude promoveerde op het proefschrift De ontwerpen betreffende het straffen en de strafrechtspleging van jeugdige personen. Na een korte periode als advocaat in Den Haag werkzaam te zijn geweest, werd hij in 1901 aangesteld als adjunct-commies bij het ministerie van Koloniën. In 1910 ging hij, inmiddels tot referendaris opgeklommen, over naar het ministerie van Oorlog als hoofd van de afdeling Juridische Zaken. Op 15 juli 1917 volgde hij generaal Bosboom op als eerste burger-minister van oorlog.

Tijdens zijn ministerschap in het kabinet-Cort van der Linden was De Jonge hoofdrolspeler in het conflict tussen het kabinet en de opperbevelhebber generaal Snijders. Deze had in mei 1918 de verdediging van Nederland tegen een eventuele Duitse inval doelloos genoemd. Nadat koningin Wilhelmina het door de ministerraad op initiatief van De Jonge voorgestelde ontslag van Snijders had geweigerd te bekrachtigen, ontstond een constitutioneel moeilijke situatie, aangezien het kabinet zich in de oorlogsomstandigheden geen crisis kon veroorloven. De Jonge heeft toen onder de druk der omstandigheden berust in het onopgelost blijven van het geschil inzake het defensiebeleid, bleef als minister aan en trad sinds 28 juni 1918 ook op als minister van Marine ad interim. Doordat het kabinet-Cort van der Linden in september 1918 zijn ontslag aanbood, kwam een einde aan zijn ministerschap.

Door toedoen van Colijn ging De Jonge nog in 1918 over in dienst van de Bataafsche Petroleum Maatschappij, met een directeurschap in het vooruitzicht. Voor de BPM maakte hij in 1919 samen met de directiesecretaris dr. C. Gerretson een oriëntatiereis naar Nederlandsch-Indië, China, Japan en Noord-Amerika. In april 1921 vestigde hij zich te Londen na zijn benoeming tot directeur van de Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij. Deze functie onder de dynamische directeur-generaal Sir Henry Deterding is bij gebrek aan inhoud voor hem een teleurstelling geworden, waarna per 1 november 1922 zijn directeurschap werd omgezet in een commissariaat. In mei 1930 is De Jonge, inmiddels naar Nederland teruggekeerd, tevens benoemd tot lid van de Raad van Bestuur van de BPM.

Na in de jaren 1920 meermalen zonder resultaat te zijn benaderd voor diverse publieke functies, accepteerde hij in 1931 een voorstel van de minister van Koloniën, om de aftredende gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië, jhr. A.C.D. de Graeff, op te volgen. Zijn benoeming heeft zowel in Nederland als in Indië weerstanden gewekt. Het passeren van de sterke man Colijn ondervond tegenstand bij de christelijke partijen, zijn relaties met het 'grootkapitaal' werden van socialistische zijde aangevallen, terwijl in Indië kritiek viel te beluisteren op zijn onvoldoende geachte kennis van dit overzeese rijksdeel.

Van 12 september 1931 tot 16 september 1936 heeft De Jonge het ambt van gouverneur-generaal vervuld. Deze periode is voor alles beheerst door de sterke depressie als gevolg van de economische wereldcrisis, die voor een voornamelijk grondstoffen exporterend land als Indië extra hard aankwam, aangezien de prijzen van grondstoffen sneller daalden dan die van de door Indië in te voeren industrieprodukten. De politiek van aanpassing - door middel van beperking van de produktie en van de produktiekosten - vond haar complement in een door de Indische regering krachtig doorgevoerde bezuiniging als gevolg van de slinkende overheidsinkomsten. De Jonge stond in deze kwestie tussen twee vuren: enerzijds drong Colijn, sinds 1933 minister-president én minister van Koloniën, bij hem aan op de noodzaak van nog verdergaande bezuinigingen, anderzijds propageerden vooraanstaande personen in Indië een beleid, dat primair de economie van het land zelf ten goede zou komen. Naast de onvrede over de economische verhouding met het moederland, is de Indische regering in de jaren '30 in toenemende mate geconfronteerd met de pressie van Japan, dat liberalisering eiste van zijn export naar Indië. In 1934 zijn hiertoe te Batavia onderhandelingen gevoerd, die geen bevredigende resultaten opleverden.

Op het terrein van de handhaving van de orde kan de landvoogdij-De Jonge - na de ernstige communistische onlusten onder De Graeff - als een betrekkelijk rustige periode worden aangeduid. Een kritieke episode vormde evenwel de muiterij op de kruiser De Zeven Provinciën in februari 1933, symptoom van de onvrede bij zowel het inlandse als het Europese overheidspersoneel. In de daaropvolgende maanden werd krachtig opgetreden tegen oppositionele bewegingen: verscherpt toezicht op bepaalde verenigingen, persbreidel, beperking van het vergaderrecht van nationalistische partijen, arrestatie van inlandse leiders als A. Soekarno, M. Hatta en S. Sjahrir gevolgd door hun internering.

Het bestaan van een Indonesisch nationalisme is door de Indische regering onder De Jonge principieel genegeerd en gereduceerd tot een politiële aangelegenheid. De grote meerderheid van de inlandse bevolking bleef daardoor apathisch tegenover een bewind, dat geen ruimte liet voor een zich ontwikkelende eigen staatkundige identiteit. De Jonges verhouding tot de Volksraad van Nederlands-Indië, die zich 1931 een 'inlandse meerderheid' kende, bleef de gehele periode stroef. De eerder patriarchaal dan parlementair denkende gouverneur-generaal verwachtte van het college voor alles een constructieve houding tegenover het regeringsbeleid, een instelling waartoe de Raad in veel kwesties niet bereid was. Beter waren zijn contacten met de inlandse aristocratie, de Indonesische hoofden, door hem als 'de ware inlandsche beweging' aangeduid. Veel opzien verwekten de twee audiënties, die hij toestond aan de NSB-leider ir. Mussert tijdens diens bezoek aan Indië in 1935. Ofschoon 'in menig opzicht sympathiek' staande tegenover de nationaal-socialistische beginselen, was De Jonge een vastbesloten tegenstander van de door de NSB gevoerde oppositie tegen de Nederlandse regering.

In september 1936 is De Jonge als gouverneur-generaal opgevolgd door jhr. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer. Na zijn repatriëring vestigde hij zich op zijn buiten 'De Beele' te Voorst en hield zich buiten de politiek. Kort na de Duitse inval, in juli 1940, is hij door J.E. de Quay en J. Linthorst Homan aangezocht als voorzitter van een Comité van Nationale Eensgezindheid, dat echter vrijwel direct na de oprichting uit elkaar viel. Na deze episode hield hij zich op de achtergrond bij activiteiten van naar nationale eenheid strevende groeperingen. In deze jaren was hij voorstander van een 'versterkt gezag', zij het niet zonder reële volksinvloed.

In 1942 vestigde hij zich op het landgoed Dennenoord in Oosterbeek, dat in september 1944 door oorlogshandelingen ernstige schade leed. Na 1945 heeft De Jonge zich geheel afzijdig gehouden van de politiek, hoewel vooral de ontwikkelingen in Indonesië hem ernstig hebben beziggehouden. Sinds 1946 woonde hij teruggetrokken in Zeist.

A: Collectie- B.C. de Jonge, berustend bij het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Herinneringen van Jhr.Mr. B.C. de Jonge. Uitg. door S.L. van der Wal (Groningen, 1968); Belevenissen en beschouwingen 1940-1950 [Den Haag,1968].

L: S.L. van der Wal, 'Ten geleide' in bovengenoemde Herinneringen... XI-XVII.

I: Herinneringen van Jhr.Mr. B.C. de Jonge. Uitg. door S.L. van der Wal (Groningen, 1968) 228-229.

F.J.M. Otten


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013