Jongkees, Jan Hendrik (1913-1967)

 
English | Nederlands

JONGKEES, Jan Hendrik (1913-1967)

Jongkees, Jan Hendrik, archeoloog (Bussum 3-12-1913 - Utrecht 4-3-1967). Zoon van Adriaan Johannes Jongkees, werktuigkundig ingenieur, en Johanna Gerarda van Luijk. Gehuwd op 3-9-1963 met Maria Frederika Vos. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Het verzamelen van antieke munten bracht hem reeds op jeugdige leeftijd in aanraking met de antieke beschaving, zijn wetenschappelijke belangstelling kwam hieruit voort. Reeds in 1932 publiceerde Jongkees zijn eerste artikel, twee andere volgden in 1933, het jaar waarin hij, na het einddiploma gymnasium aan het lyceum te Bussum behaald te hebben, in Utrecht klassieke letteren en archeologie ging studeren. Als leerling van C.W. Vollgraff en G. van Hoorn werd hij al spoedig betrokken bij de opgravingen op het Domplein te Utrecht en met de Romeinse Archeologie van Nederland, ook in latere opgravingen van bovengenoemden, resp. in De Meern (1940) en Utrecht (1943) werkte hij met hen samen. Na in 1941 cum laude op een proefschrift The Kimonian Dekadrachms gepromoveerd te zijn, werd hij in hetzelfde jaar assistent van Van Hoorn, waarna in 1945 een privaatdocentschap in de antieke numismatiek volgde aan de Universiteit van Utrecht. Tevens was hij, tot september 1946, verbonden aan het Koninklijk Kabinet van Munten, Penningen en Gesneden Stenen te 's-Gravenhage. Van einde 1946 tot april 1947 vond een tijdelijke detachering plaats aan het Nederlands Historisch Instituut te Rome. Eenmaal teruggekeerd naar Nederland werd hij in 1948 als wetenschappelijk ambtenaar aan het Archaeologisch Instituut te Utrecht verbonden en bereidde samen met Van Hoorn in dat jaar de tentoonstelling 'Romeins Nederland' voor. Van 1949 tot 1951 gaf hij ook colleges te Amsterdam, waar hij mevrouw C.H.E. Haspels tijdelijk verving en hij volgde in 1951 Van Hoorn op als buitengewoon hoogleraar in de klassieke archaeologie. Deze Utrechtse leerstoel werd in 1956 een ordinariaat.

Zijn werk kenmerkte zich door een grote veelzijdigheid, die bewust door hem werd nagestreefd. Hij zag de antieke cultuur als één groot geheel, de studie van elk onderdeel moest bijdragen tot de kennis daarvan. Elk onderwerp werd dan ook steeds in dit grote verband gezien. Het door hem bestreken terrein was omvangrijk, ook de vroegchristelijke archeologie behoorde daartoe en voor gegevens uit oude verzamelingen van antieke voorwerpen had hij eveneens grote belangstelling, zoals blijkt uit zijn boek Fulvio Orsini's Imagines and the Portrait of Aristotle (1960). In de Nederlandse archeologie nam hij een eigen plaats in. Zonder zich in bestaande controversen te mengen zocht Jongkees een synthese van de methoden die hij had leren kennen en daarin met de beperkte middelen die hem ten dienste stonden zoveel mogelijk te bereiken.

P: Volledige bibliografie in het hieronder genoemde Bulletin... van de Antieke Beschaving.

L: Bulletin van de Vereeniging tot Bevordering van de Kennis van de Antieke Beschaving 42 (1967) 2-9; Jaarboek der Rijksuniversiteit te Utrecht 1966-1967, 29-31; Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1972-1973. Levensberichten 151-152; Revue numismatique 10 (1960) 61-63.

Mw. C. Isings


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013