Jongmans, Wilhelmus Josephus (1878-1957)

 
English | Nederlands

JONGMANS, Wilhelmus Josephus (1878-1957)

Jongmans, Wilhelmus Josephus, paleobotanicus, stratigraaf (Leiden 13-8-1878 - Heerlen 13-10-1957). Zoon van Wilhelm Hendrikus Jongmans, kleermaker, en Anna Elisabeth Maria Verbrugge. Gehuwd sinds 2-8-1909 met Agnes Pauline Josefa Humann. Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 5 dochters geboren. afbeelding van Jongmans, Wilhelmus Josephus

Jongmans, opgegroeid in een groot 'makkelijk' gezin van katholieken huize, waar de kinderen 'vrijgevochten' waren, deed na de HBS te Leiden vlot staatsexamen en begon daar in 1898 de farmaciestudie aan de Universiteit, maar zwaaide na twee jaar om naar de systematische botanie. Onafhankelijk van geest deed hij na twee jaar de voor die tijd ongebruikelijke stap verder te studeren in München en zijn studie onder K. Goebel te voltooien. Zijn promotie aldaar volgde in 1906 op het proefschrift Ueber Brutkörper bildende Laubmoose. In die tijd gaf hij samen met J.W.G. Goethart 450 verspreidingskaartjes van planten in Nederland uit - begin van het 'hokkenwerk' en later de ontwikkeling der plantensociologie - een eerste bewijs van zijn systematische aanpak en werkkracht. Voor hij geheel klaar was werd hij begin 1906 teruggeroepen naar Leiden, om conservator van het Rijksherbarium te worden voor de collectie fossiele planten uit Z. Limburg. Zodoende kwam hij in aanraking met de Rijksopsporing van Delfstoffen (R.O.V.D.), een overheidsdienst die bezig was vooral steenkool te exploreren in de Peel. W.A.J.M. van Waterschoot van der Gracht, de directeur van de R.O.V.D., onderkende direct het belang van de paleobotanie voor de exploratie en kreeg gedaan dat Jongmans al per 1 augustus 1906 gedetacheerd werd bij zijn dienst, terwijl hij vanuit Leiden bleef werken. Deze gang van zaken bleek van historisch belang te zijn voor de ontwikkeling van de Carboonstratigrafie en mijngeologie en ook voor de carrière van Jongmans zelf. Zijn hoofdtaak bij de R.O.V.D. was het bewerken van alle boringen en daarbij begon hij vanaf 1906 systematisch fossiele planten te verzamelen. Jongmans was begiftigd met een scherp waarnemingsvermogen, een ijzeren geheugen, grote werkkracht, doorzettingsvermogen, en vasthoudendheid op expedities en in de literatuurstudies, grote besluitvaardigheid bij het determineren en interpreteren en een onverzadigbare weetgierigheid. Deze eigenschappen zouden hem maken tot een groot systematisch paleobotanicus en een pionier op het gebied van de mijngeologie bij de steenkoolmijnbouw. Steeds was hij op zoek naar ontbrekende schakels, meer gegevens en tussenvormen, teneinde zo goed mogelijk tot een sluitend systematisch paleobotanisch beeld te komen en een stratigrafie die bruikbaar zou zijn in de mijnbouw en tegelijkertijd voor correlatie elders in de wereld.

In 1908 ging hij voor langere tijd naar Edinburgh om zich onder leiding van R. Kidston (zijn grote leermeester) verder te bekwamen. Van 1906 tot 1919 werd in dienst van de R.O.V.D. een enorme activiteit ontplooid. Men verzamelde veel en systematisch materiaal, en de basis werd gelegd voor de Carboonstratigrafie, zoals die later op de Carbooncongressen als juist erkend zou worden. In die tijd begon ook de inrichting van het museum voor de Carbooncollecties en de ordening van de literatuur. Het besef dat het nodig is alles te zien alvorens tot determinaties en uitspraken te komen noopte hem de literatuur te ordenen en kritisch te bekijken. Hieruit kwamen zijn eerste bibliografische publikaties voort en ook het latere redacteurschap (sinds 1913 tot zijn dood) van de Fossilium Catalogus, afdeling Plantae. Alleen al om het enorme bibliografische werk is de paleobotanische en de botanische wereld Jongmans zeer veel dank verschuldigd. In deze periode verschenen ook de eerste belangrijke publikaties betreffende het Nederlandse Carboon, als regel in de Mededeelingen ... en het Jaarverslag... van de R.O.V.D. en van het Rijksherbarium.

Op 1 januari 1919 trad Jongmans in dienst bij de een halfjaar bestaande Rijks Geologische Dienst (R.G.D.) en werd afdelingshoofd in Haarlem. In 1921 kwam zijn benoeming tot directeur van het Geologisch Bureau voor het Mijngebied (G.B.) te Heerlen. Hier is hij tot grote ontplooiing gekomen. De eerste vier jaren werden door hem gebruikt om de contacten met de mijnbedrijven te intensiveren en systematiseren. In alle mijnen stonden één of meer assistenten tot zijn beschikking, die hij zelf geheel opleidde en enthousiasmeerde. Na 1922 werden alle ondergrondse ontsluitingen opgenomen door opnemers. Alles wordt ingemeten, in profiel getekend, fossielen verzameld, stratigrafie wordt voorlopig opgesteld. Er gaat vrijwel niets verloren. Het was uiteraard niet mogelijk dit alles meteen ook wetenschappelijk te bewerken. Maar alles werd goed gearchiveerd, opgeborgen en bewaard. Jongmans hoopte dat hij of anderen hiervoor later tijd zouden vinden.

Toen in 1925 de werkzaamheden van de mijngeologie en de opnemers in de Limburgse mijnstreek georganiseerd waren en goed liepen, kwam er weer meer tijd voor het algemenere werk, nl. zoveel mogelijk verzamelen en zien voor de wereldwijde Carboonstratigrafie. Dit duurde tot 1940. Daartoe ondernam Jongmans verre expedities, teneinde zelf in de Carboonbekkens te verzamelen. Ook werd door anderen elders materiaal bijeengebracht en naar Heerlen gestuurd ter bewerking. Een wereldwijde stratigrafie en paleografie van het Carboon begon te rijpen. Er was duidelijk ook behoefte aan meer buitenlands persoonlijk contact. In 1927 werd het eerste Internationale Congres voor Carboonstratigrafie in Heerlen bijeengeroepen door W. Gothan (Berlijn), Jongmans en A. Renier (Brussel). Het daaropvolgende - eveneens onder leiding van Jongmans - vond wederom plaats in Heerlen in 1935. Later heeft Jongmans ook het daar gehouden derde Carbooncongres in 1951 in volle activiteit meegemaakt. Hij werkte nog mee aan de voorbereiding van het vierde Carbooncongres, dat hij ten slotte niet meer zou beleven. De eerste drie Carbooncongressen waren in feite zijn congressen. Hij organiseerde programma en sprekers, en verzorgde zelf ook belangrijke wetenschappelijke bijdragen en redigeerde na elke bijeenkomst de lijvige Compte-Rendu... geheel zelfstandig. Zijn belangrijke publikaties verschenen in deze congres-verslagen en in de Mededeelingen ... behorende bij het Jaarverslag... van het Geologisch Bureau. De Carbooncongressen waren zowel qua wetenschappelijke inhoud als qua internationale afspraken voorbeeldig in hun soort. Op de derde bijeenkomst in 1951 waren voor het eerst na de oorlog te midden van een breed internationaal gezelschap Duitsers en Russen aanwezig. Deze samenkomsten hebben niet alleen de Carboonstratigrafie en de mijngeologie gestimuleerd, maar ook de Koolpetrografie (van belang voor cokesfabricage) en de micropaleobotanie van het Paleozoïcum. Jongmans beschreef Carboon flora's uit Zuid-Sumatra (op zijn verzoek door A. Tobler verzameld) Djambi, USA, Stiermarken, Anatolië, USSR, Oost-Azië, Engeland, Nieuw-Guinea en uiteraard Nederland. Daarnaast propageerde hij in ons land het gebruik van Nederlandse (vooral Zuidlimburgse) natuursteen in de bouw, de natuurbescherming (Heimansgroeve en Sarsven zijn mede op zijn initiatief monumenten) en de drinkwatervoorziening in Limburg. Een indrukwekkende serie publikaties over Carboonstratigrafie en paleontologie, de geologie van Zuid-Limburg, natuursteen, natuurbescherming, drinkwatervoorziening enz. verscheen in de jaren 1925-1941.

In 1941 werd voor vele gestrande geologen een onderzoek georganiseerd ten behoeve van de Gezamenlijke Steenkoolmijnen in Limburg (G.S.L.). Er kwamen ca. 40 net afgestudeerde geologen en enkele oudere verlofgangers naar Zuid-Limburg. Doel was het materiaal van de R.O.V.D. en het G.B. dat in het verleden verzameld was, maar nog niet voldoende wetenschappelijk bestudeerd, te bewerken en de resultaten toe te passen in de begeleiding van de lopende mijnbouw en ook ten dienste van toekomstige exploratie. Jongmans had daarbij de algemene leiding over het werk, hielp met zijn ervaring, kennis, materiaal en bibliotheek de vele nog onervaren geologen en drukte een stempel op de voortgang van het project. Een serie belangrijke publikaties (Mededeelingen van de Geologische Stichting. Serie C) verscheen sinds 1941 onder zijn redactie. Hoewel zijn pensioen in 1946 was ingegaan, gaf de G.S.L. hem opdracht de nog niet vastgelegde kennis op schrift te stellen. Hij behield zijn werkruimte op het G.B. met zijn materiaal en boekerij. Jongmans bleef ook dan nog reizen (Turkije, Spanje, Noord-Afrika, Zwitserland) en speurde doelbewust naar gebieden waar mogelijk 'missing links' gezocht konden worden met kans op succes. Hij werkte verder mee aan de uitgave Hout in alle tijden... [1949-1955], legde een verzameling reconstructies van fossiele landschappen aan, was secretaris van de Subcommissie voor Carboonstratigrafie en werkte nog steeds aan de Fossilium Catalogus.

Jongmans heeft veel invloed gehad op het tot stand komen van de Carboonstratigrafie en ook tot het vormgeven aan de steenkoolmijngeologie. In deze zaken is zijn betekenis zeer groot te noemen. Zowel in binnen- als buitenland vielen hem talrijke wetenschappelijke en andere onderscheidingen ten deel zoals bijv. een eredoctoraat te Glasgow (1938) en Amsterdam (1957).

P: Naast de genoemde literatuur is een volledige lijst te vinden in Geologie en Mijnbouw 19 (1957) 420-425.

L: A.A. Thiadens, in Geologie en Mijnbouw 19 (1957) 417-420; idem, in Geschichte der Mikroskopie. Leben und Werk grosser Forscher Hrsg. von H. Freund und A. Berg (Frankfurt am Main, 1963- . dln.) III, 217-225.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 760.

A.A. Thiadens


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013