Jonkman, Jan Anne (1891-1976)

 
English | Nederlands

JONKMAN, Jan Anne (1891-1976)

Jonkman, Jan Anne, minister (Utrecht 13-9-1891 - 's-Gravenhage 27-6-1976). Zoon van Hendrikus Franciscus Jonkman, directeur HBS, en Anna Margaretha Francisca van Gorkom. Gehuwd met Johanna Lina Margaretha de Bruïne op 10-7-1922. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Jonkman, Jan Anne

Jonkman groeide op in een remonstrants-gereformeerd milieu te Utrecht, waar hij vertrouwd raakte met de Nederlandse overzeese traditie. Zijn grootvader dr. K.W. van Gorkom was in 1864 F.W. Junghuhn te Bandoeng opgevolgd bij de kinacultuur, zijn vader was een zeer actief lid van de Nederlandsch-Zuidafrikaansche Vereeniging. In 1910 begon Jonkman, na zijn eindexamen gymnasium in Utrecht behaald te hebben, zijn rechtenstudie daar zonder duidelijke toekomstplannen. Intens beleefde hij als corpslid het studentenleven in vele facetten. Na zijn kandidaatsexamen, dat hij in 1911 aflegde, zette hij in 1913 zijn studie voort aan de universiteit van Toulouse, waar hij diep onder de indruk kwam van het patriottisme van revanchistische studenten bij hun betogingen voor de terugkeer van Elzas-Lotharingen naar Frankrijk. In 1914 schreef hij zijn ouders: 'Nederland zal te meer eens onsterfelijk zijn als de Indische archipel tot een bloeiend zelfstandig rijk door ons is opgevoed.' Daar rijpte ook zijn plan voor een loopbaan bij de Indische rechterlijke macht: een beroepskeuze, die naast een zekere gerichtheid op Nederland-overzee van huis uit, vooral bepaald werd door Jonkmans op vreemde bodem ontwikkeld orangistisch nationalisme.

In 1914 teruggekeerd in Utrecht maakte hij zeer snel in juni 1915 zijn rechtenstudie af om zich vervolgens op 16 oktober in te laten schrijven te Leiden, waar hij zich onder leiding van C. van Vollenhoven voorbereidde op zijn dissertatie en op het aanvullingsexamen voor de Indische rechterlijke macht, dat hij begin 1919 met goed gevolg aflegde. Sinds zijn terugkeer uit Toulouse was Jonkman zich uitdrukkelijk met Indië bezig gaan houden. In 1917 werd hij de eerste voorzitter van het Indonesisch Verbond van Studeerenden, waarvan toen onder meer H.J. van Mook, L. Einthoven en J.H. van Maarseveen lid waren. Bij de leden van het Verbond - de tweede generatie aanhangers van de ethische politiek - stond het belang van Indië voorop. Velen hunner zou in hun latere carrière verweten worden, dat zij alleen oog hadden voor Indië en de belangen van Nederland verwaarloosden. Voor de Nederlands-nationalistische Jonkman heeft dat nooit gegolden. Op het tweede congres van het Verbond in 1919, kort na de novemberbeloften van gouverneur-generaal J.P. graaf van Limburg Stirum, pleitte Jonkman, voor een overdracht 'met versnelde geleidelijkheid aan de Indonesische volkeren van het bestuur hunner landen', waarbij dan van Indonesië verwacht mocht worden dat het, onafhankelijk geworden, zou streven naar nauwe culturele banden met Nederland, Suriname, Curaçao, 'Hollandsch- Zuid-Afrika' en Vlaanderen en 'wellicht ook nog' naar banden van economische en staatkundige aard.

In juli 1919 vertrok Jonkman naar Indië, waar hij, na enkele korte aanstellingen als griffier op Sumatra, in 1921 benoemd werd tot substituut-officier bij de Raad van Justitie te Semarang. Na zijn verlof in Nederland werd Jonkman in 1927 benoemd tot lid van de Volksraad. In zijn maidenspeech omschreef hij zichzelf als een leerling van de 'linkerklas van de Leidsche school' of, in termen van de koloniale pers als lid van de 'Leidsche bende'. Drie jaar later was hij nauw betrokken bij de oprichting van De Stuw, het blad van de Vereeniging tot bevordering van de maatschappelijke en staatkundige ontwikkeling van Nederlandsch-Indië bestaande uit enkele intellectuelen en een aantal ambtenaren, de neo-ethici. Aanvankelijk verzorgde Jonkman de rubriek 'Politieke Varia' en later samen met Van Mook en F.M. van Asbeck de 'Kroniek'. Kort voor zijn overplaatsing naar Makassar, waar hij in 1931 benoemd werd tot officier van justitie, betreurde Jonkman in de 'Kroniek' de politiek van Nederland en Frankrijk, die een grote koloniale tentoonstelling hadden georganiseerd op hetzelfde moment dat India en Engeland een rondetafelconferentie voorbereidden over een nieuwe staatkundige verhouding tussen moederland en kroonkolonie. Ver van Batavia kon hij zich als hoofd van het parket niet meer met politiek (de Volksraad) en De Stuw bezighouden.

In 1939 werd Jonkman, die inmiddels officier van justitie te Semarang was geworden, de zevende voorzitter van de Volksraad. Hij werd daar al spoedig geconfronteerd met de motie-Wiwoho waarin werd aangedrongen op zelfstandigheid van Nederlandsch-Indië binnen het Koninkrijk. De motie werd echter door toedoen van de Nederlandsch-Indische regering niet in behandeling genomen. Jonkman die veelvuldig had gepleit voor de invoering van een Indisch burgerschap, poogde als voorzitter van de Volksraad herhaaldelijk de starre houding van gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer te doorbreken, maar deze bleef weigeren om door middel van het staatsnoodrecht de inwendige structuur van Nederlandsch-Indië te veranderen en toezeggingen te doen over wijzigingen in de staatkundige verhoudingen in het Koninkrijk. Hiermee was tevens het kader aangegeven voor Jonkmans eigen optreden tot de Japanse bezetting. In maart 1942 werd hij door de Japanners gevangen genomen en te Bandoeng geïnterneerd, waar hij in verschillende kampen de oorlogsjaren doorbracht.

Na zijn aankomst in Nederland in december 1945 werd er al spoedig van vele kanten een beroep op zijn Indische kennis gedaan. Tot zijn grote verrassing werd hij in juni 1946 door formateur L.M.J. Beel aangezocht om J.H.A. Logemann op te volgen als minister van Overzeese Gebiedsdelen. Beel verwachtte dat de toen nog partijloze Jonkman - hij werd in juli 1946 lid van de PvdA - beter dan de PvdA 'er Logemann in staat en bereid zou zijn tegenover het Indo-centrisch beleid van Van Mook het Haagse standpunt staande te houden. Jonkman is daar grotendeels in geslaagd, hoewel hij een vreemde eend in de politieke hofvijver was. Bij zijn optreden in Kamer en Kabinet pleegde hij eerst de goede elementen in het standpunt van de tegenpartij uitbundig te prijzen om daarna zeer breedvoerig en omzichtig zijn eigen standpunt naar voren te schuiven. Deze Volksraadstijl bevreemdde niet alleen de PvdA, ook politiek Den Haag had er moeite mee. Voor Van Mook was een ander aspect van Jonkmans politiek van groter belang. Jonkman had evenals Van Mook tot De Stuw behoord, maar in één opzicht onderscheidde hij zich van de andere neo-ethici. Jonkman voelde zich in de eerste plaats Nederlander en als zodanig beter op zijn plaats in Den Haag, waar het Nederlandse belang in Indië werd verdedigd, dan in Batavia waar de Indischman Van Mook het liefst zo weinig mogelijk van Den Haag wilde merken. Tijdens de onderhandelingen van de Commissie-Generaal in de herfst van 1946 met de Republiek kwam dit duidelijk tot uiting. De zeer losse band, die in het Linggadjati-akkoord tussen Nederland en Indonesië werd voorgesteld was voor de Groot-Nederlander Jonkman moeilijk te aanvaarden, maar hij was realist genoeg om de noodzaak van een akkoord tussen Nederland en de Republiek in te zien. Door handig manoeuvreren wist hij te bewerkstelligen dat de opposanten binnen het kabinet tegen de plannen van de Commissie-Generaal hun oordeel zouden uitstellen tot na de terugkeer van deze Commissie in Nederland. Hiermee heeft Jonkman de parafering van Linggadjati weten te redden. Vervolgens echter wierp hij zich met de Commissie-Generaal op de 'aankleding van Linggadjati' om het stuk op Nederlandse parlementaire maat te snijden en in ieder geval voor de KVP aanvaardbaar te maken. In juni 1947, na aanvankelijk verzet, stelde ook Jonkman zich op Van Mooks standpunt dat de republiek Indonesia niet in staat bleek de beginselen van Linggadjati in de praktijk te brengen en dat daarin via militair optreden verandering gebracht moest worden. Hij was echter voorstander van een beperkte politiële actie, waarbij het symbool van de Indonesische vrijheidsstrijd, Djokjakarta, onaangetast diende te blijven. Met succes verdedigde Jonkman de oorspronkelijke, beperkte opzet van de actie, toen in augustus 1947 na het beëindigen van de 'Actie Product' Van Mook en een groot aantal ministers in het kabinet wilden doorstoten naar Djokjakarta. Teleurgesteld door de slechte keer die de verhouding met Indonesië genomen had en geveld door een nooit geheel genezen ziekte uit de kamptijd, moest Jonkman zich in september en oktober 1947 door Beel als minister laten vervangen. Daarna hield hij zich alleen nog met de staatkundige en politieke aspecten van het Indonesiëbeleid bezig. Het beheer van het departement en de financiële en economische politiek kwamen sinds 10 november 1947 voor rekening van de minister zonder Portefeuille L. Götzen. Bij de begrotingsbehandeling in december 1947 was Jonkman wederom de fysieke uitputting nabij; slechts met veel moeite wist Drees hem van aftreden te weerhouden. Na de verkiezingen in juli 1948 trad hij als minister af. Tot het ministerschap was hij fysiek niet langer in staat, maar evenmin was hij bereid zitting te nemen in een kabinet dat steun zocht bij een partij (de VVD) die vond dat het roer om moest. Na zijn ministerschap speelde Jonkman in de Eerste Kamer nog zeer lang een actieve en belangrijke rol, eerst als lid, van 1951 tot 1966 als voorzitter.

Zijn grootste bekendheid kreeg Jonkman als minister van Overzeese Gebiedsdelen gedurende de meest cruciale periode uit de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Jonkman was weliswaar kort na zijn ambtsaanvaarding lid van de PvdA geworden, maar op het ideologische en persoonlijke vlak was er weinig dat hem aan deze partij bond. De PvdA was daarvoor stellig medeverantwoordelijk. De belangrijkste voorloper van de PvdA, de SDAP, had zich voor de Tweede Wereldoorlog nooit stelselmatig bezig gehouden met de koloniale politiek en was in 1945 als regeringspartij dan ook mentaal slecht voorbereid op de problemen, die de dekolonisatie van Indonesië met zich mee zou brengen. Dit traditionele gebrek aan belangstelling voor koloniale vraagstukken bij de sociaal-democratie zou in rustiger tijden een belangrijke mate van vrijheid hebben betekend voor een socialistische minister van Overzeese Gebiedsdelen. In de eerste maanden van Jonkmans ministerschap was dat ook nog het geval en behoefde Jonkman bij de presentatie van zijn beleid uitsluitend rekening te houden met de KVP en de oppositie, maar na de aankleding van Linggadjatie en vooral bij het eerste militaire optreden van Nederland tegen de Republiek ging de partij zich uitdrukkelijk met zijn beleid bemoeien.

Jonkman heeft de verdienste gehad de Commissie-Generaal en Van Mook een mate van overeenstemming met de Republiek te laten bereiken, die, gezien het standpunt van de grote meerderheid van de Kamer, niet haalbaar leek. Met die volksvertegenwoordiging heeft hij voortdurend rekening gehouden. In 1976 schreef hij: 'In de Tweede Kamer moet ik telkens erop bedacht zijn, het Romme mogelijk te maken zichzelf en zijn fractie tot steun aan de Regering te bewegen.' Niet alleen de KVP was voor hem belangrijk. Voor de uitvoering van het Linggadjati-akkoord was een wijziging van de grondwet nodig. De rooms-rode coalitie beschikte niet over de vereiste tweederde meerderheid en daarom probeerde Jonkman een brug te slaan naar de oppositie, die zich tot dan toe zeer fel tegen het Indonesië-beleid van de regering had verzet. Deze politiek van Jonkman zou men realistisch kunnen noemen; vanuit een andere optiek valt het echter direct op, dat de KVP in de eerste naoorlogse jaren onmiskenbaar belang had bij de coalitie met de PvdA. Het is zeer de vraag of Jonkman voldoende van dat gegeven gebruik heeft gemaakt.

A: Collectie-Jonkman in Algemeen Rijksarchief.

P: Indonesisch-nationale grondslag van het onderwijs ten dienste der inlandsche bevolking (Utrecht, 1918). Proefschrift Leiden; Het oude Nederlandsch-Indië (Assen, 1971); Nederland en Indonesië beide vrij (Assen, 1977).

I: ANP Historisch Fotoarchief, beeldnummer 72727 [Jonkman in mei 1951].

F.G. van Baardewijk


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013