Jungius, Hendrika Maria Aleida (1864-1908)

 
English | Nederlands

JUNGIUS, Hendrika Maria Aleida (1864-1908)

Jungius, Hendrika Maria Aleida, onderwijzeres en directrice Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid (Heiloo 1-4-1864 - Arnhem 23-12-1908). Dochter van Elias Cornelis Jungius, predikant, en Augustina Sophia Carolina Henrijette Hooijkaas. Zij bleef ongehuwd. afbeelding van Jungius, Hendrika Maria Aleida

Na een opleiding tot onderwijzeres aan de enige voor meisjes toegankelijke Kweekschool te Haarlem, ontwikkelde zij haar duidelijke wiskundige en filosofische begaafdheid door bijlessen en zelfstudie. Haar eerste werkkring vond zij aan een openbare meisjesschool in Den Haag, en kwam daar in aanraking met de welgestelde, sociaal-voelende mevr. C. van der Hucht-Kerckhoven, die met haar en Suze Groshans, geestverwante en mede-onderwijzeres - in navolging van de Engelse 'Bands of Mercy' - de Kinderbond oprichtte in 1891, één van de voorlopers van de huidige kinderbescherming. In 1895 werden de statuten goedgekeurd, waarop Marie Jungius het onderwijs verliet om zich als secretaresse van mevr. Van der Hucht aan het Kinderbondwerk te wijden.

In november van dat zelfde jaar werd zij aangetrokken door een voorlopig bestuur, dat met het oog op een voor het kroningsjaar in te richten tentoonstelling over de Vrouwenarbeid, het land afzocht naar, zoals dat toen heette, 'bekwame vrouwen'. Met verlof van haar werkgeefster kon Marie Jungius hier al haar talenten ontplooien. Zij tekent het ontwerp voor het alom geprezen tentoonstellingsgebouw, maakt het plan tot verdeling der zalen, ontwerpt het werkschema voor de achttien congressen die tijdens de tentoonstelling zullen plaats vinden en neemt samen met Suze Groshans de verantwoordelijkheid op zich voor de inrichting van de afdelingen Onderwijs, Handel en die van de grote Industriezaal. Vooral de tentoongestelde grote machinerieën van de dan moderne industrie maakten na de opening diepe indruk. Behalve het Industriecongres dat onder haar leiding stond hield Marie Jungius o.a. ook twee lezingen: De Nederlandsche Kinderbond en de eenheid van alle humanitair streven (Amsterdam, 1899) en Vivisectie in Nederland (Den Haag, [1899]) die later in druk verschenen. Met haar welversneden pen had zij bovendien in een wijdverbreid en bezielend Woord de omstreden en bespotte status van de Tentoonstelling warm verdedigd.

Mede dank zij de activiteiten van Marie Jungius werd de tentoonstelling, waaraan niet minder dan vijf- à zeshonderd vrouwen enthousiast hadden meegewerkt, een groot succes. Met behulp van een uit deze onderneming overgebleven batig saldo van F. 25.000 werd in 1901 een Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid opgericht dat tot 1940 zou blijven bestaan en met zijn werkzaamheden veel erkenning vond. Marie Jungius had de oprichting van zulk een Bureau voorgesteld, de feitelijke oprichting ervan op zich genomen en werd gedurende haar laatste zeven levensjaren de eerste directrice. Vooral als studie- en publikatiecentrum verrichte dit Bureau door de ijver en toewijding van Marie Jungius bijgestaan door haar onvermoeibare medewerkster, de onderwijzeres Suze Groshans, belangrijk werk. Zo verschenen, naast veel lopend werk en individuele bijstand, tussen 1903 en 1908 in een reeks goedkope uitgaven meer dan tien brochures, voor een deel met enkele onmisbare excerpten uit de beroepstelling van 1899 en enquêtes door het Bureau gehouden, o.a. over De vrouw in de steenfabricage. Uitbesteding van weezen door burgerlijke en kerkelijke armbesturen, Vrouwenarbeid in den gemeentetijken telefoondienst in Nederland, Eenige opmerkingen aangaande de toestand der magazijn- en winkelbedienden in Nederland, Wat doet Nederland voor zijn arbeidsters-kraamvrouwen?. Voor deze laatste brochure waren niet minder dan 2500 medici en 4000 ziekenfondsen ondervraagd. Elk deeltje werd door Marie Jungius van een woord vooraf voorzien.

De arbeid aan het Bureau na 1901 betekende intussen wel dat ander door Marie Jungius tevoren aangevat werk tot een einde kwam. Na de Tentoonstelling was zij aanvankelijk nog zeer actief geweest in de Kinderbond en had ook enig literair-bedoeld werk gepubliceerd (in 1899 verschenen haar Verzen en Sprookjes van Leven in een zg. verheven stijl geschreven die spoedig uit de mode zou geraken). Hoezeer zij als predikantsdochter, zonder zich ooit aan een politieke partij te willen binden, sociaal bewust en maatschappelijk betrokken was, bleek ook uit haar brochure Over de onbegrensdheid van ons meegevoel (Amsterdam, 1900) en uit wijsgerige beschouwingen die zij in een lange reeks in het Correspondentieblad van de Kinderbond van 1899 tot 1901 had gepubliceerd.

Toch mag men, terugziend op dit actieve, maar te korte leven met enige nadruk concluderen dat het werk voor de Tentoonstelling en later voor het Bureau van meest blijvende waarde zijn gebleken. Vooral langs deze wegen is haar invloed op de vrouwenbeweging van grote betekenis geweest. Van haar opvallende verschijning - zij was tenger van gestalte, met blond kortgeknipt haar en stralende blauwe ogen - ging een zonnige bekoring uit die ertoe bijdroeg dat zij zonder moeite met haar diepe, meeslepende stem een grote aanhang verwierf bij de verkondiging van erbarmen en rechtvaardigheid voor de vrouw en het kind. Niet altijd kon haar gevoelige aard de gevolgen van haar aantrekkingskracht adequaat verwerken, zodat soms van anderen verwijten van geprikkeldheid werden gehoord en ook door haarzelf om gezondheidsredenen wegens overspanning weleens ziekteverlof moest worden opgenomen. De realistische radicalere 'vrije vrouwen' hadden weinig met haar op. Maar zij ontmoette tijdens en na haar leven ook veel waardering. Frans Netscher schreef over haar in De Hollandsche Revue van 1900 dat deze feministe, verbonden aan de kiesrechtstrijd, in haar streven naar recht en hulpvaardigheid de vergelijking met Tolstoi doet opkomen. Volgens hem zijn haar profeten echter niet bijbels, maar mannen van de wetenschap. Haar drang naar exacte kennis behoedt haar z.i. bij alle gevoeligheid voor sentimentaliteit. Net als de schrijfster zelf heeft haar werk Kamphuisen iets fijns en teers; tegelijkertijd is het zeker en resoluut, geëquilibreerd. In haar ziel zijn voelen en weten in evenwicht. Medewerksters en aanhangers richtten na haar dood het Marie Jungius-Fonds op ter voortzetting van haar persoonlijke humanitaire werk.

L: Anna Polak, in Tijdschrift voor armenzorg en kinderbescherming 10 (1909) 2; Evolutie 16 (1908) 153-154; 157; 159; Belang en recht 1 januari 1909.

I: Van moeder op dochter. De maatschappelijke positie van de vrouw in Nederland vanaf de Franse tijd. Onder red. van W.H. Posthumus-van der Groot en Anna de Waal (Utrecht [etc.] 1968).

Mw. W.H. Posthumus-van der Goot


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013