Kemp, Petrus Johannes (1886-1967)

 
English | Nederlands

KEMP, Petrus Johannes (1886-1967)

Kemp, Petrus Johannes (Pierre), dichter en schilder (Maastricht 1-12-1886 - Maastricht 21-7-1967). Zoon van Hubertus Kemp, gespecialiseerd molenkapper, later drukker en decorateur keramische industrie, en Maria Catharina van der Venne. Gehuwd op 11-1-1918 met Catharina Hubertina Mommers. Uit dit huwelijk werden 3 zonen geboren. afbeelding van Kemp, Petrus Johannes

Kemp begon na de lagere school als plateelschilder te werken op de Société Céramique te Maastricht. In 1905 liet hij zich inschrijven als leerling van de avondklas en van 1906-1911 ontving hij op de zondagscursus van het Stadstekeninstituut samen met Jan Grégoire en Henri Jonas teken- en schilderles van de begaafde pedagoog jhr. Robert Graafland. Enige schetsen trokken de aandacht van pater Jos. van Well S.J., die gedaan kreeg dat Kemp zich een jaar lang uitsluitend aan de schilderkunst kon wijden (1913-1914). Het schildersjaar voldeed echter niet aan de verwachtingen.

Intussen had hij in de periode 1909-1913 ongeveer vijfennegentig gedichten gepubliceerd in De Limburger Koerier. Voorzien van een inleiding door Van Well en met een inleidend gedicht van Felix Ruiten, werd een keuze uit deze gedichten gebundeld onder de titel Het wondere lied (1914). De bundel vond een gunstig onthaal, vooral in rooms-katholieke kring. Een poging van Van Well om Kemp op de Amsterdamse redactie van De Tijd, waar de Limburger Alphons Laudy hoofdredacteur was, de mogelijkheid te verschaffen van een journalistieke carrière, sprong af op het heimwee van Kemp die het nog geen jaar in de hoofdstad uithield (1915), Na een kort verblijf op het kasteel van Elsloo, waar hij de schilder Antoon van Welie leerde kennen die hem bij Louis Couperus wilde introduceren, trad Kemp in 1916 in dienst van de Société des Carbonnages Réunis Laura et Vereeniging te Eygelshoven. Hij zou hier blijven tot aan zijn pensioen (eind 1944) en er opklimmen tot chef van het loonbureau.

Kemps tweede gedichtenbundel De bruid der onbekende zee... [1916], slechter ontvangen, markeert het begin van een periode van allerlei artistieke activiteiten. Hij publiceerde prozagedichten in Het Getij, werkte aan een nimmer voltooid omvangrijk episch werk dat 'De tocht' zou moeten heten en componeerde zijn Limburgs sagenboek (1925; 2e dr. 1969). Zijn Carmina matrimonialia (1928), ten dele eerder gepubliceerd in De Gemeenschap, trokken de aandacht van onder meer H. Marsman. In 1929 werd een opleving geconstateerd in Kemps schilderkunstige activiteiten (leidende tot een achttal tentoonstellingen), maar op l augustus 1936 zei Kemp de schilderkunst voorgoed vaarwel.

Tijdens zijn dagelijkse korte treinreizen van en naar het werk te Eygelshoven was Kemp intussen een soort miniatuurgedichten gaan schrijven. Deze gedichten, veelal in De Gemeenschap gepubliceerd, werden gebundeld in Stabielen en passanten (1934), het elegischer en ironischer Fugitieven en constanten (1938) en in Transitieven en immobielen (1940). De korte gedichten van deze bundels zijn sober en geconcentreerd en bevatten een vaak ongewoon plastisch taalgebruik. Uit deze gedichten wordt duidelijk dat Kemp op een vrij laat moment zijn eigen toon en karakter heeft gevonden.

Op een enkele uitzondering na (i.e. Stuiveling, die later op zijn oordeel terug zou komen) heeft de toenmalige literaire kritiek deze nieuwe, eigen artistieke uitdrukkingsvorm in dit 'tweede debuut' van Pierre Kemp enthousiast begroet. Zijn naam werd verbonden met die van dichters als Gezelle, Gorter, Van Ostayen, Morgenstern, Giza Ritschl en die van schilders als Koch, Willink en Melle, -maar het lukte niet houvast te krijgen ten aanzien van de school, de richting of de stroming waarvan hij de vertegenwoordiger zou zijn. Ed. Hoornik gaf de bijna 60-jarige dichter als een volkomen autonome figuur resoluut de ereplaats aan de tafelronde van de jonge dichters van vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Kemps bundels wekten inderdaad de bewondering van de jongere generatie. De literair-historicus Karel Meeuwesse toonde ten slotte aan dat Kemp een vertegenwoordiger is van de generatie der postsymbolisten, door sommigen wel die der neosymbolisten genoemd. Kemp zou zijn persoonlijke mythe, zo kenmerkend voor de neosymbolist, gevonden hebben in de kleur, de klank en het licht van een in de diepte van het onderbewustzijn verzonken natuur. Van die post- of neosymbolisten zou hij dan de meest surrealistisch gekleurde exponent zijn.

Na zijn pensionering per 1-1-1945 heeft Kemp in zijn Standard-book of classic blacks (1946) zijn zwarte gedachten van de tien voorafgaande jaren geïnventariseerd. Een 'lichtgevoeliger' keuze verraadt alweer Phototropen en noctophilen (1947) dat eveneens gedichten uit de periode 1936-1946 bevat.

De door Adriaan Morriën verzorgde Een bloemlezing uit zijn kleine liederen, aangevuld met de nieuwe bundel Nog altijd meten zich begeerten met vaarwellen (1953) heeft veel bijgedragen aan de algemene bekendheid van de inmiddels 67-jarige dichter, die in 1954 de poëzieprijs van de gemeente Amsterdam ontving en in 1956 de Constantijn Huygensprijs van de Jan Campertstichting.

De nadrukkelijke erkenning van de kwaliteit der korte gedichten, culminerend in de toekenning in 1959 van de Staatsprijs voor Letterkunde, de P.C. Hooftprijs, heeft de aandacht afgeleid van Kemps langere gedichten zoals gebundeld werden in Pacific (1946), geïnspireerd op een locomotief, Forensen voor Cythère en andere gedichten (1949) en Au pays du tendre Mosan (1961). Deze langere gedichten die de dichter zijn 'synfonisch werk' noemde, zijn tot op heden weinig onderzocht.

Hoewel de dichter altijd zeer verknocht is geweest aan zijn langere gedichten, heeft hij in zijn laatste levensjaren opnieuw een buitengewone hoeveelheid kleinere gedichten geschreven die gebundeld werden in tal van uitgaven. Met name Engelse verfdoos (1956), geïnspireerd op de zestig kleuren van een goedkope verfdoos van Engels fabrikaat, en Emeritaat (1959), met zijn veronderstelling van een naderend einde, zijn ongetwijfeld meesterwerken om hun mengeling van levensvreugde en doodsangst, humor en schrijnend cynisme.

In zijn laatste levensjaren ging de dichter gebukt onder een ernstige oogziekte die hem steeds afhankelijker van anderen maakte bij het schrijven. Door de inmiddels opgerichte Pierre Kemp stichting werden nog een drietal bundels uitgegeven. Deze zijn door de literaire kritiek nauwelijks meer opgemerkt, mogelijk omdat zij nogal bibliofiel werden uitgegeven. Ook van zijn overlijden in 1967 werd slechts in een paar dag- en weekbladen melding gemaakt.

A: Het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage is in het bezit van een volledige ontsluiting van het Kemp-archief dat eigendom is van de Pierre Kemp Stichting te Maastricht.

P: Alle in druk verschenen gedichten, gebundeld en verspreid, benevens een keuze uit het dichterlijk proza werden afgedrukt in zijn Verzameld werk (Amsterdam, 1976, 3 dln.). Enig teken- en schilderwerk is afgebeeld in het aan Kemp gewijde Schrijvers prentenboek ('s-Gravenhage, 1961) no. 7.

L: Harry G.M. Prick, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1971-1972 (Leiden, 1973), waarin een overzicht der 'Voornaamste geschriften' en vele verwijzingen naar literatuur over Kemp; W.A.M. de Vroomen, Voorlopig register op de in druk verschenen gedichten van Pierre Kemp (Leiden, 1973); idem, 'Verantwoording', in Verzameld werk (Amsterdam, 1976) 1355-1369.

I: Pierre Kemp: man in het zwart, heer van het groen, samengest. door Rob Molin en Peter Morel (Amsterdam 1980) 15 [Kemp omstreeks 1915].

W.A.M. de Vroomen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013