Klaauw, Cornelis Jakob van der (1893-1972)

 
English | Nederlands

KLAAUW, Cornelis Jakob van der (1893-1972)

Klaauw, Cornelis Jakob van der, zoöloog (Amsterdam 16-11-1893 - Zutphen 20-5-1972). Zoon van Christoph Gotlieb David van der Klaauw, onderofficier, en Caroline Wilhelmine Pantekoek. Gehuwd op 22-8-1922 met Albertine Magelena Bruins. Uit dit huwelijk werden 1 dochter en 3 zoons geboren. afbeelding van Klaauw, Cornelis Jakob van der

Op driejarige leeftijd kwam Van der Klaauw in Oegstgeest te wonen, hij bracht zijn jeugd daar door en bezocht de HBS te Leiden. Door een ongeluk dat hem op zijn dertiende overkwam, verloor hij een been en bleef voor de rest van zijn leven invalide. Zijn biologie-studie vond plaats aan de Leidse universiteit. Van zijn leermeesters in de zoölogie, G.C.J. Vosmaer en P.N. van Kampen, had vooral de laatste grote invloed op hem en deze was de stimulator van diens vergelijkend anatomische onderzoekingen. Op 7 maart 1922 promoveerde Van der Klaauw te Leiden op een proefschrift getiteld Über die Entwickelung des Entotympanicums - prof. P.H. van Kampen was promotor. Na in 1919 benoemd te zijn tot assistent aan het Zoölogisch Laboratorium te Leiden, werd hij er op 18 september 1922 conservator. Op 20 augustus 1923 volgde een privaatdocentschap aan de Rijksuniversiteit aldaar. Van het begin van deze loopbaan af bleek Van der Klaauws belangstelling voor de geschiedenis der wetenschappen uit zijn historische schets Het hooger onderwijs in de Zoölogie en zijn hulpmiddelen te Leiden, een uitermate grondige bronnenstudie uitgegeven naar aanleiding van het 50-jarig bestaan van het Zoölogisch Laboratorium in 1926. In 1928 stichtte hij te zamen met dr. C.A. Crommelin het tegenwoordige Rijksmuseum voor de Geschiedenis der Natuurwetenschappen te Leiden (bij de oprichting genoemd Het Nederlandsch Historisch Natuurwetenschappelijk Museum) één van de belangrijkste instellingen op dat gebied in ons land. Op 8 juni 1931 volgde zijn benoeming tot lector in de dierkunde, op 18 mei 1934 tot gewoon hoogleraar in de algemene zoölogie. Publicistisch was hij in deze periode zeer actief.

Tijdens de bezetting verbleef Van der Klaauw van 7 augustus 1942 tot 19 februari 1943 in het gijzelaarskamp St. Michielsgestel. Daarna werd hem door de Duitse autoriteiten verboden het Gelderse dorp Otterloo te verlaten. In september 1944 dook hij onder.

Ook na de hervatting van zijn hoogleraarsfunctie bleef Van der Klaauw, naast zijn directe wetenschappelijke en onderwijzende taken, actief op ander gebied. Zijn belangstelling en enthousiasme voor de geschiedenis van zijn wetenschap verflauwde allerminst. Hij had een belangrijk aandeel in de wederopbouw van de Leidse Universiteit na de Tweede Wereldoorlog. Tevens bleef hij ook na zijn vervroegd emeritaat op 1 januari 1959 publiceren, al ging zijn gezondheid geleidelijk achteruit. Zijn wetenschappelijke verdiensten hadden inmiddels erkenning gevonden in de benoeming op 24 juni 1947 tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Van der Klaauw was in de eerste plaats vergelijkend anatoom, zowel het zuiver descriptieve als het functionele aspect van de anatomie hadden zijn volle aandacht. Voor zijn verder onderzoek aan de vertebraten schedel bezocht hij na zijn promotie een aantal buitenlandse instellingen, o.a. in Duitsland (1922), de Verenigde Staten (1923) en Engeland (1927). Tussen 1922 en 1966 publiceerde hij verschillende belangrijke en omvangrijke verhandelingen over de schedel, ook fossiel materiaal in zijn onderzoekingen betrekkend. Over de resultaten van andere anatomische onderzoekingen verschenen eveneens publikaties van zijn hand.

Verder had Van der Klaauw grote belangstelling voor de theoretische biologie en hij was één der oprichters van de Prof.dr. Jan van der Hoevenstichting voor theoretische biologie van dier en mens, een internationaal georiënteerde instelling, die nog steeds uitnemend werk verricht in het belang van dat onderzoek en enkele tijdschriften uitgeeft (Acta Biotheoretica, met de supplementen Bibliographia Biotheoretica, Bibliotheca Biotheoretica en Folio Biotheoretica). Hij wist bij zijn leerlingen grote belangstelling voor deze zijde van de biologie te wekken, en was uiteindelijk verantwoordelijk voor de oprichting van het Instituut voor Theoretische Biologie der Rijksuniversiteit te Leiden, en voor het instellen van een leerstoel in de theoretische biologie aan die Universiteit.

Van der Klaauws interesse voor de toegepaste entomologie en oecologie kwam tot uiting in een aantal publikaties, maar tevens in zijn onderwijs. Ook het onderzoek van en onderwijs in andere aspecten van de zoölogie door medewerkers op zijn instituut werden door hem sterk gestimuleerd, waardoor dierfysiologie, ethologie, histologie en cytologie tot ontwikkeling konden komen. Zijn eigen wetenschappelijk werk blonk uit door accuratesse en heldere systematische opbouw. Hij was zeer kritisch en had weinig geduld met speculatieve theoriëen die hem slecht gefundeerd leken. Zijn persoonlijkheid en algemene wetenschappelijke instelling hebben, zij het vaak ongemerkt, grote invloed op zijn studenten en leerlingen gehad. Als een overtuigd vrijzinnig christen, respecteerde Van der Klaauw de meningen van anderen, ook die welke hij niet delen kon.

P: Een volledige lijst van publikaties, in Acta Biotheoretica 18 (1968) 5-8.

L: H. Boschma, 'A concise review of the scientific activities of C.J. van der Klaauw', in Archives Néerlandaises de Zoologie 13 (1959) 5-9; L.D. Brongersma, in Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1972, 127-133; P. Dullemeijer, in Acta et Agenda. Informatieblad der Leidse Universiteit 4 (1971-1972) 35 (8 juni) 520-521; idem, in Leidse Universiteit. Rede uitgesproken ... 4 september 1972. Met bijl., 90-93.

I: Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1972 (Amsterdam 1972) afbeelding tegenover pagina 127.

L.B. Holthuis


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013