Knappert, Laurentius (1863-1943)

 
English | Nederlands

KNAPPERT, Laurentius (1863-1943)

Knappert, Laurentius, predikant en hoogleraar (Harlingen 7-7-1863 - Oegstgeest 4-6-1943). Zoon van Jan Knappert, Ned. Hervormd kerkelijk hoogleraar, en Emilie Charlotte van Gogh. Gehuwd sinds 5-7-1887 met Mary Mac Gillavry. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.

Knappert bracht een groot gedeelte van zijn jeugd door te Leiden, waar hij het gymnasium bezocht en zich in 1881 liet inschrijven als student in de theologie. Het volgend jaar zette hij zijn studie voort aan de Universiteit van Amsterdam, waar zijn vader inmiddels hoogleraar was geworden en legde er in 1886 het doctoraal examen af. Een jaar later promoveerde hij cum laude bij P.D. Chantepie de la Chaussaye op een proefschrift De beteekenis van de wetenschap van het Folklore voor de godsdienstgeschiedenis onderzocht en aan de Holda-mythen getoetst. Hij was achtereenvolgens Ned. Herv. predikant te Kwadijk (1887-1889), Dokkum (1889-1893) en Assen (1893-1902) en vervulde zijn ambtsplichten met grote nauwgezetheid waarbij hij als pastor het meest aansloeg bij de meer gegoeden en de intellectuelen onder zijn gemeenteleden. Knappert zag kans wetenschappelijk actief te blijven, zijn belangstellingssfeer onderging evenwel een verschuiving van de godsdienst- naar de kerkgeschiedenis. In 1902 kwam het grote keerpunt in zijn leven door zijn benoeming tot kerkelijk hoogleraar te Leiden als opvolger van prof. J. Offerhaus; op 24 september hield hij zijn inaugurele rede De geschiedenis der Nederlandsche Hervormde Kerk en hare beteekenis voor den aanstaanden Evangeliedienaar.

Knappert slaagde er niet in alle vakken die het kerkelijk hoogleraarschap omvatte met evenveel succes te doceren; zijn kracht lag in de praktische theologie en vooral de vaderlandse kerkgeschiedenis, waarvan hij een der bekwaamste vertegenwoordigers zou worden. Hij betoonde zich een vruchtbaar publicist, er verschenen van zijn hand dan ook vele artikelen over een grote verscheidenheid van onderwerpen. In 1906 kreeg Knappert het aanbod om hoofdredacteur van Het Nieuws van de Dag te worden, doch na lange aarzeling zag hij van deze financieel aantrekkelijke functie af, omdat hij dan zijn wetenschappelijke ambities zou moeten laten varen. Wel leverde hij bijdragen aan dit blad. In 1908 verscheen zijn uitvoerige studie De opkomst van het Protestantisme in eene Noord-Nederlandsche stad. Geschiedenis van de hervorming binnen Leiden van den aanvang tot op het beleg. Enige jaren later kwam van de persen het tweedelige standaardwerk Geschiedenis der Nederlandsche Hervormde Kerk onder de Republiek en het Koninkrijk der Nederlanden (1911-1912), dat ook buiten de kring der vakgenoten vele lezers vond. Hoewel kerkhistoricus voelde hij zich ook aangetrokken tot de profane geschiedenis, met name die van cultuur en zeden. Zo verschenen van zijn hand voor een breed publiek geschreven boekjes als Het zedelijk leven onzer vaderen in de achttiende eeuw (1910) en Verloving en huwelijk in vroeger dagen (1914). In 1924 publiceerde hij zijn wetenschappelijk belangrijkste werk, een derde van zijn vaderlandse kerkgeschiedenis, maar chronologisch eraan voorafgaand Het ontstaan en de vestiging van het Protestantisme in de Nederlanden. In 1928 zag dan nog het licht Godsdienstig Nederland, waarin een schat aan gegevens over geschiedenis en tegenwoordige staat van kerken en sekten was opgenomen.

Uit liefhebberij was Knappert college gaan geven aan studenten indologie over koloniale kerkgeschiedenis, waarvoor hij ook belangstelling wist te wekken bij zijn theologische studenten. Vruchten van deze colleges waren o.m. zijn belangrijke monografieën Schets van eene geschiedenis onzer handelskerken (1928) en Geschiedenis der Nederlandsche Bovenwindsche eilanden in de 18de eeuw (1932). In 1933 ging hij met emeritaat, maar hij bleef tot 1938 werkzaam als docent voor de indologen en als archivaris van de academische senaat.

Zijn laatste levensjaren waren moeilijk, hij moest zijn rijke bibliotheek verkopen en met zijn echtgenote intrek nemen in een pension te Oegstgeest. In de donkerste tijd voor zijn geliefde Nederland kwam het einde; hij werd ter ruste gelegd op de begraafplaats bij het Groene Kerkje te Oegstgeest.

Knappert was een diep religieuze natuur, een ware christen-humanist, die evenwel kritisch stond tegenover het vrijzinnig protestantisme van zijn dagen; met enig recht zou men hem kunnen beschouwen als een voorloper van het meer theïstisch en dogmatisch getinte rechts-modernisme. Knappert was zeker geen kamergeleerde, hetgeen blijkt uit zijn grote belangstelling voor de publieke zaak. Politiek was hij de liberale beginselen toegedaan, een lidmaatschap van de Leidse gemeenteraad van 1918 tot september 1919 was evenwel geen succes. Knapperts grote kracht lag in zijn werkzaamheden ten behoeve van verschillende instellingen en verenigingen. Zo was hij curator van de Bibliotheca Thysiana en het Stedelijk Gymnasium te Leiden, bovendien bestuurslid (veelal voorzitter) van o.m. de Bond Heemschut, het Algemeen Nederlands Verbond, De Maatschappij voor Reddingwezen en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Maar aan Knappert blijft toch bovenal de herinnering bestaan van een verdienstelijk kerkhistoricus, die weliswaar in stijl en compositie geen hoog literair niveau bereikte, maar toch helder en feitelijk kennis en inzicht kon overdragen, juist bij een wijder publiek.

P: Volledige bibliografie in de hieronder genoemde Handelingen en Levensberichten.

L: J. Lindeboom, in Handelingen en Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1942-1943. Levensberichten 61-90; J.A.J. Barge, in Jaarboekje voor geschiedenis en oudheidkunde van Leiden en Rijnland 36 (1944) 61-64.

S.B.J. Zilverberg


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013