Koenen, Salomon (1871-1922)

 
English | Nederlands

KOENEN, Salomon (1871-1922)

Koenen, Salomon, landbouweconoom (Amsterdam 20-2-1871 - Bennekom 26-12-1922). Zoon van Daniel Adriaan Koenen, industrieel, en Ignatia van Notten. Gehuwd op 25-5-1899 met Daniela Annette de Graaf. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 3 dochters geboren.

Koenen studeerde van 1889-1893 aan de Rijkslandbouwschool te Wageningen. In het kader van zijn daarop aansluitende studie voor de middelbare akte landbouwkunde volgde hij in het wintersemester 1895-1896 te Jena o.a. de colleges van de landbouweconoom prof. Th. van der Goltz. Na het behalen van de akte (1896), was hij Rijksland-bouwleraar voor Overijssel (1896-1905). Alvorens een benoeming tot leraar in de landhuishoudkunde aan de Rijks Hoogere Land-, Tuin- en Boschbouwschool te Wageningen (1906) te aanvaarden, verdiepte hij zijn kennis gedurende een half jaar te Berlijn. Bij de verheffing van de RHLTB-school in 1918 tot Landbouwhogeschool volgde zijn benoeming tot hoogleraar. Naast zijn functie als docent was Koenen van 1906-1912 lid van de Staatscommissie voor den Landbouw, waarvan hij een van de meest gezaghebbende leden werd en waarvoor een aantal grondig bewerkte rapporten door hem werden geschreven. Van de vele commissies en besturen waarin hij zitting had, dienen vermeld te worden de Staatscommissie voor het pachtvraagstuk (1919) en sedert 1918 de Zuiderzeeraad. Door teveel van zichzelf bij dit alles te vergen werd zijn gezondheid echter blijvend geschaad.

Hij was als docent zeer geliefd bij zijn studenten. Zijn jarenlange praktijkervaring in de landbouw stelde hem in staat de theorie dienstbaar te maken aan de verklaring van de concrete landbouwkundige werkelijkheid. Zijn publikaties muntten uit door helderheid van betoogtrant. Koenen was een beminnelijk man, die vele vrienden had, niet alleen om zijn onuitputtelijke hulpvaardigheid, maar evenzeer om zijn grote verdraagzaamheid. Politiek stelde hij zich vrij conservatief op, maar hij was niet blind voor noodzakelijke vernieuwingen. Door het aantrekkelijke van zijn persoonlijkheid won hij het vertrouwen van hoog tot laag. Ook bij de boeren wist hij steeds de juiste toon te treffen en respect te verwerven door zijn kennis. Hij 'kon boer zijn en bleef altijd gentleman'. Met zijn sympathie stond hij aan de kant van de boer, zoals duidelijk blijkt uit zijn aanval op het ontwerp-Jachtwet. Zijn economisch inzicht duldde niet, dat het belang van de jager, dat hij allerminst miskende, zou prevaleren boven het hogere belang van de landbouw. Zijn theoretische fundering van de wet van de afnemende meer-opbrengsten werd na zijn overlijden gepubliceerd door H.W.C. Bordewijk.

P: 'Landbouw-ongevallen-verzekering in Nederland', in Cultura 23 (1911) 327-347; 'Welke toekomst gaat hoogstwaarschijnlijk onze land-, tuin- en boschbouw na den oorlog tegemoet?', in Verslag van het Nederlandsch Landhuishoudkundig Congres 69 (1917) 39-42, 114-130; 'Economische beschouwingen betreffende het jacht- en wildschadeprobleem, mede in verband met het ontwerp-Jachtwet', in De Economist 70 (1921) 131-161, ook in Cultura 33 (1921) 87-109; Inleiding tot de landhuishoudkunde. Bew. door H.W.C. Bordewijk (Haarlem, 1924).

L: H.W.C.Bordewijk, in De Economist ;72(1923) 1-5; I.G.J. van den Bosch, in Cultura 35 (1923) 33-35.

J.M.G. van der Poel


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013