Kohnstamm, Philipp Abraham (1875-1951)

 
English | Nederlands

KOHNSTAMM, Philipp Abraham (1875-1951)

Kohnstamm, Philipp Abraham, natuurkundige en pedagoog (Bonn 17-6-1875 - Ermelo 31-12-1951). Zoon van Max Kohnstamm, bankier, en Sarah Wertheim. Gehuwd op 30-6-1903 met Johanna Hermana Kessler. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 4 dochters geboren. afbeelding van Kohnstamm, Philipp Abraham

Geboren in een welgestelde familie, werd Philipp spoedig praktisch beroofd van vaderlijke leiding, toen zijn vader wegens manisch-depressieve psychose verpleegd moest worden, en hij reeds als kind in huis bij zijn oom prof. B. Stokvis te Wageningen werd opgenomen. Enige jaren later woont hij met zijn moeder in Amsterdam, waar hij op een Duits-Hollands schooltje komt dat slechts 40 leerlingen telt. Philipp behoefde niet in het klassegareel te lopen en kon zich vrij ontwikkelen. Hier ligt de oorsprong van zijn ijveren voor wat hij later noemde 'losser klasseverband' (waardoor niet alle leerlingen van één klas hetzelfde vak gedoceerd krijgen). Dit bevordert de ontplooiing van de persoonlijkheid in wording. Na 4 jaar lager onderwijs te hebben gevolgd, wordt hij op de driejarige en later de vijfjarige HBS aan de Keizersgracht geplaatst, waar de bekende neerlandicus R.A. Kollewijn hem in wijsgerige vragen laat doordringen, terwijl G. Doijer van Cleeff hem met scheikunde vertrouwd maakt. Na het staatsexamen schrijft hij zich in 1893 in aan de Universiteit van Amsterdam als student in de natuurwetenschappen. In deze studiejaren wordt hij genaturaliseerd (1899) en hij promoveert ten slofte bij zijn leermeester J.D. van der Waals op een proefschrift Experimenteele onderzoekingen naar aanleiding van de theorie van Van der Waals. Het P.T.X.-vlak. Voorstudies en methoden (Amsterdam, 1901). Hij bewerkt de colleges van Van der Waals en geeft deze uit als Lehrbuch der Thermodynamika... (Amsterdam [enz.], 1908-1912. 2 dln.).

Inmiddels geboeid door de filosofie is hij in 1907 toegelaten als privaatdocent in de logica aan dezelfde universiteit. In zijn oratie Trancidenteel Idealisme (Amsterdam, 1907) behandelt hij de relatie tussen natuurwetenschap en wijsbegeerte, een thema, dat in zijn natuurfilosofische geschriften sedert 1908 centraal staat. In dit geschrift stelt hij dat de wetenschappelijke arbeid van de mens eist zich bewust te zijn van een zedelijke roeping. Alle weten berust op een geweten. 'De gehele wereld dankt haar bestaan aan de geldigheid van een plicht' (met een beroep op Kants uitspraak: 'Im Anfang war die Pflicht.'). Kohnstamm verzet zich tegen verschillende stromingen uit de 19de eeuw en zijn tijd, zoals het naturalisme, historisme en psychologisme. Zijn bestrijding van het determinisme vindt men vooral in zijn tweede oratie als buitengewoon hoogleraar in de thermodynamica als opvolger van Van der Waals in 1908, toen hij niet langer in de logica kon onderwijzen.

Met de titel Determinisme en Natuurwetenschap (Amsterdam, 1908) wil hij niet het indeterminisme aanprijzen, maar de nauwe relatie tussen fysische en psychische verschijnselen aantonen. De wisselwerkingstheorie leert dat bepaalde bewegingen direct worden beïnvloed door het wilsbesluit. Al eerder had hij zich in deze zin uitgelaten in een artikel 'Psychologie en Logica' in het Tijdschrift voor Wijsbegeerte van 1907 en dat had destijds een polemiek met prof. G. Heymans uitgelokt. In 'Natuurwetenschap en wereldbeschouwing', in Onze Eeuw 13 (1913) 195-216, ontmoeten we een nadere ontwikkeling in de gedachten van Kohnstamm. Het neokantianisme van de Badense school bood hem enige tijd een geestelijk onderdak. Naast 'natuur' en 'psyche' hadden onloochenbaar de waarden een zekere modus van werkelijkheid. Hoewel hij veel te danken had aan Heinrich Rickert uit deze school en vooral aan diens geschrift Die Grenzen der naturwissenschaftlichen Begriffsbildung (Tübingen, 1902) zoals hij in het voorbericht van zijn Het Waarheidsprobleem ... (Haarlem, 1926) vermeldt, waren de waarden voor hem toch een te vaag uitgangspunt. Ondanks zijn hoge verwachtingen werden de grote vragen door de natuurwetenschappen niet opgelost. Naar het oordeel van Kohnstamm leek het natuurmonistisch filosoferen feitelijk bezig de wereld te herleiden tot een structuurloos continuüm en zijn zin voor de werkelijkheid verbood hem dit te accentueren. Zijn vele vragen concentreren zich in: 'Wat is de waarheid, in wier dienst wij staan?' En zo was hij door verschillende invloeden gekomen tot de stelling: 'Er is een levens- en wereldbeschouwing nodig, die midden in het sociale en politieke leven kan staan.'

Voor dat politieke leven had Kohnstamm intussen al veel belangstelling getoond en zijn krachten gegeven. Reeds in 1905 werd hij lid van de Vrijzinnig-Democratische Bond, en al twee jaar later bestuurslid. In 1911 stond hij kandidaat voor de Tweede Kamer in het kiesdistrict Weststellingwerf. Ook al had dit geen concreet resultaat, toch bracht deze verkiezingscampagne hem in aanraking met eenvoudige mensen die hij leerde kennen en begrijpen. Hij bezat eerbied voor het menselijke en gaf spoedig blijk van een sterk sociaal gevoel. Hij pleitte voor het staatspensioen en het doorgaan van de verzekeringswetten van A.S. Talma voor de arbeider. In zijn politieke geschriften komen zijn algemeen maatschappelijke inzichten duidelijk naar voren. In de brochure Democratie (Haarlem, 1914) noemt hij gewetensvrijheid, het recht een gezin te vormen en zelf zijn kinderen op te voeden en algemeen kiesrecht op grond van de ongelijkheid van mensen de essentiële kenmerken van de democratische samenleving.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog heeft Kohnstamm beslissingen genomen op godsdienstig gebied die hun voorbereiding vonden in zijn wijsgerige gedachten; de verwerping van vele -ismen uit die tijd maakte naar Kohnstamms overtuiging een zelf verworven en doordachte wereld- en levensbeschouwing noodzakelijk. Zo kiest hij voor het christelijk geloof, hetgeen voor hem een breuk met het liberale jodendom betekende. Zijn geloof dat een bijbels geloof inhield, zou hij later het duidelijkst typeren in zijn werk De Heilige (Haarlem, 1931), en zijn autobiografie Hoe mijn bijbels personalisme ontstond (Haarlem, 1934). Zijn bekering voltrok zich in 1914 en hij trok daaruit in 1917 de kerkelijke consequenties. In dat jaar werd hij lidmaat van de Hervormde Kerk (gold als de volkskerk voor hem) en als zodanig bevestigd door zijn vriend J.C. Roose in diens gemeente te Nieuw-Dordrecht. Invloeden uit zijn jeugd en later van theologen als P.D. Chantepie de la Saussaye jr. en J. de Zwaan zijn aan deze beslissing niet vreemd geweest. Later in de jaren '30 zou hij zich sterk verwant voelen met de dialectische theoloog en ethicus Emil Brunner (o.a. diens Wahrheit als Begegnung (Berlijn, 1938)). Zijn theologische belangstelling was van den beginne af gericht op de vraag hoe de menselijke persoon door Jezus Messias tot ontmoeting komt met de 'Persoon der Personen', God. De verhouding tussen God en mens zag hij steeds als een Ik-Gij-verhouding en daarmee is de Vaderfiguur ontdekt door Kohnstamm, die zijn echte vader, wegens diens geestelijke ziekte, altijd had gemist. De moederfiguur hield voor hem het offer en de glorie in de menselijke en reële wereld in zoals hij dit ervaren had tijdens depressieve perioden in zijn leven bij zijn moeder en zijn vrouw.

Heel deze bekering in de loop van de Eerste Wereldoorlog had ook onmiskenbare invloed op zijn politieke opvattingen, ook al dreef deze hem niet naar enig confessioneel partij verband. In de eerste jaargang van het tijdschrift De Schakel. Orgaan van den godsdienstig democratischen kring van 1915 wordt de godsdienst de diepste levensuiting van de mens genoemd, de bron om ethische vragen te beantwoorden. Het Nederlandse volk is zo weinig een christelijk volk. In plaats van christelijke partijvorming bepleit hij één partij, waarin de meest heterogene elementen op maatschappelijk gebied vertegenwoordigd zijn. Wil men toch 'christelijke politiek' dan uitsluitend in de geest van prof. H. Bavinck:'... kern van de christelijke moraal: dat is de waarde der persoonlijkheid.' Hoewel Kohnstamm, evenals de professoren A.J. de Sopper en G. van der Leeuw, lid gebleven was van de VDB in de jaren dertig, gingen hun idealen uit naar een vernieuwde politieke bezinning. De beweging om 'Synthese' van Kohnstamm en De Sopper (1920) werd later gefundeerd in de bundel Christen en Burger (Zwolle, 1937) en verdedigd in het dagblad De Nederlander. De gesprekken in het gijzelaarskamp in St. Michielsgestel hebben de grondslag gelegd van de PvdA (1946). Ook Kohnstamm was vanaf de herfst van 1945 met de voorbereiding bezig. Jarenlang was hij voorzitter van de onderwijscommissie van de PvdA.

Op internationaal gebied was hij een leidende figuur in het Herstel-Europa-Comité in de jaren twintig. Daartoe heeft hij verschillende landen bezocht. Enige jaren later bleek zijn onverflauwde belangstelling voor de sociale problemen, door de in de jaren dertig heersende werkloosheid en blijvende maatschappelijke verschillen zichtbaar geworden, in publikaties als Democratie, dictatuur en opvoeding (Groningen, 1934), dat veel scherper dan de inaugurele oratie van 1919 de problemen stelde. In Het nationaalsocialisme als geestelijk gevaar (Assen, 1936) en Volk en Staat (Haarlem, 1936) koos hij openlijk partij tegen de gevaren van de Duitse politiek.

Ondertussen was zijn belangstelling voor de pedagogiek reeds in 1916 tot uiting gekomen in enkele artikelen zoals 'Godsdienst en onderwijs in Indië', in De Schakel van 1916. Hij had vlak na de Eerste Wereldoorlog per auto enige haarden van de oorlog in Europa bezocht, waardoor hij zich geroepen voelde de ontredderde jeugd met opvoedingsidealen te vernieuwen. Na in 1918 het initiatief te hebben genomen voor de oprichting van het Nutsseminarie voor pedagogiek, werd hij door deze instelling benoemd tot bijzonder hoogleraar in de pedagogiek te Amsterdam. In zijn inaugurele oratie in 1919, Staatpaedagogiek of Persoonlijkheidspaedagogiek (Groningen, 1919), kiest hij voor het laatste. Zijn verwachtingen waren te hoog gespannen voor het onderwijs in de pedagogiek, een 'rauw en onwetenschappelijk vak' volgens de mening in die dagen. Kohnstamm richt zich allereerst op het gangbare lager onderwijs en een grondige wetenschappelijke vorming van de onderwijzer. Helaas kwam hij in pedagogisch-geïnteresseerde kringen voor een muur van onwil te staan. Rond 1919 benoemd tot lid van de Onderwijsraad, zorgt hij voor een bevredigende regeling voor de pedagogische studie aan de universiteit. Maar hij vindt ook hiervoor weinig belangstelling. Prof. J.H. Gunning Wzn. zou later schrijven dat alleen een elite na 1925 de opleiding tot de akte M.O. Pedagogiek volgde. Toen Gunning in 1929 zijn buitengewoon hoogleraarschap neerlegde, werd, na vruchteloos zoeken naar een opvolger, Kohnstamm bereid gevonden in 1932 dit ambt te Utrecht en in 1938 ook aan de Universiteit van Amsterdam op zich te nemen.

In 1928 had Kohnstamm zijn professoraat in de natuurkunde inmiddels al neergelegd om zich geheel aan het pedagogisch en didactisch onderzoek te wijden. Vele artikelen getuigen van zijn werkzaamheden op het terrein van de pedagogiek en didactiek. De brochure Persoonlijkheid en Idee (Haarlem, 1922) is belangrijk voor het verstaan van zijn Personalisme, dat voor hem in zijn theorieën omtrent de pedagogiek richtinggevend was. Dat dit Personalisme in tegenstelling tot het Idealisme staat, vinden we reeds in zijn inaugurele rede van 1919. Een idealistische pedagogiek zou, zoals hij het stelde, leiden tot de verplichte staatsschool en een uniform en ongedifferentieerd klassikaal onderwijs. Het personalisme wil de ontplooiing van de persoonlijke aanleg mogelijk maken door een vrije combinatie van vakken naar keuze van de leerling, waarbij geen enkel vak mag domineren. Dat betekent: de opvoeding moet erop gericht zijn het kind een geheel eigen en zelfstandige waarde te geven. Opvoeding is inleiding tot persoonlijke deelname, hoe bescheiden deze ook mag zijn. De vrijheid en het gezag liggen binnen het gebied van de persoon met als derde categorie de verantwoordelijkheid of het geweten. Men kan zich de mens slechts voorstellen vanuit zijn ontplooiing en het is juist de mens die op allerlei wijze zijn voltooiing kan vinden. Van groot belang was voor Kohnstamm binnen deze personalistische pedagogiek een gefundeerde taaltheorie. Taal is een medium van de opvoeding, een transportmiddel van de kultuur in optima forma. Kohnstamm heeft het optreden van de taal, zowel in de philogenese als in de ontogenese, een buitengewone betekenis toegeschreven. (Zie: M.J. Langeveld in zijn artikel in het Gedenkboek voor prof.dr. Ph.A. Kohnstamm (Groningen, 1957).) In zijn Persoonlijkheid in wording (Haarlem, 1929) wijdt Kohnstamm in het derde gedeelte dat handelt over de kleuter, aandacht aan de drie functies van de taal, zoals deze door K. Bühler en W. Stern aangeduid zijn. De eerste functie doet de expressie in werking treden, want op het kind wordt een appèl gedaan iets van zichzelf te realiseren. De tweede functie blijkt in de beschrijving, constatering en naamgeving. Kohnstamms onderzoek richt zich uiteindelijk op de derde functie, de ontwikkeling van de kinderlijke intelligentie als onderwijsdoel. Hij oefent kritiek uit op het memoriseren van 'parate kennis' en het mechanisch aanleren van bepaalde oplossingsvoorbeelden. Door het spel leert men elkaar waarderen en zichzelf beheersen. Dit boek was Kohnstamms bredere uitwerking en toepassing van de christelijke opvoeding op personalistische basis, waarbij hij de gewetensvorming als het centrale probleem zag. Dat dit boek verschillende herdrukken na 1945 heeft beleefd, wijst op het actuele van de daarin behandelde stof.

Dat zulk een personalistisch gerichte pedagogiek moest botsen met de nationaal-socialistische stromingen sprak vanzelf en had hem ook tot een duidelijke politieke stellingname gedreven. Zijn christelijke overtuiging trok hem bovendien in dezelfde jaren dertig in het interkerkelijke werk in nationaal en internationaal verband. Daar droeg hij zijn educatieve idealen nadrukkelijk uit, zoals blijkt uit het werk Die Erziehungsaufgabe der Kirche in der Welt. In het rapport van de wereldconferentie der kerken te Oxford in 1937 bespeuren we in de selectie die zich bezig hield met Kerk en Opvoeding de hand van Kohnstamm. Toen Nederland eenmaal bezet was, bleven de gevolgen van deze arbeid niet uit. In herfst 1940 hield hij zijn afscheidscollege in Amsterdam onder de titel Beter onrecht lijden dan onrecht doen (met een passage over het valse kruis). In 1942 werd hij verplicht de Davidster te dragen. Zijn huis in Ermelo werd enige malen door de SS overvallen zonder dat zijn schuilplaats ontdekt werd.

Toen Nederland bevrijd was, kon Kohnstamm na emeritaat belangrijk werk verrichten als adviseur van de ministers G. Bolkestein en Van der Leeuw en daarmee zijn onderwijsidealen in praktijk brengen. Een groot stuk Nederlandse onderwijswetgeving van kleuteronderwijs tot hoger onderwijs is de arbeid van Kohnstamm. De onderwijsinspectie van Amsterdam werd niet ten onrechte 'de inspectie Kohnstamm' genoemd. Het volksonderwijs en het nijverheidsonderwijs kregen nieuwe impulsen van hem; hij ijverde voor scholen met losser klasseverband (Dalton) en globalisatie-onderwijs (Decroly), voor het algemeen vormend onderwijs en was één van de eerste pleitbezorgers voor het schriftelijk onderwijs. Kohnstamm was een actieve adviseur van de Sociaal-paedagogische Werkgemeenschap o.a. voor de lichamelijke opvoeding, de culturele middelen en de scholing van jeugdleiders.

Een opsomming van zijn vele beschouwelijke artikelen op het terrein van de onderwijskunde, is niet mogelijk; we noemen 'Parate kennis' en 'School-cijfers en school-geschiktheid' in Paedagogische Studiën van 1924 en 1928 en hoofdstukken over sociaal-pedagogische vragen in Mens en Wereld (1947). Niet de school, maar het gezin behoort de godsdienstige vorming van het kind ter hand te nemen. Volgens Kohnstamm heeft de staat om zijn pedagogische taak te kunnen vervullen een instituut ingesteld om te kunnen voldoen aan de door het gezin te stellen eisen. Dit instituut is de school. Deze mag nimmer een werktuig van de staat worden. In de kwestie openbare of bijzondere school pleit hij voor een 'taakverdeling tussen gezin en school' (Wending 2 (1947) 292). De school wordt de kennisverwerving toebedeeld en de kerk beoogt de godsdienstige opvoeding van het schoolkind. Vanuit zijn bijbels-personalistisch standpunt is Kohnstamm huiverig voor het meer of minder opdringen van een geloofsovertuiging op school. In 'Taak en positie der paedagogiek in de opbouw ener nieuwe gemeenschap', in Paedagogische Studiën 23 (1946) 1-21 (herdrukt in 1974) toont hij aan dat naast de materiële een geestelijk-zedelijke opbouw noodzakelijk is. Ook stelt hij evenals in 1919 na de Tweede Wereldoorlog de vraag: 'Wat kan de opvoeding hier doen?' Kohstamm kiest in zijn antwoord het midden tussen het optimisme van Kant met zijn perfectibiliteit en het pessimisme van Heymans Einführung in die Ethik 1e dr. (Leipzig, 1914). De sociale pedagogiek, waarmee de mens met zijn taak en toekomst geconfronteerd wordt, is afhankelijk van de sociale psychologie, die volgens Kohnstamm nog weinig ontwikkeld was. Hij besefte dat de grondslagen van een verantwoorde didactiek en onderwijsvernieuwing te vinden zijn in de wetenschap van de psychologie. Kohnstamm was een der eerste der Nederlandse pedagogen die de noodzaak zag van een psychologisch gefundeerde opvoeding naast een wereldbeschouwelijke pedagogische. Met anderen schreef hij een Leerboek der psychologie (Groningen, 1946). Dat was het resultaat van veel studie vóór en tijdens de Tweede Wereldoorlog op het terrein van algemene-, ontwikkelings-, en denkpsychologie, karakterkunde en psychologie van de godsdienst. Ook enkele andere publikaties getuigen ervan. In het bijzonder heeft hij zich de denkpsychologie van Otto Selz en zijn leerlingen eigen gemaakt.

Als reactie ook op de ervaringen van de Tweede Wereldoorlog, publiceerde hij op verzoek van de synodale commissie het boek Het oude Verbond (Amsterdam, 1945), waarin vele gangbare misvattingen ten aanzien van het jodendom werden rechtgezet en begrip werd gevraagd voor de 'Vreugde der Wet' en de 'Trouw der Pharizeeërs'. Deze belangstelling voor het joodse probleem was overigens niet het uitsluitend resultaat van de schrikwekkende gebeurtenissen tijdens de bezetting. Om begrijpelijke redenen had hij zich hierin al vóór de oorlog intens verdiept, dat was toen o.a. gebleken in een klein geschrift over het antisemitisme (1933) en een pleidooi voor het zionisme: 'Een vrije, zelf-besturende Joods-Palestijnse staat...'

In de laatste jaren voor zijn dood heeft hij zich beziggehouden met de Oosterse wijsbegeerte, fenomenologie, psychiatrie, projectieonderzoek in de psychotechniek. Maar de meeste aandacht besteedde hij aan de 'Wijsbegeerte der Wetsidee' van H. Dooyeweerd, van wie hij belangrijke ideeën overnam, en aan het existentialisme. In zijn laatste bijdragen stelt hij de vraag: Is het geheel van de Ik-Gij-relaties, dat de mens vormt en zijn staan in de wereld uitmaakt, 'personalisme' of 'existentialisme' of 'Wijsbegeerte of Scheppingsidee?'. Dit laatste accepteert Kohstamm ten slotte. Daarin is zijn veelzijdige ontwikkeling tot volle synthese gekomen.

Kohnstamm was een actieve persoonlijkheid, begaafd op menig gebied. Zijn kracht lag minder in de voordracht, dan in de discussie en het persoonlijk gesprek. In dit laatste kon men onder de indruk komen van zijn soepele geest, innemendheid en vooruitziende blik.

P: Naast de in de tekst genoemde werken: Schepper en schepping (Haarlem, 1926-1931. 3dln.): I Het waarheidsprobleem (1926), II Persoonlijkheid in wording (1929), III De heilige (1931); Individu en gemeenschap ('s-Gravenhage, 1929); Psychologie van het ongeloof (Amsterdam, 1933); Democratie in de branding (Amsterdam, 1938); Existentialisme, Personalisme en Paedagogiek (Groningen [enz.], 1949); H. van Praag, De zin der opvoeding (Haarlem, 1950); Cultuurgeschiedenis van het christendom V, 396-437: 'Hedendaagse wijsbegeerte en christelijk geloof (1951); Keur uit het didactisch werk van Ph. Kohnstamm (Groningen, 1952).

L: P.A. Hoogwerf, De paedagogiek van prof.dr. Ph.A. Kohnstamm. Met een inleiding tot zijn werken (Groningen, 1933); M.J. Langeveld, in 'Kohnstamm, een korte schets van zijn leven en ontwikkelingsgang', in Keur uit het didactisch werk van prof.dr. Ph. Kohnstamm 2e dr. (Groningen, 1952) XI-XIX, H. van Praag, Philip Abraham Kohnstamm, een man Gods (Amsterdam, 1952); Gedenkboek voor prof.dr. Ph.A. Kohnstamm (Groningen [enz.], 1957); O.C. Erasmus, Die personalisme van Kohnstamm as grondslag vir sy filosofie van die opvoeding (Amsterdam, 1962); N. Deen, Een halve eeuw onderwijsresearch in Nederland, het Nutsseminarium voor Pedagogiek, 1919-1969 (Groningen, 1969); H. Hofstee Pzn., Het bijbels personalisme van prof.dr. Ph.A. Kohnstamm (Assen, 1973); dr. J.D. Imelman, Plaats en inhoud van een personale Pedagogiek (Groningen, 1974); G. van Roon, Protestants Nederland en Duitsland 1933-1941 (Utrecht [enz., 1974]); M.J. Langeveld, 'Philip Kohnstamm', in Onderwijskundigen van de twintigste eeuw. Onder red. van Q.L.Th. van der Meer en H.A. Bergman (Amsterdam [enz., 1975] 87-93.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 826.

G.J. van de Poll


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013