Kosters, Jan (1874-1951)

 
English | Nederlands

KOSTERS, Jan (1874-1951)

Kosters, Jan, vice-president van de Hoge Raad (Heenvliet 1-11-1874 - Velp 11-11-1951). Zoon van Willem Hendrik Kosters, Leids theoloog, en Johanna Hermina Zigeler. Gehuwd met Eva Hubert op 15-11-1927. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Kosters, Jan

Nadat Kosters het gymnasium te Deventer en te Leiden doorlopen had, studeerde hij rechten te Leiden en promoveerde daar in 1899 bij S.J. Fockema Andreae op Het oude tiendrecht, waarvan in 1909 een tweede druk verscheen. Van 1899 tot 1908 was hij werkzaam op de afdeling burgerlijke wetgeving van het ministerie van Justitie. In 1907 werd hij benoemd tot hoogleraar te Groningen, waar zijn leeropdracht het burgerlijk recht, het handelsrecht, de burgerlijke rechtsvordering en het internationaal privaatrecht omvatte. In zijn oratie over Het karakter van het internationaal privaatrecht brak hij een lans voor de opvatting dat dit deel van het recht naar zijn aard een gedeelte van het landsrecht van elke staat afzonderlijk uitmaakt, waarbij hij zich keerde tegen de in die tijd meer gangbare mening dat het internationaal privaatrecht boven de verschillende wetgevingen der afzonderlijke staten uitsteekt en dus een soort volkenrecht zou zijn. Overigens wees hij erop dat zijn uitgangspunt niet tot de opvatting mocht leiden dat de werking der landswetten alles en allen binnen de grenzen van het staatsgebied beheerst en daarbuiten alle kracht ontbeert.

Kosters' naam, die tot over de grenzen reikte, is blijvend verbonden aan de ontwikkeling van het Nederlands internationaal privaatrecht. Ook bleef de rechtsgeschiedenis hem boeien: in 1910 verscheen een boek over oud-Nederlands jachtrecht. In 1912, een jaar waarin het rechtspositivisme nog niet als volledig afgesloten beschouwd kon worden, publiceerde hij een brochure De plaats van gewoonte en volksovertuiging in het privaatrecht. Na een uitvoerige historische inleiding bepleitte hij daar een grotere betekenis van de genoemde factoren voor eigentijdse rechtsvorming.

Zijn benoeming tot raadslid in de Hoge Raad, die zelfs in 1933 tot de functie van vice-président leidde, weerhield hem er niet van op zijn vakgebied wetenschappelijk vruchtbaar werk te blijven leveren. Als zijn hoofdwerk is intussen te beschouwen Het internationaal burgerlijk recht in Nederland (1917), waarin hij over de leerstukken, de rechtspraak en de toepassing daarvan op de bijzondere figuren van het privaatrecht, een breedvoerige verhandeling geeft. Dit boek was nog hoofdzakelijk vrucht van zijn hoogleraarstijd, maar zijn volgende publikaties bewezen duidelijk nog zijn zich handhavende wetenschappelijke belangstelling en produktiviteit. In 1921 liet hij te zamen met F. Bellemans een belangrijke bronnenverzameling verschijnen: Les conventions de la Haye de 1902 et 1905 sur le droit international privé. Recueil de législation et de jurisprudence. Ook het volkenrecht had zijn belangstelling; in 1925 verscheen het boek Les fondements du droit des gens. Contribution à la theorie générale du droit des gens. Voor de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, waarvan hij in 1923 tot lid benoemd was, verschenen in de Mededelingen van zijn hand 'Het jus gentium van Hugo de Groot en diens voorgangers' (1924), 'Benige geschiedkundige mededeelingen omtrent het begrip "justum bellum"' (1930), en 'De leer van het natuurrecht en het positieve recht in Frankrijk' (1939). Verder 'Gedachten van Sint Augustinus over recht en staat', in Jaarboek der Koninklijke Akademie van Wetenschappen 1933-1934. Hoezeer hij ook voor al dit werk erkenning vond bleek uit talrijke erefuncties, maar vooral uit benoemingen en taken op het gebied van de internationale rechtspraktijk. Hij was lid van de Staatscommissie voor het volkenrecht, lid en later voorzitter van de Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht en lid van de internationale conferenties van 1921, 1928 en 1930 over dit onderwerp. Hij was betrokken bij de onderhandelingen met België die leidden tot het verdrag van 1925 betreffende rechtsmacht en tenuitvoerlegging inzake het burgerlijk proces.

In 1927 werd hij tot 'membre associé', in 1933 tot gewoon lid benoemd van het Institut de droit international. Hij was lid van het curatorium der in het Vredespaleis gevestigde Académie de droit international en van de raad van bestuur van het in Rome gevestigde internationale instituut voor de unificatie van het privaatrecht. In 1936 werd hij lid van het Permanente Hof van Arbitrage.

Nadat de bezetter de pensioengerechtigde leeftijd voor leden van de rechterlijke macht van 70 tot 65 verlaagd had, werd aan Kosters in 1941 ontslag verleend. Hij vestigde zich te Velp en zette de herziening van zijn hoofdwerk voort.

P: Behalve de in de tekst genoemde publikaties o.a.: Bijdrage tot de internationale regeling der rechtsmacht in burgerlijke en handelszaken (Haarlem, 1914) en partiële bibliografie in De Nederlandsche rechtspraak betreffende Internationaal Privaatrecht (1936) 711-712.

L: Nederlands Juristenblad 26 (1951) 845; S.J. Fockema Andreae, in Jaarboek der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1951-1952, 218-224; J.H.W. Verzijl, in Annuaire de l'institut de Droit International 44 (1952) II, 548-552.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 848.

L.E. van Holk


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013