Kranenburg, Roelof (1880-1956)

 
English | Nederlands

KRANENBURG, Roelof (1880-1956)

Kranenburg, Roelof, jurist en politicus (Groningen 8-9-1880 - 's-Gravenhage 28-12-1956). Zoon van Ipoje Kranenburg, fabrikant, en Elisabeth de Witt. Op 2-9-1905 gehuwd met Henderika Catharina Siemens. Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Kranenburg, Roelof

Kranenburg ging naar de Rijkshogereburgerschool en het gymnasium te Groningen, waar hij ook de Universiteit bezocht. In 1903 beëindigde hij zijn rechtenstudie. Het zijn vooral G. Heymans, hoogleraar in de filosofie, en de staatsrechtgeleerde H. Krabbe geweest die diepe indruk op hem maakten en wier leer bepalend is geweest voor zijn later wetenschappelijk werk. Op 7 mei 1909 volgde zijn promotie aan de Leidse Universiteit in de staatswetenschap op het proefschrift De tegenstelling tusschen publiek- en privaatrecht en de ontwerpen tot regeling der administratieve rechtspraak. Zijn promotor was Krabbe, die inmiddels hoogleraar in Leiden was geworden.

Kranenburg begon zijn loopbaan als advocaat en procureur, eerst te Amsterdam, daarna te Groningen, was secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken, eveneens te Groningen, waar hij tevens lid van de gemeenteraad was. In 1910 werd hij benoemd tot rechter in de arrondissementsrechtbank van Tiel, in 1913 in die van Utrecht.

Gezien zijn publikaties en te verwachten brede behandeling van de rechtsstof werd hij in 1914 hoogleraar in het staats- en administratief recht, alsmede in het volkenrecht en de rechtsfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn intreerede op 18 januari 1915 luidde: De beteekenis der rechtsvergelijking voor de rechtsphilosophie. Op 5 oktober 1927 volgde hij Krabbe te Leiden op als hoogleraar in het staatsrecht met de intreerede Staatsrechtwetenschap, sociologie en rechtsphilosophie, welk ambt tot 1948 bekleed werd.

Ook in ons staatsleven heeft Kranenburg een belangrijke rol gespeeld. Zo maakte hij van 1929 tot 1935 en van 1937 tot 1940 deel uit van de Eerste Kamer namens de Vrijzinnig-Democratische Bond, waarvan acht jaar als voorzitter. Tevens vertegenwoordigde hij deze partij van 1935 tot 1939 als lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland. In 1946 werd hij, inmiddels lid van de PvdA, voorzitter van de senaat, welke functie tot 1951 bekleed werd. Daarna was Kranenburg tot 1955 lid van de Raad van State. In deze periode heeft hij zitting gehad in talrijke commissies, die zich bezighielden met grondwetswijzigingen en de verhouding van Nederland tot de West.

Ondanks zijn belangstelling voor de praktische politiek was Kranenburg in de eerste plaats man van de wetenschap. Filosofisch geschoold door Heymans en Krabbe was hij wars van dogmatiek en traditionalisme in de rechtsbeoefening. Gebruik makend van de methoden van de empirische wetenschappen benaderde hij het staatsrecht en de algemene staatsleer. Zijn conclusie was dat er een zekere wetmatigheid bestaat in het menselijk oordeel over het onderscheid tussen recht en onrecht. Het criterium waaraan wordt getoetst wat recht en wat onrecht is, noemt hij het zg. evenredigheids-postulaat. Deze formule houdt in dat een ieder zoveel lust en onlust toekomt als waarvoor hij de voorwaarden heeft geschapen, ervan uitgaand, dat de mens ten aanzien van de verdeling van deze voorwaarden gelijk en gelijkwaardig is. Met de formulering van de wet van het rechtsbewustzijn heeft Kranenburg een opening gemaakt voor de verdere ontwikkeling van de theorie van het rechtsbewustzijn als primaire bron voor het ontstaan van het positieve recht. Hij bewoog zich even gemakkelijk op het terrein van het positieve staatsrecht als op dat van de staatsleer en de staatsrechtsvergelijking. Hel Nederlandsch staatsrecht (1924-1925. 2 dln.), jarenlang het enige moderne handboek, heeft dan ook talloze drukken beleefd. De indeling, waarbij de behandeling van de functies in de staat aan die van de organen voorafgaat, is geheel origineel. Algemeene staatsleer (1937) is in het Engels, Spaans en Indonesisch vertaald. In 1950 schreef hij zijn Inleiding in de vergelijkende staatsrechtswetenschap. Met A. Koelma preadviseerde hij in 1940 voor de Vereeniging voor administratief recht over De verhouding van staatsrecht en administratief recht, met K. Mees in 1953 voor de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland over De bevoegdheden van de Raad van State.

Kranenburg was een boeiend en helder docent, die t.o.v. zijn gehoor evenwel een zekere afstand bewaarde. Bovendien was hij een ervaren psycholoog, met natuurlijke gaven voor het leiderschap. Dit laatste was reeds in zijn studententijd gebleken, toen hij in 1901 rector werd van het studentencorps. Later zouden de studenten in hem een humaan examinator en een vertrouwd raadsman vinden.

Essentieel waren voor hem de vrije wetenschapsbeoefening en de individuele vrijheidsrechten. Zo ondertekende hij een minderheidsnota bij de voorstellen van een grondwetscommissie, die op beperking van drukpersvrijheid aandrong. Hoezeer ook overtuigd van de noodzaak de gemeenschap te ordenen, zag hij tevens het belang van de rechtsbescherming van de burgers tegen de overheid. Hij was een ware democraat en een warm verdediger van recht en gerechtigheid. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de Duitse bezetter hem arresteerde en in St. Michielsgestel gijzelde (van 7-8-1942 tot 17-12-1942).

In De grondslagen der rechtswetenschap (1946) kwamen Kranenburgs rechtfilosofische opvattingen wellicht het beste tot uiting. In 1946 preadviseerde hij te zamen met D. Loenen voor de Vereeniging voor wijsbegeerte des rechts. Zijn preadvies luidde: De beteekenis der rechtsphilosophie voor dezen tijd. Hij was oprichter en enkele jaren voorzitter van deze vereniging. Verder maakte hij deel uit van de Nederlandse kring voor wetenschap der politiek, was vele malen deelnemer aan Vlaamse rechtkundige congressen, hij was buitenlands lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, doctor honoris causa van de Universiteiten van Brussel en Gent. Enkele dagen voor zijn onverwacht overlijden verscheen een klein doch merkwaardig boekje Politieke organisatie en groepspsychologie, waarin hij de structuur en functie van de politieke partijen in het staatsleven behandelde en de drijfveren van zijn denken in beknopte vorm samenvatte. Op oudejaarsdag 1956 vond zijn begrafenis plaats; de toenmalige minister-president, dr. W. Drees, bracht hem hulde.

P: Behalve de bovengenoemde werken vindt men een vrijwel volledige bibliografie tot 1948, in Staatswetenschappelijke opstellen aangeboden aan Prof.Mr. R. Kranenburg bij zijn aftreden als hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Leiden door zijn oud-leerlingen (Alphen a/d Rijn, 1948) 294-301. Verder 'De rechtsgrond van de vrijheidsrechten', in Publiekrechtelijke opstellen aangeboden aan prof.mr.dr. C.W.van der Pot (Zwolle, 1950) 198-210; De nieuwe structuur van ons Koninkrijk (Haarlem, 1955).

L: E.J. Korthals Altes, in Amsterdamsche Studenten-Almanak 98 (1928) 71-73; J.V. Rijpperda Wierdsma, in Almanak L.S.C. 140 (1958) 61-62; J.C. van Oven, in Nederlands Juristenblad 32 (1957) 5-9; J.A. Jonkman, in Handelingen. Eerste Kamer zitting 1956-1957, 67-68; I. Samkalden, in Socialisme en Democratie 14 (1957) 81-83; F.J. Kranenburg, in Ars Aequi 10 (1960-1961) 58-59; René Victor, in Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België. Klasse der Letteren 19 (1957) no. 6, 3-32; J. in 't Veld, in Rekenschap 4 (1957) 1-3; J. Valkhoff, in Mens en Maatschappij 52 (1957) 1-2.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 851.

W.M. Peletier


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013