Kruitwagen, Franciscus Josephus (1874-1954)

 
English | Nederlands

KRUITWAGEN, Franciscus Josephus (1874-1954)

Kruitwagen, Franciscus Josephus (kloosternaam Bonaventura) priester en kenner van het oude boek (Rotterdam 22-10-1874 - Venray 11-5-1954). Zoon van Ruttherus Kruitwagen, banketbakker, en Maria Cornelia Roest. afbeelding van Kruitwagen, Franciscus Josephus

Kruitwagens aanleg voerde hem naar het gymnasium te Venray, waar ondanks zijn belangstelling voor techniek toch de keuze werd gedaan voor een geestelijk ambt. Twee oudere broers waren hem hierin al voorgegaan, een derde zou nog volgen. In 1892 deed hij als novice zijn intrede in het klooster der Minderbroeders te Wijchen, en na een soms moeilijke beginperiode werden de studies voltooid die hem ten slotte waardig maakten op 18 maart 1899 te Roermond de priesterwijding te ontvangen. Het was de bedoeling dat hij als 'assistentiepater' zou worden ingezet om diensten te vervullen waar nodig, maar zijn grotere geschiktheid voor wetenschappelijk werk leidde ertoe dat nog in hetzelfde jaar 1899 een benoeming in zijn orde tot lector in de liturgie en kerkgeschiedenis volgde. Beide vakken hadden al tijdens zijn eigen opleiding Kruitwagens voorliefde gehad. Vanuit Wijchen werd hij in 1902 overgeplaatst naar het enkele jaren tevoren opgerichte klooster te Woerden, dat het voordeel had van gunstiger treinverbindingen met de grote steden, en dus ook met de grote bibliotheken, want de jonge priester werd door zijn oversten gedurende het grootste deel van zijn leven in staat gesteld zijn studies naar eigen inzicht voort te zetten. Aan de verplichtingen die een dergelijk blijk van vertrouwen met zich meebracht heeft Kruitwagen zich ook bepaald niet onttrokken, al toonde hij zich niet altijd een gehoorzaam zoon der kerk, en al bracht zijn kritische instelling hem weleens in conflict met de eigen katholieke overheden. De spreuk die hij in dat verband placht te citeren wijst daar al op: 'levende vissen zwemmen tegen de stroom in. Alleen dooie drijven ermee mee.' Wellicht mogen we in het weerbarstige grijze haar dat zijn portret op afbeeldingen vertoont boven een doorgroefd gelaat een symbool van zijn karakter herkennen, dat vriendelijk en vol meedogen was, maar ook strijdbaar en met een eigen soms stekelige humor. Kruitwagens wetenschappelijke arbeid nam rond 1900 een aanvang, en richtte zich in eerste instantie op de geschiedenis van zijn eigen orde en meer in het algemeen op de kerkgeschiedenis en de liturgie. Een wassende stroom publikaties gaf aan die studie gestalte en richtte ook de aandacht van de buitenwereld op de schrijver ervan. Toonaangevend was bijvoorbeeld de wijze waarop van een aantal vroege levensbeschrijvingen van Sint Franciscus de handschriftelijke overlevering werd geanalyseerd in het Archivum Franciscanum historicum 1 (1908) 301-412. Van de iets latere werken valt te noemen de nauwkeurige ontleding van de drukgeschiedenis S. Thomae de Aquino Summa Opusculorum anno circiter 1485 typis edita . .. (1924). Deze studies wijzen erop dat de interesse van de schrijver zich had geconcentreerd op het terrein waarop hij een ware pionier en leermeester voor komende generaties zou blijken te zijn, namelijk dat der paleografie en paleotypie, de studie van het oude schrift en van het oude gedrukte boek. Deze kennis van handschriften en incunabelen had hij zich voor een aanzienlijk deel zelf verworven, al gedacht hij later met dankbaarheid de hulp van zulke mensen als Jan Willem Enschedé, Willem de Vreese en Wouter Nijhoff. Toen deze laatste in samenwerking met mej. M.E. Kronenberg een aanvang maakte met de Nederlandsche bibliographie van 1500 tot 1540 (1923-) was pater Kruitwagen een ijverig medewerker achter de schermen. Naast deze vaak zuiver technisch-bibliografische arbeid schreef hij intussen ook over tal van andere onderwerpen: de Moderne Devotie had zijn kritische aandacht, en voorts de uitvinding van de boekdrukkunst. In het debat daarover werd door hem ten slotte resoluut partij gekozen voor Gutenberg, een claim die tegenwoordig vrijwel algemeen wordt aanvaard, maar die tijdens Kruitwagens leven nog tot enkele scherpe discussies met de aanhangers van Coster aanleiding gaf. Verder publiceerde hij over uiteenlopende kerkelijke en religieuze onderwerpen in dagbladen en wetenschappelijke tijdschriften. Om deze verdiensten benoemde de Universiteit van Amsterdam hem in 1934 tot doctor honoris causa in de letteren.

De 'jonge doctor' woonde toen al enkele jaren niet meer in Woerden. Nooit van een sterke gezondheid, maakten in de loop der jaren voortdurende ingewandsstoornissen een reeks van operaties noodzakelijk. Onder andere om die reden betrok hij in 1930 enkele kamers in de pastorie aan de Westewagenstraat te Rotterdam. Gedurende een decennium was hij hier het middelpunt van een opgewekt sociaal en wetenschappelijk verkeer, wat o.a. uitliep op de oprichting van het Historisch Genootschap 'De Maze' in 1932, mede op initiatief van Kruitwagen. In 1940 was het bombardement van Rotterdam ook voor hem een ramp die juist voor zijn werk fataal leek, toen de pastorie werd getroffen en al zijn aantekeningen, alsmede een bibliotheek van 9.000 delen verloren gingen. Hijzelf werd slechts licht gewond, en bracht de oorlogsjaren door in een klooster te Vorden. Een reeds voorbereide bundeling van enkele belangrijke artikelen verscheen onder de titel Laat-middeleeuwsche paleografica, paleotypica, liturgica, kalendalia, grammaticalia (1942). Hoewel hijzelf meende daarmee aan het einde van zijn wetenschappelijk bedrijf te zijn gekomen, bleek ook bij hem na de oorlog het schrijversbloed te kruipen waar het niet gaan kan, en zagen nog ettelijke studies het licht. In 1949 boden vrienden en bewonderaars hem een Hulde-boek aan op een bijeenkomst waarop zowel zijn gouden priesterfeest als zijn 75e verjaardag werden herdacht. Bij die gelegenheid eerde prof. Rogier de jubilaris als geleerde. Rotterdammer en priester (in opklimmende volgorde) in een rede die zelf als specimen van welsprekendheid voorbeeldig mag heten. De laatste jaren leidde Kruitwagen een teruggetrokken bestaan, totdat in 1954 de dood een einde bracht aan de enkele jaren tevoren gehuldigde 'geleerde, vrolijke, maar ook vrome en goede pater Bonaventura' (Rogier).

A: Collectie-Kruitwagen in de Koninklijke Bibliotheek.

P: Zie de bibliografie in het hierna te noemen Huldeboek ....

L: Benoeming tot doctor honoris causa van pater Bonaventura Kruitwagen. Overdr. uit het provincie-maandblad van de Minderbroeders in Nederland "Neerlandia Seraphica" 8 (1934) 13-21; M.E. Kronenberg, 'Bij de eerepromotie van pater Bonaventura Kruitwagen', in Het Boek nr 22 (1933-1934) 113-116; Huldeboek pater dr. Bonaventura Kruitwagen aangeboden . . . ('s-Gravenhage, 1949); Pater dr. Bonaventura Kruitwagen O.F.M. Speciale aflevering van Het Boek 32 (1955-1957) 3-100, waarin o.a. L.J. Rogier, 'Huldewoord aan pater Bonaventura Kruitwagen' (1949); F.K.H. Kossmann, in Rotterdams Jaarboekje 6e reeks 3 (1955) 185-187; M.E. Kronenberg, in Over mensen en boeken ('s-Gravenhage, 1961) 55-68.

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie personen: afb. 2a13510 [Kruitwagen in 1949].

H. van der Hoeven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013