Leeuwen, Wilhelmus Frederik van (1860-1930)

 
English | Nederlands

LEEUWEN, Wilhelmus Frederik van (1860-1930)

Leeuwen, Wilhelmus Frederik van, burgemeester (Soerabaja 18-4-1860 - 's-Gravenhage 6-9-1930). Zoon van Wilhelmus Hendrik van Leeuwen, firmant van Indisch handelshuis J.F. van Leeuwen & Co., en Anna Eliza de Groot. Gehuwd sedert 11-3-1886 met Petronella Alida Waller. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren. afbeelding van Leeuwen, Wilhelmus Frederik van

Het gezin Van Leeuwen vestigde zich komend uit Nederlandsch-Indië te Amsterdam, waar Wilhelmus Frederik onderwijs ontving op de school van H.G. Roodhuyzen. Daarop volgden alleen privaatlessen in de vakken, nodig voor het admissie-examen voor hoger onderwijs. In 1876 werd hij student aan het Athenaeum Illustre te Amsterdam, deed op 28 oktober 1880 kandidaats en op 1 juni 1882 doctoraal examen rechten aan die inmiddels Universiteit geworden instelling. Op 19 april 1883 volgde zijn promotie tot doctor in de rechtswetenschap (cum laude) op een proefschrift, dat als titel droeg Opmerkingen over de Behouden- Varen-Verzekering. Dit is zijn enige geschrift gebleven.

Van Leeuwen vestigde zich in 1884 als advocaat en procureur te Amsterdam en was van 1893 tot 1901 plaatsvervangend Rijksadvocaat. Verder bekleedde hij bestuursfuncties bij verschillende verenigingen en genootschappen. Hij was onder andere secretaris van de Commissie voor de Rijnvaart en van Felix Meritis. Ook was hij kantonrechter-plaatsvervanger in Amsterdam.

In 1895 werd hij door de conservatief getinte kiesvereniging 'De Grondwet' kandidaat gesteld voor de Amsterdamse gemeenteraad en na door de meer liberale kiesvereniging 'Burgerplicht' naar voren te zijn geschoven, tot raadslid gekozen. Nog in hetzelfde jaar volgde zijn benoeming tot wethouder van financiën, in welke functie hij onder meer belast was met de regeling van het overnemen door de gemeente Amsterdam van particuliere bedrijven (gasfabrieken, telefoon en tram). Bij een raadsbehandeling van de concessievoorwaarden, die het Rijk gesteld had voor de exploitatie van een gemeentelijk telefoonnet, deden zich moeilijkheden voor. De voorwaarden werden uiteindelijk toch aanvaard. Het gemeentelijk telefoonnet kwam op 1 november 1896 in exploitatie.

Begin 1901 vroeg burgemeester S.A. Vening Meinesz ontslag. Eén van de kandidaten voor de opvolging was Van Leeuwen. Volgens de commissaris der Koningin, G. van Tienhoven, had deze zich als wethouder hoogst verdienstelijk gemaakt en gold hij als één van de voornaamste stadsbestuurders en zelfs als één van de bekwaamste mannen van de hele stad. Als bezwaren noemde Van Tienhoven de betrekkelijk jeugdige leeftijd van Van Leeuwen en 'het hem enigszins eigen warm en nog zo jeugdig vuur' van zijn karakter, dat hem ook wel tegenstanders had bezorgd. De andere kandidaten vielen af. Van Tienhoven stapte daarop over zijn bezwaren heen en droeg Van Leeuwen voor, ofschoon diens benoeming niet in alle Amsterdamse kringen gewenst werd. Van Leeuwen was na lang beraad bereid de benoeming te aanvaarden. Deze vond plaats bij Koninklijk Besluit van 29 april 1901 met als ingangsdatum 10 mei.

De stad Amsterdam verkeerde in het begin van de 20ste-eeuw in een moeilijke fase van zijn ontwikkeling. De bevolking nam in snel tempo toe (in 1897 was men de 500.000 al gepasseerd). Om deze te kunnen huisvesten moesten er nieuwe stadswijken komen. De daarmee gepaard gaande voorzieningen kostten veel geld en maakten de financiële positie van Amsterdam bij voortduring moeilijk. Ook de groeiende sociale onrust gaf problemen - men denke slechts aan de spoorwegstakingen van april 1903. De nieuwe burgemeester was als geboren bestuurder echter wel voor zijn taak berekend. Hij liet door niemand aan de waardigheid van zijn ambt tomen, zelfs niet door de landsregering, zoals bleek uit een uitlating, die hij eens deed in de Eerste Kamer, waarin hij naast zijn burgemeesterschap zitting had van 1902 tot 1911. Volgens die uitlating beschouwde hij de minister van Binnenlandse Zaken niet als de 'natuurlijke chef van de burgemeester van Amsterdam. Bekend gebleven is ook zijn opmerking, dat men in Den Haag de burgemeester ten onrechte voor een soort Rijkskruier houdt.

Tijdens het burgemeesterschap van Van Leeuwen werd een eerste aanzet gegeven voor stadsuitbreidingen in Amsterdam-Noord, -Oost, -Zuid en -West. In veel gevallen werd begonnen met uitvoering van de plannen. Voor de kwaliteit van de te bouwen woningen was van groot belang de in werkingtreding van de Amsterdamse Bouwverordening in 1905, de eerste moderne bouwverordening in Nederland op basis van de Woningwet 1901. Gebeurtenissen van groot belang voor de stad waren tijdens dit burgemeesterschap o.a. het gereedkomen van de demping van de Overtoom en de opening van de door de architect Berlage gebouwde Beurs, beide in 1903. Eind 1908 was ook voor Amsterdams burgemeester nogal bewogen. Drie redacteuren van Het Prinsenhof, orgaan van de Amsterdamsche Bond van Gemeenteambtenaren, werden op 30 september oneervol als ambtenaar ontslagen wegens het opnemen in dat orgaan van opruiende artikelen. Ondanks felle protesten handhaafde de raad die ontslagen. Eén van de ambtenaren, Z. Gulden, werd op 8 juli 1909 voor de SDAP tot raadslid gekozen.

Ondertussen had Van Leeuwen zich in 1907 een herbenoeming voor 6 jaar laten welgevallen na sterke aandrang van de kant van de burgerij. Toch kwam de aankondiging van zijn ontslagaanvrage in het najaar van 1909 nog onverwachts. Volgens dat verzoek gaf het burgemeestersambt hem niet veel voldoening meer. De taak van een burgemeester van een grote stad was de laatste jaren aanmerkelijk Verzwaard door sterke uitbreiding van de gemeentelijke bemoeiingen, waardoor het ambtenarenapparaat ook belangrijk was gegroeid. Verder waren niet altijd de besten beschikbaar voor de uit 45 personen bestaande raad, omdat het presentiegeld onvoldoende mogelijkheid bood om zich vrij te maken uit eigen werkkring. De wethouders moesten gekozen worden uit de raad, waardoor de burgemeester niet altijd kon beschikken over de meest bekwame medewerkers om de talrijke raadsvoorstellen voor te bereiden. Naar zijn mening was een ingrijpende wetswijziging ten aanzien van het bestuur van de grote gemeenten urgent. Van Leeuwen pleitte voor een stadsbestuur van 12 tot 15 personen, gesplitst in commissies voor de verschillende takken van bestuur, met daarnaast een college van vertegenwoordigers uit de burgerij voor de goedkeuring van rekeningen en begrotingen. Van Tienhoven en minister van Binnenlandse Zaken Th. Heemskerk oefenden sterke aandrang op Van Leeuwen uit om zijn ontslagaanvrage in te trekken. Heemskerk was zelfs bereid onmiddellijk stappen te ondernemen om de Gemeentewet binnen het kader van de Grondwet zo te wijzigen, dat wethouders ook buiten de kring van de gemeenteraad afkomstig konden zijn. Hij wilde verder maatregelen overwegen om tegemoet te komen aan een andere grief van Van Leeuwen, namelijk, dat een burgemeester van een grote stad verplicht is een lawine van stukken met zijn handtekening te bekrachtigen; dit alles om Van Leeuwen voor Amsterdam te behouden. Van Leeuwen vond de concessies echter onvoldoende. Bij Koninklijk Besluit van 28 december 1909 werd zijn ontslagaanvrage ingewilligd met ingang van 16 januari 1910. Verschillende huldeblijken van de burgerij maakten duidelijk, dat men hem slechts node zag gaan. Zonder twijfel heeft men voor zijn beleid grote waardering gehad. Gesteld kan worden, dat Van Leeuwen het als typisch liberaal moeilijk heeft gehad op te tomen tegen een steeds sterker wordende en lastige SDAP. Met het burgemeesterschap was de glansperiode van zijn loopbaan afgesloten. Kort daarna vereerde de Universiteit van Amsterdam hem op 28 februari 1910 met een eredoctoraat in de staatswetenschappen.

Met ingang van 16 september 1911 werd Van Leeuwen benoemd tot commissaris der Koningin in Noord-Holland. Deze benoeming kon worden beschouwd als een erkenning van zijn verdiensten, maar gaf overigens weinig gelegenheid zijn dadendrang te bevredigen. Ook in deze functie werd Van Leeuwen geconfronteerd met de SDAP. In 1913 moest hij advies uitbrengen over de benoeming van K. ter Laan tot burgemeester van Zaandam. Hoewel volgens Van Leeuwen sociaal-democraten niet zonder meer vanwege hun politieke overtuiging van dergelijke posten dienden te worden geweerd, achtte hij een benoeming van Ter Laan geen landsbelang. Het verleden van de kandidaat gaf Van Leeuwen namelijk niet de garantie, dat hij boven de partijen zou kunnen staan, als hoofd van de politie zou kunnen optreden of als vertegenwoordiger van het Rijksgezag bij stakingen, oproer, e.d. Begin 1914 is Ter Laan echter toch benoemd. Van Leeuwen bleef maar korte tijd commissaris der Koningin; reeds in november 1914 werd hij benoemd tot vice-voorzitter van de Raad van State. Deze laatste functie was de bekroning van een belangrijke bestuurlijke loopbaan. Juist tijdens de Eerste Wereldoorlog bleek hoezeer de regering zijn kennis van staats- en administratief recht, zijn karaktervastheid en rechtvaardigheidszin op prijs stelde. Maar ook in de daaropvolgende jaren - hij trad voorjaar 1928 af - bleef die voorname positie van Van Leeuwen van groot belang.

L: 'Mr. W.F. van Leeuwen', in De Hollandsche Revue 12 (1907) 47-62; D. Kouwenaar, 'Oud-Burgemeester Van Leeuwen', in Amstelodamum 17 (1930) 93-95; M.W.F. Treub, in Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1930-1931, 1-5.

I: Website Parelmentair Documentatie Centrum: http://www.parlement.com/ [2-6-2008].

J.R. Persman


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013