Lidth de Jeude, jhr. Otto Cornelis Adriaan van (1881-1952)

 
English | Nederlands

LIDTH DE JEUDE, jhr. Otto Cornelis Adriaan van (1881-1952)

Lidth de Jeude, jhr. Otto Cornelis Adriaan van, directeur Nederl. Mij. van Havenwerken, minister van Waterstaat en Oorlog (Tiel 7-7-1881 - 's-Gravenhage 1-2-1952). Zoon van jhr. Cornelis Christiaan van Lidth de Jeude, dijkgraaf van Nederbetuwe, en jkvr. Catharina Carolina von Weiler tot Poelwijk. Op 17-4-1908 gehuwd met Dina Cornelia van Rossem. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Lidth de Jeude, jhr. Otto Cornelis Adriaan van

[Van] Lidth de Jeude doorliep de Rijkshogereburgerschool te Tiel en van 1898 tot 1903 de Polytechnische school te Delft, waar hij van 1901 tot 1903 lid was van de Phoenixcommissie. Als jong civiel ingenieur werd hij in november 1903 als adjunct-ingenieur van de Rijkswaterstaat toegevoegd aan de inspecteur-generaal der 2e inspectie. In de jaren 1904-1909 was hij geplaatst bij de werken der Maasmondverbetering in het bijzonder aan het kanaal van 's-Hertogenbosch naar Drongelen, sedert september 1906 als ingenieur 2e klasse. In augustus 1909 kreeg hij verlof tot het maken van een studie van de haven van Curaçao, waarvan hij de resultaten in 1910 en 1911 publiceerde. Na zijn terugkeer werd hij als arrondissementsingenieur van het Pannerdens kanaal, Nederrijn en Lek te Utrecht geplaatst, maar in september 1913 (kort voor zijn benoeming oktober d.a.v. tot ingenieur 1e klasse) kreeg hij wederom verlof tot het bestuderen van de haven van Tsjifoe in China. Een van de grondslagen van zijn ontwerpen was de constructie van de golfbreker in een zg. sloping bond, waardoor kleine nazakkingen gemakkelijk konden worden opgevangen, terwijl het stellen van de blokken in het algemeen snel kan geschieden (zie: De Ingenieur, 1952). Een rapport volgde in 1914, maar hij bleef er tot 1918. Ook later kwam hij nog herhaalde malen in China, waardoor hij een levendige belangstelling voor Oostaziatische kunst kreeg. Van de in 1923 opgerichte Nederlandsch-Chineesche Vereeniging werd hij voorzitter. De werkzaamheden te Tsjifoe waren uitgevoerd door de in 1912 uit een fusie van drie baggerfirma's ontstane Nederlandse Mij. voor Havenwerken, waarbij hij in 1919 in dienst trad als technisch directeur. Hij werkte als zodanig twee jaar in Ned.-Indië, daarna op het hoofdkantoor te Amsterdam. Vele ontwerpen en variant-ontwerpen van havens of onderdelen als kademuren, pieren etc. werden onder zijn leiding gemaakt en uitgevoerd door dit bedrijf, één der oudste zg. civil engineeringcontractors. In 1929 verwierf hij te zamen met ir. W.C. Köhler, stadsingenieur van Amsterdam, een tweede prijs bij de beantwoording van een door het bestuur van Barcelona uitgeschreven prijsvraag over de haven aldaar.

Te Baarn, waar hij zich had gevestigd, zat hij van 1923 tot 1935 voor de Liberale Staatspartij "De Vrijheidsbond" in de gemeenteraad. In 1931 werd hij tevens lid van de Provinciale Staten van Utrecht. Na het overlijden van ir. J.A. Kalff werd hij 4 maan 1935 benoemd tot minister van Waterstaat in het tweede en later in het derde ministerie-Colijn, dat 25 mei 1937 zijn portefeuille ter beschikking stelde. Vervolgens nam hij zitting in de Tweede Kamer, werd gedelegeerd commissaris van Havenwerken (oktober 1937), ondervoorzitter van "De Vrijheidsbond" (21 januari 1938), voorzitter van de Raad van het Openbaar Lichaam de Wieringermeer, ondervoorzitter Zuiderzeeraad en commissaris van enige banken en stoomvaartmaatschappijen. Na nog even (25 juli - 10 augustus 1939) van het vijfde ministerie-Colijn deel te hebben uitgemaakt, vertrok hij in februari 1940 als voorzitter van het Koloniaal Instituut, lid van de Raad van Beheer der Billitonmij. en als voorzitter van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs naar Indië, maar door de oorlog verrast, vloog hij terug naar Londen, waar hij daags na aankomst (26 mei 1940) werd benoemd tot regeringscommissaris voor vluchtelingen en voorzitter van het Londens comité van het Nederlandse Rode Kruis. Onder Gerbrandy was hij van 15 september 1942 tot 23 februari 1945 minister van Oorlog.

Na zijn terugkeer werd hij 26 mei 1946 lid van de Provinciale en 3 juli d.a.v. buitengewoon lid van Gedeputeerde Staten. Het door hem geambieerde lidmaatschap van de Raad van State kon blijkbaar voor hem als liberaal onder de toenmalige politieke situatie niet verwezenlijkt worden, hoewel hij alle vereiste kwaliteiten bezat. Als voorzitter van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs leidde hij in 1951 het petroleumcongres. Inmiddels was hij op 2 augustus 1950 voorzitter van de Raad van Commissarissen van de Billitonmij. geworden.

Van Lidth de Jeude, enige zoon met twee oudere en vier jongere zusters, was betrekkelijk eenvoudig opgevoed in een milieu van provinciale notabelen, waarin de mannen, al naar hun capaciteiten, land en vorst als ambtenaar of officier behoorden te dienen. De studie te Delft verwekte dan ook onrust, pas weggenomen door zijn aanstelling als ingenieur bij de Rijkswaterstaat.

Zelf meer werklustig dan eerzuchtig, zou hij directeur van Gemeentewerken te Breda zijn geworden, als zijn vrouw, die meer mogelijkheden zag, hem niet had tegengehouden tot het aanbod van Havenwerken kwam. Begiftigd met een enorme werkkracht en helder inzicht, wist hij de door hem geleide instanties tot grote produktie te brengen, ook na zijn vertrek met achterlating van laden vol plannen. Juist na de crisisjaren minister geworden, kreeg hij de kans wegennet en bruggenbouw te organiseren; als minister van Oorlog verkreeg hij de instemming van de zeer kritische enquêtecommissie Donker. In zijn hart was hij echter de eenvoudige en gemoedelijke, maar ook vaak eigenwijze en lastige Geldersman gebleven, die met koningin Wilhelmina - die daar prijs op stelde - Betuws sprak en het liefst zou hij zijn laatste levensjaren op het familiebuiten 'De Groote Brug' aan de Linge hebben doorgebracht, zich wijdende aan de geschiedenis van zijn geslacht.

P: De haven van Curaçao ('s-Hertogenbosch, 1910); Eenige opmerkingen in verband met de havenplannen voor Curaçao ('s-Hertogenbosch, 1911); De kanaalverbinding Amsterdam - Boven-Rijn (Tiel, [1929]); Nota [voor de Betuwsche kanaalvereeniging]; 'De organisatie van de overheidsbemoeiing', in Maatschappij-belangen 102 (1934) 108-114. Rede tijdens 157e ... Algemeene Vergadering voor Nijverheid en Handel. Verder vele artikelen o.a. in De Ingenieur zoals 'De haven van Chefoo' 36 (1921) 895-897.

L: W.E. Boerman, in Verkeer en Vervoer. Orgaan van het Nederlands Verkeersinstituut 4 (1951) 3 (,) 33; H. Sangster, in De Ingenieur 64 (1952) A46-A47.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 924.

M.J.van Lennep


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013