Linden, Pieter Wilhelm Adrianus Cort van der (1846-1935)

LINDEN, Pieter Wilhelm Adrianus Cort van der (1846-1935)

Linden, Pieter Wilhelm Adrianus Cort van der, jurist en staatsman (s-Gravenhage 14-5-1846 - 's-Gravenhage 15-7-1935). Zoon van Gijsbertus Martinus van der Linden, landsadvocaat en lid der Tweede Kamer, en Jacoba Henriëtta Wttewaall. Gehuwd op 29-5-1873 met Joanna Diderica Wttewaall en na haar overlijden op 6-3-1874 met Johanna Cornelia de Koning op 28-7-1880. Uit het eerste huwelijk waren geen kinderen; uit het laatste huwelijk werden 4 zoons geboren. afbeelding van Linden, Pieter Wilhelm Adrianus Cort van der

Door zijn vader voor de handel bestemd, kreeg Cort van der Linden na de lagere school onderricht in vakken die daartoe van nut waren. Later bezocht hij enkele jaren het gymnasium in zijn woonplaats, waarna rechtenstudie in Leiden volgde. Zijn promotie vond daar in 1869 plaats op het proefschrift Beschouwingen over het strand (Leiden, 1869). Van 1869 tot 1879 was hij als advocaat en daarna enkele jaren als commies-grifïier der Tweede Kamer in Den Haag gevestigd. Van 1881 tot 1891 vervulde hij eerst een hoogleraarschap in de staathuishoudkunde in Groningen en van 1891 tot 1896 aan de Universiteit van Amsterdam. In die periode maakte hij van 1894 tot 1897 deel uit van de redactie van De Gids.

Cort van der Linden heeft zich, ondanks een grote belangstelling voor politieke en sociale problemen, altijd wat terzijde van het partijpolitieke leven bewogen. Lid van het parlement was hij nooit. Als hoogleraar in Groningen trachtte hij de liberalen in progressieve richting te sturen met zijn publikatie Richting en beleid der Liberale Partij (Groningen, 1886), terwijl ook tal van andere publikaties betrekking hadden op de problemen m.b.t. de sociale ordening van het zich toen relatief snel industrialiserende Nederland. Het was dan ook niet als partijman maar als progressief denkend jurist, dat hij tot de politieke functie van minister van Justitie werd geroepen (1897). Ook later als leider van het naar hem genoemde ministerie (1913-1918) kon hij optreden juist omdat hij toen, hoewel van liberale gezindheid, buiten de liberale partijpolitiek stond.

Er is een duidelijke relatie tussen Cort van der Lindens wetenschappelijke en maatschappelijke opvattingen. Hij had kritiek op de abstracte constructies en wetten die de deductieve methode in de sociale wetenschappen had opgeleverd. Zij stonden - vond hij - te ver van de werkelijkheid. Om die reden werd door hem op economisch gebied bezwaar gemaakt tegen zowel de socialistische theorieën als de constructies van de klassieke economische school. Beide benaderingen hielden naar zijn mening veel te weinig rekening met de gecompliceerdheid van de maatschappij en met de verschillen zowel in traditie als menselijke gewoonten en karaktereigenschappen. Dit positivisme verbond hij met een maatschappelijk evolutiedenken van Spenceriaanse snit (ontwikkeling van het eenvoudige naar het ingewikkelde als basisprincipe van de maatschappelijke ontwikkeling, de zg. differentiatie) en met een comparatieve methode volgens welke d.m.v. vergelijking van de ontwikkelingsgang van verschillende volkeren de gemeenschappelijke fasen en elementen vastgesteld dienden te worden. Via deze methoden zou men op den duur, net als in de natuurwetenschappen, tot minder abstracte wetten kunnen komen.

Op het gebied van de rechtswetenschap formuleerde Cort van der Linden al de later door H. Krabbe uitgewerkte theorie dat de ontwikkeling van het recht bepaald werd door de ontwikkeling van het rechtsbewustzijn. Zijn aandacht voor de concrete mens achter de maatschappelijke verschijnselen en zijn nadruk op het belang van diens behoeften en bewuste streven naar een volmaakte harmonische maatschappij brachten Cort van der Linden ertoe een maatschappelijke ontwikkeling aan te nemen die liep van een hiërarchische maatschappij via één, waar individuele vrijheid voorop stond, naar één, waarin de vrijheid in het kader van de gemeenschap tot uiting zou komen. Dit nieuwe ideaal der gemeenschap, de laatste fase van de ontwikkeling fungeerde als theoretische achtergrond voor zijn opvattingen over het sociale vraagstuk. Hij legde in dit verband vooral de nadruk op de als organisme opgevatte nationale gemeenschap. In deze organische eenheid, en niet op een toevallige getalsmatige meerderheid, fundeerde hij het begrip volkssouvereiniteit. De natie werd daarbij gezien als het geheel van de vroeger levende geslachten en de huidige generatie. In de 'overtuiging van het volk' waarop de volkssouvereiniteit gebaseerd diende te zijn stak dan ook een flink deel traditie. De 'waan der menigte' daarentegen, d.w.z. datgene waarvoor op een bepaald moment een meerderheid was te vinden, kon in Cort van der Lindens ogen heel gemakkelijk tot ongewenste toestanden leiden. Deze enigszins elitaire interpretatie van het begrip volkssouvereiniteit zou ook naar voren komen, toen Cort van der Linden in de Tweede Kamer de positie van zijn extraparlementaire kabinet formuleerde (10-12-1913). Hij legde daarbij toen sterk de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van de regering tegenover het parlement. Bij gebrek aan een regeringsmeerderheid zag hij het als de taak der regering om zelf de verlangens van de meerderheid van het volk achter de partijen te interpreteren en zich daarnaar te richten. Meer concreet doelde hij daarmee op de toenmalige eis van algemeen kiesrecht waar Cort van der Linden uit pragmatische overwegingen een voorstander van was. Tegenover het partijstelsel bleef hij kritisch staan.

In zijn sociale denken stond voor Cort van der Linden het probleem van de rol van de staat in het maatschappelijke leven centraal. Met behoud van liberale uitgangspunten formuleerde hij soms radicale kritiek op het liberale kapitalistische stelsel. Als voornaamste uitgangspunt werd de grote waarde van de individuele vrijheid geponeerd: vrije concurrentie zou leiden tot een zich doorzetten van de beste principes, ideeën en mensen. In zijn kritiek stelde hij centraal, dat in de bestaande, door het laissez-faireprincipe beheerste maatschappij allerlei vormen van ongelijkheid ingebouwd waren en bovendien bestendigd werden door verschillende elementen van het kapitalistische stelsel. Zo zag hij rente op grond en kapitaal als voor het grootste deel onverdiend inkomen dat door een progressieve belasting aan de gemeenschap gerestitueerd diende te worden. Verschillen in beloning op grond van verschillen in prestatie achtte hij daarentegen volkomen gerechtvaardigd. Het concurrentieprincipe werd door hem als heilzaam voor de maatschappelijke ontwikkeling beschouwd. Kapitaalvorming bij arbeiders wenste hij uitdrukkelijk gestimuleerd te zien. Deze progressieve, maar ook duidelijk liberale uitgangspunten brachten Cort van der Linden ertoe hervormingen van het maatschappelijk bestel voor te staan waarin gemeenschapsorganen een belangrijkere rol dienden te spelen. Als norm mocht hierbij echter slechts gelden: de verevening van bestaande ongelijkheid voor zover zij niet van eigen prestaties afhing. In de meest algemene zin hanteerde hij in zijn maatschappijkritische geschriften de bevordering van vrijheid als maatstaf.

Tot 1896 heeft Cort van der Linden zich voornamelijk in publikaties met politieke problemen beziggehouden. In dat jaar verwisselde hij de hoogleraarszetel voor een raadadviseurschap op het ministerie van Justitie (minister W. van der Kaay) in verband met de coördinatie van de wetgeving aldaar om een jaar later de functie van minister van Justitie te aanvaarden in het liberale hervormingskabinet-Pierson (1897-1901) en deze de gehele periode te vervullen. Hij was daarin medeverantwoordelijk voor het wetsontwerp-Ongevallenwet en verdedigde in het parlement een publiekrechtelijke regeling van de verzekering tegen ongevallen, die na verzet ten slotte geaccepteerd werd. Een nederlaag leed de regering op het punt van een te vergaande centralisatie in de uitvoering. Eerst na wijziging verkreeg het ontwerp de meerderheid. Cort van der Lindens belangrijkste wetgeving uit deze periode bestond uit de Kinderwetten, waarin o.a. staatsbescherming van verwaarloosde jeugd door ontheffing resp. ontzetting van de ouderlijke macht en een strafrechtelijke regeling voor jeugdige delinquenten in de vorm van dwangopvoeding werden geregeld. Verder was hij medeondertekenaar van de Woningwet. Door het opnemen hierin van bepaalde voorschriften voor de waardebepaling van grond die ten behoeve van de volkswoningbouw moest worden onteigend, heeft hij de mogelijkheid van grondspeculatie trachten te beperken.

In 1905, ter gelegenheid van de kabinetsformatie na de verkiezingen, en tijdens de kabinetscrisis van 1907 werd Cort van der Lindens naam genoemd i.v.m. een minister-presidentschap. In beide gevallen was er sprake van het ontbreken van een parlementaire meerderheid. Cort van der Linden dacht toen al in de richting van een extraparlementair kabinet, zoals hij in 1913, in een zelfde politieke situatie, feitelijk tot stand heeft gebracht. In dit ministerie van liberalen en partijlozen was hij premier en bekleedde de functie van minister van Binnenlandse Zaken. Als belangrijkste programmapunten van dit kabinet stelde hij de regeling van algemeen kiesrecht en staatspensionering voor. Het laatste gelukte niet - evenmin als de verwerkelijking van Talma's sociale wetten tijdens zijn bewind - het eerste slechts vertraagd, doordat onverwachts dit 'kiesrechtministerie' met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 een 'oorlogsministerie' werd. Het kabinet dat dadelijk allerlei nationale taken moest afwikkelen, achtte zich politiek onkwetsbaar. Mobilisatie, voedselvoorziening, handhaving van de 'Nederlandse neutraliteit vergden dan ook de volle aandacht. Vanaf 1915 werden echter ook weer normale politieke zaken ter hand genomen. Grondwetsherziening werd, juist toen de wereldoorlog bleef duren en uitstel voor binnenlandse maatregelen niet meer verantwoord leek, opnieuw onder ogen gezien. De confessionele eis van gelijktijdige herziening van de grondwet op het punt van de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder lager onderwijs kwam hij toen tegemoet door zijn bereidheid een compromis binnen het parlement betreffende deze materie over te nemen. Zelfwas hij voorstander van onderwijspacificatie, maar achtte het aanvankelijk nog geen taak der regering in verband met de verkiezingsuitslag van 1913. Via een parlementaire bevredigingscommissie onder voorzitterschap van D. Bos, werd de zaak echter zodanig geregeld, dat de grondslag werd gelegd voor de Pacificatiewet, die tijdens het volgende kabinet tot stand kwam. Bij het voorbereiden van het algemeen kiesrecht is het vooral Cort van der Linden geweest die de invoering van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging heeft doorgezet, dat in 1917 zijn neerslag vond in de grondwet. Het sloot aan bij zijn opvatting dat de meningen die onder het volk leven zo duidelijk mogelijk tot uiting moeten komen. Indien hij van dit kiesstelsel een afneming van de invloed der partijen heeft verwacht, is hij daarin echter bedrogen uitgekomen.

Het handhaven van de Nederlandse neutraliteit tijdens de oorlog heeft tot heel wat problemen geleid, waarbij het kabinet niet altijd eensgezind was. Cort van der Linden heeft zich, ondanks een zekere persoonlijke sympathie voor het Duitse volk, hierbij altijd strikt gehouden aan het standpunt dat Nederland neutraal diende te blijven en dat het deze neutraliteit zo nodig met wapens diende te verdedigen. De blokkademaatregelen van Engeland enerzijds en de door Duitsland gevoerde duikbotenoorlog anderzijds veroorzaakten echter vrijwel onoplosbare conflicten op dit terrein. Bovendien werd de neutraliteit meer dan eens bedreigd ten gevolge van de ligging van de provincie Limburg (bijvoorbeeld in de kwestie van een eventuele doorvoer vanuit Duitsland naar België van zand en grind) en van het Scheldegebied als toegang tot de haven van Antwerpen. Tijdens de beide laatste oorlogsjaren werden de problemen zo groot, dat een zeker schipperen met de strikte neutraliteitsprincipes noodzakelijk waren om Nederland buiten de oorlog te houden. Cort van der Linden heeft in deze de nodige soepelheid opgebracht, waarbij hij tegelijkertijd spanningen binnen het kabinet met betrekking tot deze problematiek moest bezweren.

Als actieve stimulator van de grondwetsherziening, die een jarenlange strijd tussen confessioneel en niet-confessioneel in de Nederlandse politiek afsloot, en als handhaver van een zo strikt mogelijke gewapende neutraliteit tijdens de wereldoorlog heeft Cort van der Linden de trekken van een belangrijk staatsman, van een man ook die boven de partijen stond.

Na 1918 heeft hij zich uit de actieve politiek teruggetrokken. Tijdens zijn laatste levensjaren maakte Cort van der Linden deel uit van de Raad van State (1918-1934) en was hij bovendien lange tijd voorzitter van de Carnegie-Stichting en lid van het permanente Hof van Arbitrage.

P: Onder andere publikaties als De wet van het recht. Redevoering ... (Groningen, 1881); Volk en Staat. Redevoering . . . (Groningen, 1882), 'Sociale rente', in Vragen des Tijds 9 (1883) 165-189; 'De methode in de Rechts- en Staatswetenschappen', in Themis 43 (1882) 390-415; De zilvercrisis (Groningen, 1883); Munt-politiek (Groningen, 1884); De oorzaken der malaise (Groningen, 1885); Leerboek der financiën ... ('s-Gravenhage, 1887); 'Vrijheid en hervorming', in De Gids 51 (1887) II, 389-425; III, 72-125; 'Grondbelasting of grondrente?', in Vragen des Tijds 16 (1890) II, 117-125; De staathuishoudkunde als sociale wetenschap. Rede ... te Amsterdam . . . ('s-Gravenhage, 1891); De voorgestelde kapitaalbelasting (Amsterdam, 1892); De taak van den Staat ten aanzien van de ontwikkeling des volks, gepubliceerde voordracht 1892; 'Conservatief of progressief, in De Gids 57 (1893) I, 137-173; 'Staat en gemeenschap', ibidem, 58 (1894) IV, 239-266.

L: D. Hans, 'Cort van der Linden', in Parlements-film (Scheveningen, [1924]) 20-23; W. van Itallie-van Embden, 'Mr. P.W.A. Cort van der Linden', in Sprekende portretten (Leiden, [ca. 1933]) 63-73; J.W. Albarda, in De socialistische Gids 20 (1935) 553-556; Vox, in Eigen Haard 61 (1935) 473; C. [= H.Th. Colenbrander], in De Gids 99 (1935) III, 271; J. Loudon, in Grotius. Annuaire international pour l' année 1936, 1-7; C.W. de Vries, Cort van der Linden. De visie van een groot staatsman . . . ('s-Gravenhage, 1952).

I: Johan den Hertog, Cort van der Linden (1846-1935). Minister-president in oorlogstijd. Een politieke biografie (Leiden 2007) tweede fotokatern [Foto: RKD; Cort van der Linden in 1913, kort na zijn aantreden als minister-president].

J.T. Minderaa


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013