Locher, Theodor Jakob Gottlieb (1900-1970)

 
English | Nederlands

LOCHER, Theodor Jakob Gottlieb (1900-1970)

Locher, Theodor Jakob Gottlieb, historicus (Waspik 28-9-1900 - Leiden 29-9-1970). Zoon van Johannes Kaspar Stephanus Locher (oorspronkelijk Zwitser; genaturaliseerd bij de Wet van 8-7-1920, Staatsblad no. 532) predikant, en Marie Laura Johner. Gehuwd op 8-9-1927 met Fetje Helena Hibma. Uit dit huwelijk werden 4 zoons geboren. afbeelding van Locher, Theodor Jakob Gottlieb

Locher bezocht te Waspik de lagere school en achtereenvolgens in Den Bosch en Leiden (waar zijn vader in 1916 beroepen was) het gymnasium. In die laatste stad begon op 19 september 1918 zijn studie wis- en natuurkunde; na een jaar zwaaide hij om naar indologie en studeerde in driejaren af. Locher zag echter op tegen het ambtelijke leven in de koloniën en besloot geschiedenis te studeren. Zijn leermeesters waren J. Huizinga en H.Th. Colenbrander, terwijl de slavist N. van Wijk hem Oosteuropese talen met het hoofdaccent op Tsjechisch als bijvak gaf. Een beurs van de Rockefeller-foundation opende de mogelijkheid van 1927 tot 1929 in Praag en Bratislava te studeren. Het resultaat van dit verblijf was een in 1931 bij Huizinga verdedigd proefschrift, getiteld Die nationale Differenzierung und Integrierung der Slovaken und Tschechen in ihrem geschichtlichen Verlauf bis 1848. Aan het einde van zijn Tsjechische reis had hij het eervolle genoegen door president Thomas Masaryk voor een weekend op zijn landgoed te worden uitgenodigd. De bewondering voor deze oprechte democraat begeleidde Locher voor de rest van zijn leven en klonk in zijn verschillende opstellen over Masaryk zuiver door. In deze filosoof en staatsman herkende hij de hoogste deugden: verdraagzaamheid, openheid, wetenschappelijke integriteit.

Sinds 1929 was Locher als leraar werkzaam aan het Nederlands Lyceum in Den Haag. Naast zijn wetenschappelijke arbeid gaf deze goede, geziene en muzikale docent veel tijd aan het schoolleven en het schoolorkest. In die periode hield hij ook zo nu en dan voor 'Eenheid en Democratie' lezingen over Masaryk, een voorbeeld van humaniteit en democratische gezindheid, als een vorm van tegenwicht tegen het opkomend nationaal-socialisme in Duitsland. Vanuit hetzelfde anti-nationalisme klonk typerend voor zijn houding direct na de oorlog een krachtig protest tegen de annexatieplannen ten opzichte van Duitsland, zoals die toen in Nederlands chauvinistische kringen gekoesterd werden.

In 1946 werd Locher benoemd tot hoogleraar in de algemene geschiedenis te Leiden als opvolger van zijn leermeester Huizinga; zijn intreerede luidde Over de verhouding van Oost en West in de Europese geschiedenis. Deze zware opdracht vervulde hij bijna 25 jaar, zij het dat men zijn taak langzamerhand verlichtte door afsplitsing van verschillende onderdelen van zijn ordinariaat. Op 25 maart 1963 werd echter zijn leeropdracht uitgebreid met het vak dat hem bijzonder lief was, de wijsbegeerte der geschiedenis. Locher, een toegewijd, nauwkeurig en inspirerend leermeester, begeleidde heel wat promoties. Maar hij was onder de studenten vooral ook populair om de hulpvaardigheid en trouw waarmee hij hen allen, meer of minder begaafd, begeleidde en terzijde stond. Voorts kwam hij op voor een niet langer Europa-centrische aanpak van de geschiedenis. In Leiden, traditioneel verbonden met de overzeese wereld, was dat mondiale programma uitstekend op zijn plaats. Locher had veel gevoel voor internationale ruimte, en bezette daarom dan ook met veel genoegen als een der eersten van 1950 tot 1951 de telkenjare door een Nederlands hoogleraar te bezetten leerstoel aan de Universiteit van Michigan te Ann Arbor. In de Nederlandse historische wereld wist Locher zich te verzekeren van veel aanzien en respect door de overwogen en onafhankelijke wijze waarop hij in discussie trad met zijn collega's J.M. Romein en P.C.A. Geyl. Voorzichtig maar beslist uitte hij zijn kritiek op Romeins objectiviteit van de tijdgeest, en op diens bewondering voor Toynbee. Wat Locher steeds weer bestreed was elke neiging tot wetmatigheid, elke opvatting van de geschiedenis als een exacte wetenschap en elk dogmatisme.

Zijn acribie maakte dat Locher, de man van het nauwgezette onderzoek, niet veel groter werk tot stand heeft gebracht. Slechts een enkel boek van bredere opzet kwam van zijn hand zoals in 1947 een biografie over Peter de Grote. Veel van zijn wetenschappelijke aandacht stak hij samen met zijn medewerker P. de Buck in de uitgave van het journaal van Nicolaas Witsen, een Nederlandse reiziger in het zeventiende-eeuwse Rusland. Maar in rust en toewijding wist hij toch nog heel wat verspreide geschriften het licht te doen zien, later bijeengebracht in de bundel Geschiedenis van ver en nabij (1970). Dit boek werd hem bij zijn 70e verjaardag en afscheid als hoogleraar aangeboden; helaas overleed hij een dag later. Wie Locher in zijn verscheidenheid en geestelijke diepgang wil leren kennen kan in dat werk terecht. Het bevat opstellen over historiografie en geschiedfilosofie, voorts een afdeling Slavica, essays over de Russische en Tsjechische geschiedenis, en het besluit met twee opstellen samengebracht onder de voor hem zo karakteristieke titel 'Verzoening der tegenstellingen'. Daar vindt men zijn rede over Europa en het probleem der nationale staten en de oratie die hij te Leiden bij de 26 november-herdenking in 1964 heeft gehouden, getiteld 'De vijand en de vrijheid', een pleidooi voor waarachtige verzoening.

Wil men samenvatten wat de betekenis van Locher was en ook nog is voor de historische wetenschap, dan moet allereerst worden gedacht aan het vermelde mondiale perspectief dat hij in Leiden aan het vak geschiedenis heeft gegeven. Daarnaast dient de nadruk gelegd te worden op zijn humanisme, zijn verdediging van de geschiedenis als een wetenschap waarin menselijke verbeelding centraal moet blijven staan waarin men nimmer tot een harde wetmatigheid kan komen. Of zoals hij in zijn onuitgesproken afscheidsrede schreef: 'Men moet niet menen dat de persoonlijke verbeeldingskracht ook van de historicus uitgeschakeld kan worden ... of dat de geschiedenis haar evocerende functie,. . ., het 'Verstehen' in de geest van Dilthey . . . zou kunnen elimineren zonder schade te lijden aan haar ziel.' (p. 10).

P: Volledige bibliografie in het genoemde werk Geschiedenis van ver en nabij (Leiden, 1970) 319-330.

L: B.W. Schaper, in Acta et Agenda 3 (1970-1971) 5 (8 oktober) 70; W. den Boer, in Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 86 (1971) 152-156; J.W. Schulte Nordholt, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1973-1974. Levensberichten 98-106.

I: Website Universiteit Leiden: http://www.geschiedenis.leidenuniv.nl/index.php3?m=114&c=498 [8-8-2007].

J.W. Schulte Nordholt


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013