Loeff, Johannes Alouisius (1858-1921)

 
English | Nederlands

LOEFF, Johannes Alouisius (1858-1921)

Loeff, Johannes Alouisius, advocaat en procureur, kamerlid en minister (Baardwijk 15-11-1858 - 's-Gravenhage 10-7-1921). Zoon van Hendrikus Loeff, burgemeester en secretaris van Baardwijk, en Petronella Johanna Antonia van Heesbeen. Gehuwd op 22-9-1891 met Maria Catharina Josepha Sweens. Uit dit huwelijk werden 7 zoons en 3 dochters geboren. afbeelding van Loeff, Johannes Alouisius

Loeff wilde aanvankelijk priester worden. Hij studeerde op het klein-seminarie Beekvliet in St. Michielsgestel, en vervolgens op het groot-seminarie te Haaren. Na enige tijd echter ging hij rechten in Leiden studeren. Daar volgde zijn promotie in 1887 cum laude tot doctor in de rechtswetenschappen op het proefschrift Publiekrecht tegenover privaatrecht. Proeve van theoretisch-kritisch onderzoek naar het karakter van het publieke recht (Leiden, 1887) en op stellingen tot doctor in de staatswetenschap.

Na zijn studies te hebben voltooid vestigde hij zich in 's-Hertogenbosch als advocaat en procureur. Hoewel hij nooit een groot politicus is geworden, speelde hij in het politieke leven toch al spoedig een rol: in 1889 lid van de Provinciale Staten van Noord-Brabant, in 1893 gemeenteraadslid in 's-Hertogenbosch (tot 1901) en op 5 mei 1896 werd hij als afgevaardigde van het kiesdistrict Den Bosch gekozen tot lid van de Tweede Kamer met onderbreking van zijn ministerschap. Twee jaar later was hij één der leden van de commissie van voorbereiding, die door de Tweede Kamer was ingesteld om de door de minister van Justitie Cort van der Linden ingediende drie kinderwetten betreffende het kinderrecht te onderzoeken. De wetten werden in 1901 door de Kamer aanvaard. De invoering ervan zou op een nader te bepalen tijdstip plaatsvinden. Kort daarop vormde Kuyper zijn ministerie, waarin Loeff als aanhanger van de katholieke partijrichting de portefeuille van Justitie kreeg toebedeeld. Aan hem was nu de taak toegevallen de invoering van de kinderwetten voor te bereiden. Het heeft hem vier jaar gekost, omdat talrijke voorbereidingsmaatregelen moesten worden genomen. Eerst bij K.B. van 25 oktober 1905 Stbl. 292 werd bepaald, dat de kinderwetten en de door Loeff ontworpen voorbereidende maatregelen op 1 december 1905 in werking zouden worden gesteld. Loeff werd als voorstander van het aanstellen van een administratieve rechter bij iedere rechtbank de auctor intellectualis van het wetsontwerp administratieve rechtspraak, dat hij als minister bij de Kamer indiende. De wet heeft echter het Staatsblad niet bereikt omdat de Kamer weinig voelde voor een wetboek van administratieve rechtsvordering. In 1903 diende Loeft n.a.v. de spoorwegstaking in het parlement de zg. stakingswetten in. Met deze wetten wilde hij de ontwikkeling van de arbeidersbeweging niet belemmeren. Hij wilde vooral de vrijheid van de werkwilligen beschermen, terwijl naar zijn mening ambtenaren niet het stakingsrecht mochten verwerven, omdat de normale gang van zaken van het maatschappelijke leven niet verstoord mocht worden. Loeff legde ten slotte ook de grondslag voor de zg. zedelijkheidswetgeving, welke door één van zijn opvolgers, E. Regout, werd voltooid. De invloed van Loeft in het Kabinet was zo groot, dat men wel sprak van het ministerie-Kuyper-Loeff. Groot bleef zijn loyaliteit tegenover Kuyper. In de befaamde 'lintjeszaak' in de jaren 1909-1910 (zie Oud, Honderd jaren) koos hij de zijde van hen, die in de onkreukbaarheid van Abraham Kuyper geloofden.

Na de verkiezingen van 1905 deed Loeft opnieuw zijn intrede in de Tweede Kamer, nu als afgevaardigde van het kiesdistrict Waalwijk. In hetzelfde jaar werd hij benoemd tot lid van het Permanente Hof van Arbitrage. Inmiddels verwierf hij veel bekendheid op internationaal niveau, ook als lid van de voorbereidende commissie van de Tweede Vredesconferentie die in 1907 in Den Haag werd gehouden en waar Loeff een der gedelegeerden was, en als voorzitter van het scheidsgerecht in een grensgeschil tussen Zweden en Noorwegen (1909).

Maar ook binnen Nederland bleef Loeff een rol van enige betekenis spelen. Op 11 maart 1908 werd hij voorzitter van de katholieke kamerfractie, maar dit duurde slechts tot 15 februari 1910 toen Loeft voor zijn vriend W.H. Nolens om gezondheidsredenen die plaats inruilde.

De redevoeringen die Loeff in de Kamer hield -meestal van juridische aard - waren meesterwerken van redekunst. Hij sprak niet vaak, maar wanneer hij het woord vroeg, luisterde iedereen met de grootste aandacht. Bekend is vooral zijn redevoering bij de begrotingsdebatten van 1913. Hij stelde daarin op indringende wijze de financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs met het openbaar onderwijs aan de orde en daardoor bracht hij Cort van der Linden ertoe een staatscommissie in te stellen die deze materie moest voorbereiden (Bevredigingscommissie). Pas in 1920 bij zijn benoeming tot lid van de Raad van State verliet Loeff de Tweede Kamer. Slechts korte tijd later overleed hij. In die latere kamerjaren had Loeff van talrijke commissies deel uitgemaakt. Zo was hij lid van de Grondwetscommissie in 1910, van de staatscommissie herziening burgerlijke wetgeving, van de staatscommissie voor de schrijfwijze van de Nederlandse taal, van de staatscommissie ter bevordering van de codificatie van het internationaal privaatrecht, van de pensioenraad voor gemeente-ambtenaren en van de Burgelijke Pensioenraad. Verder was hij curator van de Rijksuniversiteit te Leiden. Loeft was een der medeoprichters van het tijdschrift De Beiaard. Tot aan zijn dood was hij lid van de redactie, doch hij schreef slechts eenmaal een artikel in dat blad.

In zijn opvattingen was Loeff gematigd conservatief. Hij was een gesloten, rustig regententype, met een wat stroef karakter. Hij had niets van een streber, was in zijn katholieke geloofsovertuiging zeer principieel, ook in het maatschappelijk leven, bijv. als voorzitter van het Diocesane Comité van de St. Radboudstichting, als lid van de Hoofdraad van de St. Vincentiusvereniging en als lid van de Katholieke Vereniging voor de Wereldvrede.

Al vrij jong was Loeff reumatisch en zijn zwakke gezondheidstoestand was er de oorzaak van, dat hij een portefeuille weigerde in het kabinet-Heemskerk (1908-1913).

P: Behalve reeds genoemde dissertatie: 'De Katholieke Staatspartij in Nederland' in Het Katholiek Nederland. Onder leiding van J.A. Loeff e.a. (Nijmegen, 1913. 2 dln.) en 'In memoriam Dr. Abraham Kuyper', in De Beiaard 5 (1920) II, 484-486. Verder verschillende pre-adviezen o.a. Wenschelijkheid van administratieve rechtspraak hier te lande ('s-Gravenhage, 1912) en 'Behoort een verschil tusschen wet en grondwet in stand te worden gehouden?', in Handelingen der Nederlandsche Juristen Vereeniging 44 (1914) 215-252.

L: W.J. van Welderen Rengers, Schets eener parlementaire geschiedenis van Nederland van 1849 tot 1891. 4e bijgew. uitg. Dl. III: 1901-1914 door W.H. Vermeulen ('s-Gravenhage, 1950); A. van Wijnbergen, in De Maasbode van 13 juli 1921; J.van der Hammen Nicz. e.a. in De Echo van het Zuiden van 16-7-1921 en J.R.H. van Schaik, in De Beiaard 6 (1921) II, 81-83.

I: L.G. Karper, De 21 Ministers van Justitie naar wie de vergaderzalen zijn vernoemd (Den Haag 1983) 35.

J.P. Gribling


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013