Losecaat Vermeer, Pieter Antonie Jacobus (1888-1956)

 
English | Nederlands

LOSECAAT VERMEER, Pieter Antonie Jacobus (1888-1956)

Losecaat Vermeer, Pieter Antonie Jacobus, raadsheer in de Hoge Raad (Winschoten 11-5-1888 - 's-Gravenhage 9-1-1956). Zoon van Isaak Weijer Losecaat Vermeer, president van de rechtbank te Haarlem, en Helena Jacobina van Emden. Gehuwd sinds 17-5-1916 met Adriana Rebecca Maria Croockewit. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren.

Losecaat Vermeer bezocht het gymnasium te Haarlem, studeerde rechten te Leiden en promoveerde daar in 1913 met lofais een der eerste leerlingen van E.M. Meijers op het proefschrift Wil en verklaring bij overeenkomsten (Leiden, 1913). In 1913 vestigde hij zich als advocaat en procureur te Haarlem. In 1914 werd hij benoemd tot ambtenaar van het openbaar ministerie bij de kantongerechten in het Arrondissement Almelo. In 1920 volgde zijn benoeming tot rechter in de Rechtbank te Tiel. In december 1921 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de faculteit der handelswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam waar zijn leeropdracht de inleiding tot de rechtswetenschap en de beginselen van het burgerlijk recht, het handelsrecht en het faillissementsrecht omvatte. In 1922 hield hij zijn oratie, getiteld Opmerkingen over 's Rechters taak met betrekking tot tenuitvoerlegging van overeenkomsten (Zwolle, 1922). In 1939 werd hij benoemd tot lid van de Hoge Raad welk ambt hij tot zijn overlijden heeft bekleed.

Als kenner van het burgerlijk recht heeft hij tot de systematiek en verheldering ervan belangrijke bijdragen geleverd. Hij bewerkte een omvangrijk gedeelte van de tweede druk van het bekende handboek van N.K.F. Land, Verklaring van het burgerlijk wetboek (Haarlem, 1901-33). Van het vijfde deel (1915-1932) van deze artikelsgewijze commentaar bewerkte Losecaat Vermeer de blz. 266-787, handelende over een gedeelte van de arbeidsovereenkomst, de aanneming van werk, de maatschap of vennootschap, de schenking, de bewaargeving, de bruiklening, de verbruiklening, de gevestigde of altijddurende rente, de kansovereenkomsten, de lastgeving, de borgtocht en de dading. Ook de bewerking van C. Assers in 1885 begonnen Handleiding tot de beoefening van het Nederlands burgerlijk recht te weten het gedeelte handelende over de verbintenis in het algemeen, was zelfstandig en van wezenlijke betekenis. De in 1939 verschenen eerste aflevering werd terecht door velen geprezen en voortreffelijk genoemd omdat daarin een der moeilijkste onderdelen van het burgerlijk recht op heldere wijze wordt uiteengezet. Wegens gezondheidsredenen heeft Losecaat Vermeer de voltooiing van dit werk overgedragen aan L.E.H. Rutten.

Behalve bij bewerkingen van juridische handboeken, was hij actief als redacteur van het Weekblad van het Recht (sinds 1916) en de Nederlandse Jurisprudentie (1917) en als secretaris-penningmeester van de Nederlandse Juristen Vereniging waarvoor hij in 1928 een preadvies uitbracht naar aanleiding van de vraag: 'Voldoet de tegenwoordige regeling van het pandrecht aan de behoeften van het verkeer? Zoo neen, welke wijzigingen en aanvullingen zijn dan gewenscht?' (Handelingen der Ned. Jur. Ver. 58 (1928) 1-63). In dit preadvies bracht hij onder meer bezwaren naar voren tegen de niet in de wet geregelde maar in de praktijk voorkomende en sedert 1929 door de rechtbank gesanctioneerde zogenaamde eigendomsoverdracht tot zekerheid.

P: Behalve de in de tekst genoemde: Over de schijn in het privaatrecht (Zwolle, 1939). Tekstuitgaven onder zijn toezicht in de editie Schuurman en Jordens van o.a. het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Koophandel, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van Strafvordering.

L: Gedenkboek van het Atheneum en de Universiteit van Amsterdam 1632-1932 (Amsterdam, 1932) 630-631; J.C. van Oven, in Nederlands Juristenblad 31 (1956) 40.

L.E. van Holk


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013