Loudon, jhr. John (1866-1955)

 
English | Nederlands

LOUDON, jhr. John (1866-1955)

Loudon, jhr. John, minister van Buitenlandse Zaken en diplomaat ('s-Gravenhage 18-3-1866 -Wassenaar 11-11-1955). Zoon van jhr. James Loudon (verheven in de Ned. adel bij KB 18-2-1884 no. 19), gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië, en jkvr. Louise Wilhelmine Françoise Félicité de Stuers. Gehuwd sinds 30-1-1906 met Lydia Edith Eustis. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

afbeelding van Loudon, jhr. John

Loudon heeft - na het gymnasium in Den Haag te hebben doorlopen - te Leiden de rechtenstudie gevolgd en afgesloten met een proefschrift, getiteld De "drie" regelen van het tractaat van Washington (Leiden, 1890). Bij dit tractaat, dat op 8 mei 1871 tussen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië was gesloten, waren regels vastgesteld omtrent de neutraliteitsplichten, die onzijdige staten voortaan in acht hadden te nemen bij de uitrusting van en de levering aan oorlogsvaartuigen van belligerenten. Uit Loudons in zijn proefschrift blijkende belangstelling voor dit zo belangrijke tractaat spreekt reeds diens voorliefde voor studie van het volkenrecht, in het bijzonder van het neutraliteitsrecht, waarmee hij in de jaren van de Eerste Wereldoorlog voortdurend zou worden geconfronteerd.

Loudon begon zijn veelzijdige carrière in de diplomatieke dienst als zaakgelastigde te Rome (1895-1899). Na een korte onderbreking als kabinetschef van de minister tot 1902 vervulde hij opnieuw de functie van zaakgelastigde, ditmaal te Peking, Londen en Parijs, om vervolgens van 1905 tot 1913 als gezant in Tokyo en Washington werkzaam te zijn.

In 1913 volgde zijn benoeming tot minister van Buitenlandse Zaken in het Kabinet-Cort van der Linden (1913-1918). Zowel zijn tijdgenoten te Leiden (bijv. mr. August Philips, de latere gezant in Washington) als degenen, die sedertdien met hem in aanraking kwamen (zoals de bankier C.E. ter Meulen en Ernst Heldring) stemmen overeen in hun oordeel over Loudon: 'affabel, fatsoenlijk en niet onkundig, maar slap' (Philips); 'beminnelijk en eerlijk, maar niet zeer kundig en slof (Ter Meulen en Heldring). Zijn kundigheid bleek uit zijn kennis van het neutraliteitsrecht en bij de praktische toepassing daarvan, zijn tekortkoming school vooral in een gebrek aan leiderscapaciteiten, waardoor hij zijn departement niet in de hand had, integendeel zelf aan de leiband liep van twee zijner ambtenaren, nl. voor de volkenrechtelijke vraagstukken van D.W. baron Van Heeckeren, voor de economische zaken van jhr. A.M. Snouck Hurgronje.

Belligerenten van beide zijden prezen Loudon om zijn oprechtheid en tegelijk misprezen ze hem om zijn slapheid. Men roemde zijn grote charme en volstrekte oprechtheid, doch miste in hem een krachtige persoonlijkheid. Tegen echt politieke verwikkelingen rond de neutraliteit bleek Loudon niet opgewassen. De Duitse gezant Friedrich Rosen meende er zich over te kunnen beklagen, dat Loudon bijna nooit van de stand van een zaak op de hoogte was.

Loudon was op zijn best bij het opstellen van protestnota's tegen door de belligerenten jegens Nederland begane inbreuken op het geldend volkenrecht. Dan gevoelde hij zich in zijn element en redigeerde hij in zijn karakteristieke puntige handschrift protesten, die als ware modellen kunnen gelden van diplomatieke stijl. Sedert het begin van de oorlog nam Loudon stelling tegen rechtskrenkingen der belligerenten, zo dikwijls Nederlandse belangen daarbij rechtstreeks waren betrokken. Bij de geallieerden protesteerde hij vooreerst tegen inbreuken op het recht der vrije vaart in de vrije zee; verder toen dezen in maart 1915 de sedert 1856 algemeen aanvaarde rechtsregel vrij schip, vrij goed opzij hadden gezet door de aanvoer van andere goederen dan contrabande, op neutrale schepen aangevoerd, neembaar te verklaren. Bij Duitsland protesteerde hij steeds tegen de wijze, waarop dit de duikbootoorlog voerde door vernietiging van neutrale schepen inzonderheid wanneer daarbij de voorzorgen voor de veiligheid der opvarenden niet in acht waren genomen.

Aanvankelijk heeft Loudon overwogen met de overige neutralen eendrachtig front te maken tegen de belligerenten. Hij is daarop evenwel spoedig teruggekomen, vooral nadat de Verenigde Staten daarvoor weinig bleken te gevoelen. De belangen van de machtigste staat onder de neutralen verschilden immers te veel van die der kleine mogendheden, wier moeilijkheden ook onderling te zeer verschilden. Zo zag Loudon zich wel gedwongen voor Nederland een eigen aparte neutraliteitspolitiek te voeren. In die politiek geloofde hij als een evangelie. Hij verloor daarmee uit het oog dat een doctrinair vasthouden aan dit beleid juist het gevaar kon opleveren, dat Nederland bij de oorlog betrokken zou geraken. Toen dan ook tot tweemaal toe dit gevaar zeer nabij was gebracht, nam Cort van der Linden ten slotte zelf het heft in handen. De eerste keer werd de toestand zeer dreigend, toen in april 1917 Nederland krachtens strikte regels van het neutraliteitsrecht twee Duitse duikboten had geïnterneerd, die door de schuld der betrokken commandanten het Nederlandse rechtsgebied waren binnengevaren. De Admiralsstab - Duitsland had per 1 januari 1917 juist de onbeperkte duikbootoorlog geproclameerd - drong op vrijlating dezer duikboten aan en toen Loudon voet bij stuk hield, raakte de verhouding gespannen.. De Admiralsstab zou het recalcitrante Nederland het liefst hebben uitgeschakeld. Nederland heeft toen dichter bij de oorlog gestaan dan op enig ander moment tijdens de oorlog. Dat het niet zover is gekomen, is te danken geweest aan Cort van der Linden, die het incident wist te liquideren door aan de Duitse eisen tegemoet te komen. In april 1918 raakte Nederland opnieuw met Duitsland in moeilijkheden, toen Loudon ook thans onwrikbaar aan de handhaving van het neutraliteitsrecht vasthield, ditmaal inzake de doorvoer van zand en grint uit Duitsland naar België over onze waterwegen. Toen dus wederom een gewapend optreden van Duitsland tegen Nederland viel te vrezen, greep Cort van der Linden andermaal in door buiten Loudon om een akkoord te bereiken.

In 1919 werd Loudon gezant te Parijs, waar hij tot aan de Duitse bezetting van Frankrijk in 1940 is werkzaam gebleven. In die jaren trad hij ook op als eerste gedelegeerde van Nederland bij de Assemblee van de Volkenbond. Verder was hij in 1921 voorzitter der Transitconferentie te Barcelona, in 1925 van de voorbereidende commissie voor de ontwapeningsconferentie en herhaaldelijk ook van conciliatiecommissies.

Na de capitulatie van Frankrijk in 1940 keerde Loudon naar Nederland terug en vestigde zich daar als ambteloos burger.

A: Particulier archief-Loudon in archief van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

L: Bescheiden betreffende de buitenlandse politiek van Nederland 1848-1'919. Derde periode, 1899-1919. Uitg. door C. Smit ('s-Gravenhage, 1962-1974) IV, V, VII, VIII, (R.G.P. no's 109, 116, 117, 137, 145, 146); Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring (1871-1945). Uitg. door Joh. de Vries (Groningen, 1970) I, 220, 335, 339; Friedrich Rosen, Aus einem diplomatischen Wanderleben (Wiesbaden, 1959) III, IV, passim; C. Smit, Nederland in de Eerste Wereldoorlog (Groningen, 1971-1973) I, II, III, passim.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 950.

C. Smit


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013