Lugt Melsert, Cornelis Dirk van der (1882-1969)

 
English | Nederlands

LUGT MELSERT, Cornelis Dirk van der (1882-1969)

Lugt Melsert, Cornelis Dirk van der, toneelspeler en -leider (Rotterdam 4-7-1882 -'s-Gravenhage 16-8-1969). Zoon van Martinus Adrianus van der Lugt Meisen, toneelspeler, en Wilhelmina Louisa Jacoba Jans. Gehuwd met 1. Judith Drabbe, uit welk huwelijk (gesloten 27-6-1907, door echtscheiding ontbonden 14-8-1919) 1 dochter werd geboren; 2. Johanna Martina van Ees, toneelspeelster (gesloten 15-9-1919); uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. afbeelding van Lugt Melsert, Cornelis Dirk van der

Na de dood van zijn moeder kwam hij op vijftienjarige leeftijd te Amsterdam in huis bij zijn zuster en zwager, het toneelspelersechtpaar Wilhelmina en Adriaan van der Horst, beiden verbonden aan de Nederlandsche Tooneelvereeniging. Daar debuteerde hij in een kleine rol op 16-3-1898. Onderwijl werden de lessen gevolgd aan de Toneelschool die hij in 1902 met diploma verliet. Zijn eerste rol van betekenis was Barend in Op hoop van zegen (Heijermans). Van 1906-1914 was hij werkzaam bij het Rotterdamsch Tooneelgezelschap (directie: P.D. van Eysden), van 1914 tot 1917 in Den Haag bij De Haghespelers (directie: Eduard Verkade). In 1917 werd door hem aldaar het Hofstad-Tooneel opgericht dat in 1920 uitgebreid werd tot het Vereenigd Rotterdamsch-Hofstadtooneel. Vanaf 1938 leidde hij het Nederlandsch Tooneel te Amsterdam dat in 1942 vervangen werd door het Gemeentelijk Theaterbedrijf waarvan hij tot 1944 intendant was. Het Nederlandsch Toneel heeft na de oorlog, maar toen als ongesubsidieerd gezelschap, nog één seizoen (1947-1948) onder zijn leiding bestaan. Van 1948 tot 1966 was hij toneelrecensent van Elseviers Weekblad. In 1949 verschenen zijn memoires onder de titel Wat ik nog even zeggen wou.

Grootgebracht in de tijd van het psychologisch realisme heeft Van der Lugt Melsert zich altijd aangetrokken gevoeld door 'het verinnerlijkte, eenvoudig, ware komedie spelen' (Wat ik nog even zeggen wou, 136/7). Hij vond dat slechts onopzettelijk lijkend toneelspelen in staat is zuivere ontroering bij de toeschouwers op te wekken en dat het hun moest voorkomen 'of de toneelspeler vergeet dat hij op het toneel staat'. Natuurlijk betekende dit niet dat ook de speler zelf dit vergeten mocht (ibidem, 130/1). Zijn kunst van het weglaten, zijn verstilling, zijn zachte doch daardoor juist dwingende stem hebben tot onvergetelijke creaties geleid. Als regisseur was het hem vooral te doen om het treffen van de door de auteur gewilde toon en sfeer. Zijn repertoire getuigde van durf. Er behoorde moed toe om in 1919 in Nederland Lente (Frühlings Erwachen) van Wedekind uit te brengen, en in de jaren dertig anti-nazistische stukken te monteren (Rassen van Bruckner, De witte ziekte van Capek). Ook het successtuk Boefje (naar M.J. Brusse bewerkt door J. van der Poll), had een duidelijke, sociale strekking. Bij de klassieken (Julius Caesar, Wilhelm Tell, Don Carlos) ging het hem niet alleen om het historisch vertoon, maar ook om de vergelijkbaarheid met de eigen tijd. Uiteraard heeft hij ook voorzien in de behoefte van het publiek aan een gezellige avond door society-blijspelen van Coward, Guitry, Lonsdale, Molnár e.a. Zijn werk als toneelleider kreeg een extra dimensie door zijn belangstelling vóór en zijn stimulering van het Nederlandstalige toneel in zijn tijd. Er ging geen seizoen voorbij of er werden stukken van (levende) Nederlandse auteurs gegeven: Van Ammers-Küller, Broedelet. Van Eden, Emants, Van Eysselsteijn, Fabricius, Feith, Jan de Hartog, Ary den Hertog, A.M. de Jong, Kalf, Koster, Mijnssen, Ouwendijk, Ranucci-Beckman, Roelvink, Van Rossem, Rutten, Simons-Mees, Alie Smeding, Van Suchtelen, Timmermans, Eduard Veterman, Maurits Wagenvoort, Yssel de Schepper-Becker. En dit alles voltrok zich met geen of weinig subsidie van hogerhand en zonder dat hij ooit failliet ging. Vandaar dat enkelen hem als 'koopman' doodverfden en hem, het doublure-systeem verweten (het spelen op één avond door twee afdelingen van het gezelschap op twee plaatsen). Zij hielden geen rekening met het voortreffelijke, goed afgewerkte, interessante en gevarieerde repertoire.

Na de oorlog werd hij door een ereraad - omdat hij zonder voorafgaand overleg met zijn spelers en de vertrouwensmannen van het kunstenaarsverzet in 1942 de Amsterdamse burgemeester Voûte van het plan der toneelspelers om te weigeren lid van de zg. Kultuurkamer te worden, op de hoogte had gebracht én omdat hij zijn medewerkers dringend geadviseerd had van die weigering af te zien -aanvankelijk tot twee, later tot één jaar schorsing veroordeeld. Het eerste vonnis werd door prof. E.M. Meijers 'een groote onrechtvaardigheid' genoemd (ibidem, 228). Hoewel kritiek op zijn gedrag mogelijk is, is de zwaarte van het vonnis bepaald door de naoorlogse emotionele sfeer waarin de ereraden werkten, Wellicht hebben in dit geval ook afgunst en beroepsnijd meegespeeld. Vast staat dat hij nooit meegewerkt heeft aan de zg. 'Frontzorg'-opvoeringen eind 1943. Hij was o.a. erelid van de Nederlandse Vereniging van Toneelschrijvers.

P: Kantteekeningen uit de practijk ('s-Gravenhage, 1929); Wat ik nog even zeggen wou (Maastricht, 1949); Raad voor Rederijkers. "Het a.b.c. van het toneelspelen" (Maastricht, [1955]).

Belangrijkste rollen: 'Prins Spiridio' (Multatuli, Vorstenschool) ; 'Willem Bijlevoorde' (Fabricius, Eenzaam) ; 'Hans' (Halbe, Jeugd); 'Armand Duval' (Dumas, Marguerite Gauthier); 'Prinzivalle' (Maeterlinc. Monna Vanna) ; 'Napoleon' (Sardou, Madame Sans-Gêne) ; 'Stefan Barna' (Molnár, De blauwe oogen van den keizer) ; 'Dr. Rank' (Ibsen, Nora) ; 'Koning Magnus' (Shaw, De keizer van Amerika) ; 'Koning Philips' (Bruckner, Elisabeth van Engeland) ; 'Wilhelm Tell' (Schiller, Wilhelm Tell) ; 'Dr. Larsen' (Heijermans, Het kind) ; "Die", clown in het circus Briquet (Andrejev, De man die de klappen krijgt) ; 'Clausen' (Gerhart Hauptmann, Voor zonsondergang); 'Pater Malachius' (Doherty, Pater Malachius' mirakel) ; 'Balthazar, een herder' (Daudet, L'Arlésienne) ; 'Joris Kuiper, kapitein' (Jan de Hartog, Schipper naast God).

L: Joh.W. Broedelet, Tien tooneel-portretten (Den Haag, [1926]) 33-43; Jan Feith, Bij 't afscheid. ..? (Voorburg, 1938); B. Hunningher Een eeuw Nederlands toneel (Amsterdam, 1949); Ben van Eysselsteijn, 'Cor van der Lugt Melserts Hofstadtoneel', in Facetten van vijftig jaar Nederlands toneel 1920-1970 (Amsterdam, 1970) 35-45; J.W. Mulder, Kunst in crisis en bezetting (Utrecht [enz-, 1978]).

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 957.

H.H.J. de Leeuwe


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013