Man, Johannes Govertus de (1850-1930)

 
English | Nederlands

MAN, Johannes Govertus de (1850-1930)

Man, Johannes Govertus de, zoöloog (Middelburg 2-5-1850 - Middelburg 19-1-1930). Zoon van Jan Cornelis de Man, arts en docent in de anatomie aan de Geneeskundige School te Middelburg, en Neeltje Elisabeth Kamerman. Hij was ongehuwd. afbeelding van Man, Johannes Govertus de

De Man doorliep de lagere en de zg. Franse school te Middelburg (1855-1861) en bezocht gedurende vier jaar het gymnasium aldaar. Hij voleindigde zijn studie niet, doch deed in 1867 het staatsexamen dat hem toegang tot de universiteit verschafte. Na het behalen van dit examen volgde hij nog gedurende een jaar de 4e klasse van de Rijkshogereburgerschool te Middelburg, om zich, in verband met zijn gekozen studie, vooral in de natuurwetenschappelijke vakken te bekwamen. Op 29 september 1868 werd hij student in de wis- en natuurkunde aan de Rijksuniversiteit te Leiden en deed zijn examens in een vlot tempo (kandidaatsexamen op 25 januari 1871 en doctoraal op 10 mei 1872). Zijn hoofdvak was dierkunde en zijn voornaamste leermeester de Duitse zoöloog Emil Selenka, die van 1868 tot 1874 hoogleraar in de zoölogie te Leiden was. Selenka, die slechts acht jaar ouder was dan De Man, was een zeer inspirerend leermeester, die ook grote invloed uitgeoefend heeft op de ontwikkeling van het onderwijs in de zoölogie te Leiden, ondanks het feit dat hij reeds in 1874 Leiden verliet om een beroep in Erlangen aan te nemen. Gedurende het zomersemester van 1872 werkte De Man in Leipzig onder de bekende zoöloog Rudolph Leuckart.

Op 16 oktober 1872, nadat hij uit Leipzig teruggekeerd was, werd De Man benoemd tot eerste assistent bij de afdeling ongewervelde dieren (non Insecta) van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden, tijdens het directoraat van H. Schlegel. Ondertussen bereidde hij zijn dissertatie voor en promoveerde 29 september 1873 te Leiden op een proefschrift getiteld Vergelijkende myologische en neurologische studiën over amphibiën en vogels - promotor was E. Selenka. Op 1 juni 1875 volgde De Man C.K. Hoffmann bij het Rijksmuseum op als conservator van de ongewervelden. Hoewel De Man gepromoveerd was op een vergelijkend anatomisch onderzoek van Vertebraten (gewervelde dieren), concentreerde hij zijn aandacht daarna volledig op de systematiek der Evertebrata (ongewervelde dieren), vooral op die der wormen en Crustacea (kreeftachigen). Van de wormen waren het in het begin vooral de Turbellaria (trilhaarwormen), later uitsluitend de vrijlevende Nematoden (draadwormen) die De Mans interesse hadden. Bij de Crustacea waren het de orden Decapoda (tienpootkreeften) en Stomatopoda (bidsprinkhaankreeften) waarin hij zich specialiseerde. Tot aan zijn dood zou De Man zich geheel aan de studie van de vrij levende Nematoda, Decapoda en Stomatopoda wijden. Van deze drie groepen werd hij de alom erkende autoriteit, wiens hulp zeer vaak ingeroepen werd door binnen- en buitenlandse zoölogen en zoölogische instellingen.

Tijdens zijn conservatorschap aan het Leidse Museum maakte De Man twee grote studiereizen. Van januari tot mei 1876 bezocht hij het Zoölogisch Station te Napels, waar hij onderzoekingen verrichtte aan Nematoïde wormen, een onderzoek dat na zes weken onderbroken werd doordat De Man een zware tyfusaanval te verduren kreeg. Van oktober 1881 tot juni 1882 werkte hij in Erlangen bij zijn oude leermeester Selenka, waar hij, in samenwerking met C. Bülow, een monografische bewerking van de Sipunculide wormen verzorgde.

Op 1 november 1883 verkreeg De Man op zijn verzoek eervol ontslag als conservator van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden. Zijn slechte gezondheidstoestand was de officiële reden voor dit verzoek, doch zijn niet optimale relatie met de directeur Schlegel en wellicht ook met zijn collega's, zullen mede tot deze stap hebben bijgedragen. Het feit dat de ouders van De Man niet onbemiddeld waren maakte dat het neerleggen van zijn ambt voor hem geen groot financieel offer betekende. Hij keerde naar de ouderlijke woning in Middelburg terug, waar hij rustig doorging met zijn onderzoekingen. Na tien jaar hier gewoond te hebben verhuisde De Man in 1893 naar Yerseke waar hij een huis naar zijn eigen smaak liet bouwen en de ruimte had om zijn studies voort te zetten. Hier woonde hij tot aan zijn dood in 1931.

De Man had de gave zich geheel op een beperkt onderwerp te kunnen concentreren. Dit blijkt al uit het feit dat, toen zijn functie aan het Museum hem noodzaakte zijn aandacht aan Evertebrata te geven, hij dit ook consequent deed: nadat hij in 1874 een Franse vertaling van zijn proefschrift verzorgd had, publiceerde hij niet meer over Vertebrata met uitzondering van twee kleine populaire artikeltjes over de mol. Hij publiceerde in totaal ca. 45 artikelen en boeken over Nematoda en 109 over Decapode en Stomatopode Crustacea. De Man bewerkte veel Nederlandse en buitenlandse verzamelingen, zoals de Decapoden van de Mergui Archipel uit het Indian Museum te Calcutta, uitgebreide collecties uit de Indische Archipel van de Musea te Amsterdam, Göttingen, Frankfurt, Lübeck enz. Zijn belangrijkste werk op carcinologisch gebied was echter de bewerking van de Decapoda Macrura (garnalen en kreeften) door de 'Siboga Expeditie' (1899-1900) in de oostelijke Indische Archipel verzameld. In een serie monografieën legde De Man niet alleen de resultaten van dat onderzoek vast, doch gaf tevens een totaal overzicht van alle bekende soorten der door hem bewerkte groepen. Hierdoor werden zijn geschriften van meer dan lokaal belang en zijn deze nog steeds onmisbaar voor elke carcinoloog die in Decapoda Macrura geïnteresseerd is. Ook het feit dat De Man in vele gevallen determineertabellen tot op de genera en soorten verschafte, maakt zijn werk uiterst bruikbaar. Hoewel De Man zijn meeste aandacht gaf aan de kreeftachtigen van het Indo-West Pacifische gebied, publiceerde hij ook, zij het in mindere mate, over de carcinologie van andere werelddelen (West-Afrika, Europa). De Nederlandse Decapoden fauna had niet zijn speciale aandacht. Heel anders was dit bij de vrij levende Nematoden, hier betrof het overgrote deel van zijn onderzoekingen de Europese fauna en vooral die van Nederland, de Noordzee en aangrenzende zeeën.

De Mans publikaties zijn van uitermate hoog wetenschappelijk gehalte. De beschrijvingen zijn minutieus en uiterst gedetailleerd, geïllustreerd met eigen tekeningen die door duidelijkheid en zorgvuldige uitvoering vaak ware meesterwerkjes zijn.

De Man had een wat verlegen, teruggetrokken natuur. Hij ging geheel in zijn werk op en had vrijwel geen ander contact dan met zoölogen die in dezelfde groepen geïnteresseerd waren; aangezien de meesten van hen buitenlanders waren, was de relatie vooral schriftelijk. Na zijn conservatorschap in Leiden vervulde hij geen openbare functies meer, behalve die van honorair conservator aan het Museum van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen te Middelburg (1909 tot 1918). Mensenschuw - zoals vaak beweerd werd - was hij stellig niet, hetgeen met name bleek uit de prettige ontvangst van zoölogen die hem bezochten en zijn goede relatie met vissers van Yerseke. Bij zijn dood liet De Man zijn rijke zoölogische bibliotheek en het grootste deel van zijn wetenschappelijke collectie na aan het Zoölogisch Museum te Amsterdam, het overige deel van zijn verzameling legateerde hij aan het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden.

P: Een volledige lijst van publikaties in onder L genoemd werk.

L: W.S.S. van Benthem Jutting, in Biologisch Jaarboek Dodonaea 18 (1951) 130-259.

I: Gerrit Karssen, Life and work of Dr. Johannes Govertus de Man (1850-1930). A Crustacea and Nematoda specialist (Leiden 2006) afbeelding na titelblad [De Man in 1896].

L.B. Holthuis


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013