Marchant, Hendrik Pieter (1869-1956)

 
English | Nederlands

MARCHANT, Hendrik Pieter (1869-1956)

Marchant, Hendrik Pieter, politicus en minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (Deventer 12-2-1869 - 's-Gravenhage 12-5-1956). Zoon van Carel Anthonij Marchant, officier van justitie te Deventer, en Apollonia Jacoba van der Horst. Huwde op 10-8-1901 met Sara Maria Magdalena Rambonnet. Er waren geen kinderen. afbeelding van Marchant, Hendrik Pieter

Marchant ging in 1888 te Leiden rechten studeren; promoveerde daar in 1894 op het proefschrift Begrip en gevolg van belediging in het burgerlijk recht. In het zelfde jaar vestigde hij zich als advocaat en procureur in zijn geboorteplaats. In 1897 kwam hij in de gemeenteraad van Deventer en in 1899 werd hij wethouder van financiën. Bij een tussentijdse verkiezing in 1900 koos het district Deventer hem voor de Radicale Bond tot lid van de Tweede Kamer; hij bleef dat tot in 1933. In 1901 behoorde hij tot de oprichters van de Vrijzinnig-Democratische Bond. Van 1905-1908 was hij voorzitter van de partij en vanaf 1916 voorzitter van de Tweede-Kamerfractie. Hij verhuisde in 1901 naar Den Haag, waar hij zijn advocatenpraktijk voortzette, in 1923 in de gemeenteraad terecht kwam en sedert 1931 wethouder van onderwijs was. In 1933 werd hij minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.

Marchant was strijdvaardig, ja militant van aard en beschikte over een zeer sterk ontwikkelde kritische geest. Bestreed hij hem onwelgevallige personen of kwamen hem zaken ongerechtvaardigd voor, dan ging hij door dik en dun en liet hij weinig overeind. In het debat was hij gevreesd en hij bleef in de meeste gevallen heer en meester; zijn betoog was helder, vlijmscherp en geestig, badinerend. In de bestrijding stelde hij zich echter vaak eenzijdig op; hij besefte zelden dat een zaak verschillende kanten kon hebben. Veranderde hij van inzicht, dan was hij spoedig vergeten dat hij kort daarvoor er anders over had gedacht. Reeds aan de politieke loopbaan van Marchant is het duidelijk te zien, welke leidende positie hij innam in en voor de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB). Zijn langdurig kamerlidmaatschap leidde ertoe, zeker toen hij ook nog voorzitter van de Tweede-Kamerfractie werd, dat hij zijn stempel op de partij kon drukken. Als publicist voor zijn politieke streven was hij evenzeer van den beginne af aan zeer actief. Voor de tijdschriften van de partij Vragen des Tijds en De Opbouw schreef hij vanaf 1911 staatkundige kronieken; bovendien behoorde hij tot de redactie van beide. Ook aan het weekblad De Vrijzinnig-Democraat leverde hij regelmatig bijdragen. Zijn grote verdienste voor de partij was hierin gelegen dat hij de partij, waarvan aanvankelijk alleen op intellectuelen aantrekkingskracht uitging, dichter bij het kiezerscorps bracht. Zijn optreden binnen de partij was vaak zo dominerend dat men hem niet zelden de generaal noemde, hetgeen hem streelde!

Het hoofdstreven van de VDB en daarmee van Marchant richtte zich op een doorbreking van de bestaande partijverhoudingen. Na de grondwetsherzieningen van 1917, waarbij de financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs een feit was geworden, en van 1922 had de antithese volgens de vrijzinnig-democraten geen enkele bestaansgrond meer; deze moest vervangen worden door een samenwerking van groepen aan beide zijden van de oude scheidslijn op basis van een democratisch programma; hieruit vloeide logischer wijze voort, dat de SDAP deel moest kunnen hebben aan de regering. De vrijzinnig-democraten voerden steeds een vijftal bezwaren aan tegen de rechtse coalitie van de emancipatiepartijen: de eigen verlangens van elke der samenwerkende partijen werden niet behartigd; de handhaving van het recht en de versterking van het rechtsbewustzijn werden met voeten getreden; op financieel terrein werden de bezitters van grote inkomens bevoordeeld; de zeggenschap van de economische machthebbers in de maatschappij werd erdoor versterkt; en ten slotte, per jaar werden honderd miljoen gulden besteed aan voor het merendeel ondoelmatige militaire uitgaven.

Het hoogtepunt in de strijd tegen de rechtse coalitie vormde de val van het eerste kabinet-Colijn in november 1925. Bij de behandeling van de begroting voor Buitenlandse Zaken in de Tweede Kamer diende ds. Kersten van de Staatkundig Gereformeerde Partij een motie in tot schrapping van het krediet voor het gezantschap bij het Vaticaan. Omdat de fractie van de Rooms-Katholieke Staatspartij bij aanneming van de motie tegen de begroting zou stemmen en daarmee het voortbestaan van de coalitie in de weegschaal stelde, steunde Marchant de motie. Het kabinet viel, maar het lukte Marchant niet om uit deze situatie voldoende vruchten te plukken. Een formatiepoging van hem om te komen tot samenwerking tussen katholieken, socialisten en vrijzinnig-democraten strandde op de weigerachtigheid van de katholieken: samenwerking met de socialisten kon alleen 'bij uiterste noodzaak' plaatsvinden en men achtte die noodzaak in 1925 niet aanwezig.

Marchant is wel eens vergeleken met de Franse staatsman Clémenceau, de 'tijger', bijtend van sarcasme, een ware 'tombeur de ministres'. Deze laatste kwalifikatie doet Marchant in zoverre recht dat hij vanuit zijn anti-militaristische houding vooral de ministers van Oorlog de voet dwars zette. Tijdens het ministerie-De Meester (1905-1908) drong hij voortdurend aan op bezuinigingen. In 1917 wist hij de minister van Oorlog Bosboom tot aftreden te dwingen. Na de Eerste Wereldoorlog betoogde Marchant bij herhaling dat men met de militaire verdediging niet op de oude voet moest doorgaan. Een pauze in de bewapening zou niet gevaarlijk zijn, omdat bij de algemene uitputting een hernieuwing van de oorlog voorlopig was uitgesloten. Bij de behandeling van de oorlogsbegroting in 1919 wenste Marchant de militaire uitgaven aanzienlijk verlaagd te zien; alleen die uitgaven zou hij kunnen goedkeuren, die nodig waren om de dienst gaande te houden. Hij wist deze begroting op zo veel punten besnoeid te krijgen dat de minister van oorlog Alting van Geusau aftrad. In 1922 bepleitte hij beperking tot grensverdediging en in oktober 1923 hielp hij mee de vlootwet te verwerpen. In november 1924 verving de VDB de militaire paragraaf door het beginsel van de nationale ontwapening met inachtneming van de verplichtingen van Nederland als lid van de Volkenbond: Nederland had slechts te zorgen voor een lichamelijk goed geoefende troep met eenvoudige bewapening, alleen bestemd voor politiediensten. Bij de behandeling van de begroting voor Buitenlandse Zaken in december 1924 pleitte Marchant dan ook voor de afschaffing van een zelfstandige oorlogsweermacht. Pas in 1936 zou de VDB de ontwapeningsparagraaf intrekken.

Op een ander gebied behaalde Marchant klinkende successen, namelijk op dat van het vrouwenkiesrecht. Dat recht beschouwde hij als een gebiedende eis van de democratie. Dat zijn initiatief in september 1918 om het algemeen vrouwenkiesrecht in te voeren zo snel resultaat zou opleveren, lag mede aan de geest van die tijd. Vooral na Troelstra's revolutiepoging was de sfeer rijp voor belangrijke sociale hervormingen. Toen de regering liet weten op een spoedige behandeling van Marchants voorstel prijs te stellen, werd het zonder veel tegenstand in het parlement aangenomen; het algemeen vrouwenkiesrecht kwam in 1922 in de grondwet. Van het radicale feminisme moest Marchant overigens weinig hebben.

In mei 1933 nam Colijn twee vrijzinnig-democraten in zijn kabinet op: mr. P.J. Oud als minister van Financiën en Marchant als minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Marchants bewind, dat geheel in het teken van de bezuiniging stond, was minder gelukkig. Het ontbrak hem aan voldoende tact en bovendien liet hij vrijwel alles, op enkele zaken na die zijn bijzondere belangstelling hadden, over aan zijn directeur-generaal, prof.mr. G.A. van Poelje, die hij had meegenomen van het Haagse stadhuis, waar Van Poelje zijn belangrijkste medewerker was geweest. Zo ontstond er een te grote afstand tussen hem en zijn ondergeschikten, waardoor hij van een veelzijdige voorlichting verstoken bleef. Hij stootte dan ook vaak op felle oppositie in het parlement en op den duur ondervond hij zelfs van de kant van zijn eigen partij weerstand.

Het zou hem nog lang kwalijk genomen worden dat hij in het kader van de door de bezuiniging opgelegde concentratie van scholen de openbare scholen onmiddellijk aanpakte en de bijzondere scholen aanvankelijk ongemoeid liet. In de kwestie van de gehuwde onderwijzeres kreeg hij van alle kanten het verwijt te handelen in strijd met het voornemen van het kabinet om het scheppen van tegenstellingen te vermijden: de rechterzijde wilde tot groot ongenoegen van links in 1933 de gemeenten verplichten een onderwijzeres, die ging huwen, te ontslaan; Marchant vroeg het initiatief in deze aan de regering te laten, maar kwam zelf een jaar later met het voorstel.

Ook in zijn plannen tot vereenvoudiging van de spelling was Marchant niet al te gelukkig. Onder het motto 'niet zoo, maar zo' deed hij een krachtige poging om op spellinggebied eenheid te scheppen. Doordat men reeds enige malen had geprobeerd de spelling van De Vries en Te Winkel te vereenvoudigen, was de uniformiteit in de schrijftaal ver te zoeken. De belangrijkste veranderingen in de door Marchant voorgestelde spelling bestonden hierin dat er gebroken zou worden met de buigingsuitgang-n, dat de dubbele ee en oo in open lettergrepen zouden verdwijnen en dat de ch alleen nog maar daar geschreven zou worden waar men deze ook uitsprak. Deze spelling, die grotendeels werd overgenomen in de in 1947 wettelijk vastgestelde spelling, werd echter van protestantse, katholieke en liberale zijde in de Tweede Kamer zo hevig aangevallen dat Marchant genoegen moest nemen met het compromis dat zijn spelling alleen verplicht zou zijn bij examens op scholen, terwijl in een aantal gevallen de uitgang-n gehandhaafd zou blijven. Ook buiten de Kamer ontmoette Marchant felle kritiek, vooral van de kant van de Leidse hoogleraar Huizinga.

Inmiddels was het opgevallen dat Marchant -van huis uit Nederlands-Hervormd - in redevoeringen bij publieke gebeurtenissen meningen verkondigde die nauw aansloten bij de katholieke overtuiging omtrent ethische, esthetische, pedagogische en historische vraagstukken. Na Pasen 1935 begonnen geruchten de ronde te doen over een eventuele overgang van hem naar het katholieke geloof en kort daarop maakte Marchant zelf bekend dat hij zich reeds in december 1934 had laten dopen. Hij had gezwegen omdat hij zowel de regering als zijn partij zo lang mogelijk de moeilijkheden wilde besparen die logischerwijs uit zijn stap zouden voortvloeien. Politieke consequenties van zijn daad zag hij voor zichzelf eigenlijk niet; de VDB liet immers haar leden vrij in de geloofsovertuiging. Toen de partijleiding hem echter verzocht op de geruchten te reageren, vatte hij dit op als in strijd met de partijbeginselen en bedankte hij voor het lidmaatschap. Dit bedanken en zijn overgang naar het katholieke geloof brachten Colijn ertoe hem te adviseren als minister ontslag te nemen: hij zou anders in het parlement een oppositie tegenover zich vinden, die door allerlei motieven gedreven een meerderheid zou blijken. Tegelijkertijd had Oud laten weten dat hij zou opstappen, als Marchant deel bleef uitmaken van het kabinet.

Waarom was Marchant katholiek geworden? Het begin van dat proces lag zoals Marchant later zelf heeft meegedeeld, in zijn studententijd. Hij was opgegroeid in de sfeer van het positivisme, dat hem echter steeds minder bevredigde. De mogelijkheid tot zoeken naar groter bevrediging nam toe, zodra hij als minister ambtelijk met de katholieke wereld in aanraking kwam. De steeds manifester wordende negativiteit van het communisme en het nationaal-socialisme deed hem spoedig in het katholicisme de enige positieve tegenkracht zien.

Na zijn ontslag als minister verliet Marchant definitief het politieke toneel. Hij bleef echter van zich doen horen in woord en geschrift. Hij trad op als verdediger van het katholieke geloof en wees voortdurend op de gevaren van het nationaal-socialisme. In Een staatkundige epidemie. Het ziektebeeld van het Dietse nationaal-socialisme ('s-Hertogenbosch, 1936) en De zelfmoord der kiezers (Den Haag, 1937) ging hij op zijn bekende, onbarmhartige wijze de NSB te lijf.

Na de Tweede Wereldoorlog behoorde Marchant tot de uiterst rechtse katholieken. In o.a. De Maasbode oefende hij veel kritiek uit op het regeringsbeleid. Met het kabinet-Schermerhorn raakte hij in een hevig conflict, omdat dit de statuten van de stichting 'De Hooge Veluwe', waarvan hij in april 1935 medeoprichter en sindsdien voorzitter was, wilde handhaven in de gewijzigde vorm die de Duitsers in 1942 daaraan hadden gegeven; Marchant was daarbij als voorzitter uitgesloten. Met ingang van 1 januari 1951 kon hij weer als voorzitter optreden, nadat hij door de Raad voor Rechtsherstel in het gelijk was gesteld.

A: Archief-Marchant in Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage. Inventaris van Ch.J.A.M. Schaepman, Inventaris van de papieren van Mr. H.P. Marchant 1869-1956 (['s-Gravenhage], 1968).

P: De Vrijzinnig-Democratische Partij. 2e dr. (Baarn, 1918); Overpeinzingen van coalitie-staatslieden (Rotterdam, 1926); De Hoge Veluwe gered (Den Haag, 1935); Tot Verweer (Leiden, 1935); Hoe kwam ik er toe ('s-Hertogenbosch, [1936]); De breuk geheeld (Roermond, [enz. 1946]).

L: W.J. van Welderen Rengers, Schets eener Parlementaire Geschiedenis van Nederland. Derde deel: 1901-1914, door W.H. Vermeulen ('s-Gravenhage, 1950) en vierde deel: 1914-1918, door C.W. de Vries ('s-Gravenhage, 1955); P.J. Oud, Het Jongste Verleden. Parlementaire Geschiedenis van Nederland 1918-1940. 2e dr. (Assen, 1968).

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 978.

J. Bosmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013