Mees, Marten (1828-1917)

 
English | Nederlands

MEES, Marten (1828-1917)

Mees, Marten, kassier en makelaar in assurantiën (Rotterdam 24-10-1828 - Eefde 7-2-1917). Zoon van Rudolf Adriaan Mees, kassier, en Maria Elisabeth Adriana Ackersdijk. Gehuwd sedert 4-6-1856 met Anna Hendrina van Teutem. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 2 dochters geboren. afbeelding van Mees, Marten

Mees, die als kind ziekelijk was geweest, deed na een zg. Franse school bezocht te hebben eerst op 14-jarige leeftijd zijn intrede op het Erasmiaans Gymnasium. In 1848 ging hij studeren in Utrecht aan welke universiteit hij op 20 mei 1854 magna cum laude promoveerde op De assecuratione in salvam navigationem quae dicitur. Na korte tijd in de advocatuur werkzaam te zijn geweest - waarin hij zich voorstander van het oprichten van hypotheekbanken betoonde - deed hij in 1855 onvoorzien zijn intrede op het kantoor van R. Mees & Zoonen als deskundige op het gebied van verzekering ter vervulling van een door een sterfgeval in de familie opengevallen plaats.

Mees was er de man niet naar om uitsluitend zijn krachten te wijden aan werkzaamheden het assurantiewezen betreffende. Zijn activiteiten bestreken een ruimer spectrum op economisch en maatschappelijk gebied. Zo heeft hij zich met de modernisering van het kredietwezen beziggehouden. Onder de invloed van de Franse poging om door het Crédit Mutuel voor minder bemiddelde groepen het verkrijgen van geld voor hun zaken te vergemakkelijken werd in Rotterdam gestreefd naar een 'credietvereniging voor de arbeid', die in 1865 leidde tot 'Het Onderling Crediet', waarbij Mees ook een rol speelde evenals bij de functionering van deze instelling in de eerste jaren. Omstreeks diezelfde tijd leidde de Crédit-Mobilier-gedachte tot het in het leven roepen van een algemene bankinstelling, die zou uitgroeien tot de Rotterdamsche Bank. Mees was als kassier gekant tegen deze vorm van kredietverschaffing en streefde ernaar de jonge onderneming af te leiden naar een apart werkterrein, de financiering van de koloniale handel. Zo ontstond een hybridische constructie, naar aanleiding waarvan zich grote moeilijkheden tussen de initiatiefnemers openbaarden. In het voetspoor van latere economisten en historici als Hirschfeld en Rogier kan daarom worden aangenomen, dat Mees nolens volens aan de wieg van deze bank heeft gestaan. Dan was zijn hart ongetwijfeld meer verpand aan zijn ijveren voor de Twentse nijverheid (machines en textiel) en voor de Delftse industrie, waaruit ook warme persoonlijke vriendschap voortvloeide met vooraanstaande figuren uit die takken van bedrijf. Toch zou hij ook betrokken worden bij de oprichting van de Amsterdamsche Bank, waar hij zelfs lange tijd commissaris zou worden.

Uiteraard ging de belangstelling van Mees echter in de eerste plaats naar de belangen van Rotterdam, dat betekende toen vooral de verbetering van de verbinding dezer stad met de zee. Hij behoorde tot degenen die zich ergerden over de aanvankelijk langzame vordering van het werk aan de Nieuwe Waterweg en die daarom hun invloed aanwendden om de voortgang daarvan door baggerwerk te bevorderen. De halstarrige weigering van Caland leidde tot een blijvende breuk tussen hen beiden. In aansluiting aan deze waterwerken werd in Rotterdam de gedachte geboren om voor die tijd grootse havenplannen aan de nog vrijwel maagdelijke linker Maasoever uit te voeren. Daarbij trad de koopman L. Pincoffs op de voorgrond, in wiens zakelijke initiatieven Mees zeer veel vertrouwen had. De opzienbarende ondergang van Pincoffs (zie aldaar), juist in de moeilijkste tijd van de Nieuwe Waterweg, bracht Rotterdam ook financieel aan de rand van de afgrond. Voor Mees, die wel het nauwst betrokken was bij dit drama, betekende deze tragedie de grote crisis in zijn leven. Hij wist zich in die heftige storm staande te houden. In aansluiting aan de hoge verwachtingen, welke ondanks alle tegenslagen, in het toenmalige Rotterdam werden gekoesterd, werden grootse initiatieven op het gebied van de zeescheepvaart in deze stad ontplooid. Mees speelde ook daarin een vooraanstaande rol, in het bijzonder met betrekking tot de Holland-Amerika Lijn en de Rotterdamsche Lloyd.

De kern van veel van zijn werkzaamheden was gelegen in zijn activiteit in de Kamer van Koophandel en Fabrieken. In 1865 werd hij tot lid verkozen, als vijfde van zijn geslacht, in begin 1877 werd hij vice-président, als hoedanig hij tot 31 december 1895 zitting had als de drijvende kracht in het bestuur. In talrijke vraagstukken, waarin de Kamer activiteit ontplooide, had hij de hand. Vooral deed hij zich kennen als een vurige voorstander van vrije handel, gekant tegen welke vorm van bescherming ook. In deze strijd toonde hij zich ook een dogmaticus, zoals met name bleek uit de wijze, waarop hij omstreeks 1885 de jaarverslagen van de Kamer omvormde tot principiële strijd schriften voor zijn beginsel. In 1888 werd hij ook lid van de redactie van De Economist, waarin hij niet minder dan 47 ondertekende artikelen schreef.

Dat Mees niet uitsluitend een zakenman pur sang was, moge blijken uit zijn ijveren voor de oprichting van een bibliotheek voor brede kringen van de bevolking, het zg. Leeskabinet (1859) en zijn niet aflatende zorg voor de verbetering van het spaarbankwezen te Rotterdam (1866).

Nog op hoge leeftijd trad hij bij enkele ondernemingen als commissaris op en presteerde hij het om op tachtigjarige leeftijd een uitvoerige verhandeling over de Rotterdamse handel en scheepvaart te schrijven in het werk van C. te Lintum, Rotterdam in den loop der eeuwen (Rotterdam, 1906-1909. 4 dln. in 3 bdn.) daarmee een waardige afronding vormend van zijn tientallen tijdschriftartikelen, brochures e.d. geschreven gedurende een vijfenvijftigjarige periode.

Marten Mees heeft gedurende een groot deel van de negentiende eeuw in Rotterdam en ook elders in Nederland op economisch gebied een rol van betekenis vervuld door de vele initiatieven, welke hij op menig gebied heeft genomen. Ook tegenslagen zijn hem daarbij niet bespaard, doch ongetwijfeld heeft hij op uiteenlopende gebieden de stoot gegeven tot belangrijke ontwikkelingen.

P: Bibliografie in hieronder genoemd werk van W.C. Mees op p. 669-679.

L: [A. Voogd], 'Mr. M. Mees †', in Weekblad gewijd aan de belangen van Rotterdam 3 (1917) 15 (10 februari) ongep.; C.F. Stork, in Rotterdamsch Jaarboekje 2e reeks 6 (1918) 114-118; H.M. Hirschfeld, Het ontstaan van het moderne bankwezen in Nederland (Rotterdam, 1922). Proefschrift Rotterdam; Gedenkschrift van de firma R. Mees en Zoonen .. . 1720-1920. Samengest. door M. Mees [Rotterdam, 1920]; Gedenkboek [van de] Kamer van Koophandel en Fabrieken van Rotterdam 1803-1928 (Rotterdam, 1928); W.C. Mees, Man van de daad. Mr. Marten Mees en de opkomst van Rotterdam (Rotterdam, 1946) waarin op p. 5 en 6 vermelding van gelegenheidsartikelen inzake M. Mees; L.J. Rogier, Rotterdam in het derde kwart van de negentiende eeuw (Rotterdam, 1953) 56-63; I.J. Brugmans, Begin van twee banken, 1863 [Rotterdam, 1963].

I: Wim Wennekes, De aartsvaders. Grondleggers van het Nederlandse bedrijfsleven (Amsterdam [etc.] 2000) 108.

W.F. Lichtenauer


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013