Meijer, Arnoldus Jozephus (1905-1965)

 
English | Nederlands

MEIJER, Arnoldus Jozephus (1905-1965)

Meijer, Arnoldus Jozephus, politicus (Haarlemmermeer 5-5-1905 - Oisterwijk 17-6-1965). Zoon van David Johannes Stephanus Meijer, landbouwer, en Anna Catharina Commandeur. Hij was ongehuwd.

afbeelding van Meijer, Arnoldus Jozephus Meijer komend uit een gelovig katholiek gezin bezocht eerst een kostschool in Oudenbosch en studeerde daarna achtereenvolgens aan het klein-seminarie van de Kruisheren te Uden, het klein-seminarie Hageveld te Heemstede en het groot-seminarie in Warmond. Als seminarist kwam hij onder invloed van de katholiek-fascistische stromingen van die tijd (in Nederland vertegenwoordigd door mensen als Wouter Lutkie en Henri Bruning) en ontwikkelde zich tot een fel criticus van de geestelijkheid en de Roomsch-Katholieke Staatspartij. Hij ontving nog de wijding van subdiaken, maar zag daarna onder sterke aandrang van bisschop Aengenent, bisschop van Haarlem, af van de voltooiing zijner priesteropleiding; in 1933 vroeg en kreeg hij ook ontheffing van het subdiakonaat.

In de jaren 1932-1933 leidde Meijer, levend van het geld dat hij van zijn vader geërfd had, een zwervend bestaan; een groot deel van 1933 werkte hij bij een Nederlandse boer in het Franse dorp Ville-neuve-aux-Frênes. In die jaren publiceerde hij zijn eerste brochures; Wij vergaan (Oisterwijk, 1932) en Waarheen? Fascisme, R.K. Staatspartij ('s-Gravenhage, [1933]). Eerstgenoemde brochure is vooral een waarschuwing voor het geestelijk en moreel verval van Europa en een aanklacht tegen de lauwheid van de katholieke geestelijkheid daartegenover; in de tweede brochure sprak Meijer zich daarnaast positief uit voor het fascisme, dat z.i. Europa zou genezen. In december 1932 en daarna enige malen in 1933 verschenen er artikelen van zijn hand in het autoritair-conservatieve weekblad De Rijks-eenheid, in mei 1933 leverde hij zijn eerste bijdrage aan het orgaan van Jan Baars' Algemeene Nederlandsehe Fascistenbond (ANFB), De Fascist. Begin 1934 liet hij zich overhalen om propagandaleider te worden van de toen reeds in verval verkerende ANFB in het zuidelijk deel van Nederland, voornamelijk Noord-Brabant, waar de bond vanaf november 1933 een eigen weekblad Zwart Front uitgaf. Nadat Meijer door de felheid van zijn propaganda in botsing gekomen was met de ANFB-leiding, maakten de zuidelijke gewesten zich in mei 1934 van de bond los als Fascistisch Verbond Zwart Front met Meijer als leider en Zwart Front als orgaan. De nieuwe organisatie met Oisterwijk als organisatiecentrum en de meeste aanhang onder katholieke jongeren in Noord-Brabant, ging weldra ook boven de Moerdijk leden werven, veranderde haar naam in Nederlandsen Volksfascisme Zwart Front en nam de restanten van de ANFB grotendeels in zich op. Tegenover Musserts NSB, die grotendeels uit 'nieuwe mensen' bestond, kon Meijers Zwart Front zich voordoen als de voortzetter van de 'oude' Nederlandse fascistische beweging. Waar deze 'oude beweging' echter over het algemeen vrij gematigd was geweest, trachtte Meijer - in het veranderde politieke klimaat van na januari 1933 -juist aanhang te winnen door radicalisme; daarbij zat ook duidelijk de wens voor om de NSB radicaliteit te overtreffen. Op drie punten vooral streefde Meijer dit doel na: ten eerste verwierp hij honend de 'legale' tactiek van de NSB en preekte hij een volstrekte revolutionaire verwerping van de bestaande staat; ten tweede richtte hij zijn propaganda nadrukkelijk tot de 'kleine man', vooral de kleine boeren en middenstanders; en ten derde was hij - toen de NSB op dat punt nog halfslachtig en onduidelijk was - scherp antisemitisch. Weliswaar wees Meijer de rassenleer af en achtte hij de joden alleen op culturele gronden onassimileerbaar (zij moesten z.i. in Nederland een 'gastrecht' krijgen), maar de dagelijkse propaganda van Zwart Front was even hatelijk anti-joods als die van de nationaal-socialistische antisemieten. Ook hielden zijn reserves tegen Hitler-Duitsland Meijer er niet van af om in 1938 als inleider op te treden op een Anti-joods Congres te Erfurt.

De 'revolutionaire tactiek' bracht Meijer herhaaldelijk in aanraking met de justitie. Van 16 februari tot 17 mei 1938 zat hij in de gevangenis te Breda een dubbele straf uit (één maand wegens belediging van de minister van Justitie J.R.H. van Schaik, twee maanden - aanvankelijk voorwaardelijk op 7 januari 1935 opgelegd - wegens belediging van minister Colijn). In november 1938 zat hij in Nijmegen nog eens drie dagen in de cel, nadat hij in een rede aldaar de joodse bevolkingsgroep beledigd had. Hoewel Meijer onder de vele fascistische politici, die Nederland in die jaren rijk was, relatief geen slecht figuur slaat - hij had duidelijk omlijnde, hoewel weinig originele, denkbeelden, die hij helder wist uiteen te zetten -, werd hij als partijleider geen succes. Zwart Front bleef in feite de zaak van één man die op alles zijn stempel drukte, anders dan Mussert wist Meijer geen grote en heterogene partij achter zich te krijgen. Bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 1937 kreeg Zwart Front slechts 8.178 stemmen (0,2%); opvallend is, dat daarvan 711 stemmen kwamen uit Oisterwijk, waar Meijer sedert 1934 woonde (wat enerzijds wijst op Meijers onvermogen om een grote landelijke beweging te vormen, anderzijds toch ook op een zeker persoonlijk charisma: hij kreeg in Oisterwijk niet minder dan 21,4% der stemmen!).

Het teleurstellende verkiezingsresultaat zal wel mede oorzaak geweest zijn van een deradicalisatie-proces, in de loop waarvan Meijer zich distancieerde van de term 'fascisme' en dat in april 1940 uitmondde in de opheffing van Zwart Front en zijn vervanging door een nieuwe door Meijer geleide beweging, Nationaal Front (NF); deze organisatie zette op een aantal punten (antisemitisme, corporatisme, Groot-Nederlands program) de oude voort, maar was niet meer revolutionair, doch nadrukkelijk gezagsgetrouw. Tijdens de neutraliteitsperiode 1939 - mei 1940 nam Meijer een ondubbelzinnig vaderlandslievend standpunt in, maar nadat de Duitse bezetting een feit geworden was begon hij de gunst van de bezetter te zoeken om zijn beweging uit te breiden. Vanaf 8 juli 1940 beschikte hij over een eigen dagblad (Nederlandsch Dagblad, in feite een kopblad van De Residentiebode). Hij meende mogelijkheden te zien om, dooreen positieve instelling jegens Duitsland te verbinden met felle kritiek op de NSB, Nationaal Front te maken tot de grootste politieke organisatie in Nederland. Daarin slaagde hij niet, maar wel groeide het aantal NF-leden in de eerste helft van 1941 aan tot meer dan 10.000. Zijn dubbelzinnige politiek (tegelijk naar de steun van de Duitsers en naar die van het Nederlandse volk dingen) moest wel mislukken. Toen hij zich op 28 juni 1941 zeer ver in Duitse richting begaf door in Nederlandsch Dagblad de vorming van een anti-Russisch vrijwilligerslegioen door Nationaal Front, NSB en Nederlandse Unie gezamenlijk voor te stellen, verlieten honderden leden zijn beweging. Deze verloor daarmee ook gaandeweg alle belangstelling van de zijde der bezetters. Op 13 december 1941 werd Nationaal Front door de Duitsers verboden.

Op 27 oktober 1944 werd Meijer, die zich na december 1941 van alle politieke activiteit had onthouden, in het bevrijde Noord-Brabant gearresteerd en kort daarna opgesloten in het interneringskamp te Vught, waaruit hij echter op 7 mei 1945 'ontsnapte' en naar België uitweek. Ondergedoken schreef hij het boek Alles voor het Vaderland (Oisterwijk, 1946), waarin hij zijn gedragingen tussen mei 1940 en december 1941 poogde te rechtvaardigen. Op 14 april 1946 meldde hij zich weer bij de justitie en werd geïnterneerd in Tilburg. De lange duur van zijn onderduikperiode en de onmacht van de politie om hem te vinden hadden intussen veel deining gewekt en tot allerlei perscommentaren geleid, waarin veelal verdenkingen van bescherming van Meijer door machtige 'roomse' kringen geuit werden. Het Bijzonder Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeelde hem op 26 juni 1946, wegens hulpverlening aan de vijand, tot 5 jaar gevangenisstraf. De Bijzondere Raad van Cassatie veranderde dit bij arrest van 25 juni 1947 in een gevangenisstraf van vier jaar.

Na vervroegde vrijlating in juli 1948 vestigde Meijer zich weer in Oisterwijk, waar hij in 1956 het hotel en bungalowpark De Rosep stichtte. De exploitatie van deze onderneming eiste hem tot zijn dood zozeer op, dat hij zich verder van politieke actie onthield (al bleef hij contacten onderhouden met de ex-fascistische kring rond Aristo- van Wouter Lutkie).

A: Collectie-Meijer in Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie alsmede archief-Meijer in Rijksarchief in Noord-Brabant met inventaris van J. Vriens.

P: Zie behalve de reeds genoemde publikaties Fr. van Noort, Nationaal Front en Arnold Meijer (Zulte, 1961) 59-60.

L: A.A. Haighton, Arnold Meijer's maskerade [Amsterdam, 1940]; L.M.H. Joosten, Katholieken en fascisme in Nederland 1920-1940 (Hilversum [enz.], 1964); A.A. de Jonge, Crisis en critiek der democratie (Assen, 1968); W. Zaal, De Nederlandse fascisten (Amsterdam, 1973). Gedeeltelijk eerder verschenen o.d.t. De Herstellers.. . (Utrecht, [1966]).

I: http://nl.wikipedia.org/wiki/ [Meijer omstreeks 1935].

A.A. de Jonge


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013