Michielsen, Leonard Pieter Joseph (1872-1944)

 
English | Nederlands

MICHIELSEN, Leonard Pieter Joseph (1872-1944)

Michielsen, Leonard Pieter Joseph, jurist en componist (Batavia 19-11-1872 - Wassenaar 30-3-1944). Zoon van Leonardus Johannes Jacobus Michielsen, Indisch ambtenaar, en Suzette Antoinette Theodore Mijer. Gehuwd sinds 4-8-1904 met Dorothea Johanna Fanny Hijmans. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren.

Leo Michielsen bezocht in Haarlem het gymnasium en studeerde rechten aan de Universiteit van Amsterdam waar hij in 1901 op stellingen promoveerde. Na zijn beëdiging als advocaat en procureur had hij tot 1904 zitting in de Raad van Beroep (ongevallenverzekering) - het laatste jaar fungerend als plaatsvervangend voorzitter - waarna hij tot 1913 als advocaat in Arnhem werkzaam was. Vervolgens vestigde hij zich in Den Haag waar hij gedurende enkele jaren directeur was van het Centraal Bureau der Vereeniging van Crediet-instellingen en daarna, tot 1926, als ambtenaar bij het departement van Justitie was belast met de leiding van de Vreemdelingendienst en het Rijkspaspoortenkantoor.

Als componist was Michielsen vrijwel autodidact. In zijn studententijd moet hij piano hebben gestudeerd bij de Haarlemse pianist en componist Leander Schleger, wiens componeren op Michielsen echter geen merkbare stilistische invloed heeft uitgeoefend. Michielsens vroegste composities, naast karakterstukken voor piano, voornamelijk liederen op teksten van dichters uit de Duitse Romantiek, sluiten geheel aan bij de Duitse liedkunst uit het midden der 19de eeuw. Tussen 1900 en 1910 vestigt hij echter met liederen als Chanson d'automne, Wild schäumen auf en Sur la terre il tombe de la neige in toenemende mate de aandacht op zich en worden zijn liederen door bekende Nederlandse zangeressen als Julia Culp en Tilia Hill op concerten gezongen. In de jaren kort voor de Eerste Wereldoorlog wordt Leo Michielsen in Nederland dan ook als een veelbelovend liederencomponist beschouwd; een waardering die in 1917 wordt onderstreept door zijn benoeming tot 'senior-lid' van het Genootschap van Nederlandse Componisten (Geneco), waar in die jaren Johan Wagenaar, Jan van Gilse en de jonge Sem Dresden bestuursleden van zijn. Ook Michielsens 8 Klavier stukken en de Sechs Gesänge Chinesischer Lyrik, gepubliceerd in 1917 resp. 1918, worden tot na de Tweede Wereldoorlog regelmatig in het openbaar uitgevoerd. Vooral de pianisten Willem Andriessen, Hans Schouwman en de zangeressen Ilona Durigo en Julie de Stuers hebben veel bijgedragen tot hun popularisering. In deze jaren ontwikkelt Leo Michielsen zich tevens tot een fijnzinnig tekenaar en ontwerpt hij zelfde titelbladen van zijn muziekuitgaven.

Na van 1921 tot 1927 als secretaris van het bestuur der Union Musicologique de rechterhand van haar geestelijke vader en promotor dr. D.F. Scheurleer, te zijn geweest, is Michielsen vanaf 1933 op de achtergrond actief als bestuurslid van het Geneco, van de Stichting Nederlandse Muziekbelangen en in de Algemene Vergadering van de Vereniging Het Bureau voor Muziekauteursrecht (Buma). Vanaf 1941 vervangt hij, op dringend advies van de voorzitter van het Buma Jan van Gilse, de ondergedoken Paul F. Sanders in het bestuur en probeert daarna samen met Karel Mengelberg zowel het Geneco als het Buma zo lang mogelijk buiten de invloedssfeer van het departement van Volksvoorlichting en Kunsten te houden. Rond 1930 behoort Leo Michielsen tot de oprichters van het - vooroorlogse - Nederlands Kamerorkest, dat onder leiding stond van Otto Glastra van Loon.

Leo Michielsen had als liederencomponist de natuurlijke begaafdheid om zowel de klinkende elementen als de betekenis van poëzie samen te vatten in een natuurlijk verlopende melodie met optimaal vocale eigenschappen; een resultaat dat hij zelf zeer bewonderde in het lied-oeuvre van Johannes Brahms. Hoewel Michielsens muzikale taal na ± 1905 melodisch nauw aansluit bij die van zijn wat oudere tijdgenoot Richard Strauss - later ook bij die van Gustav Mahler - behoedt juist boven beschreven eigenschap de beste onder zijn liederen voor al te opvallend epigonisme. Het meest persoonlijk uit hij zich in zijn rond 1916 ontstane Sechs Gesänge Chinesischer Lyrik waarin de quasi improviserende pianopartij zeer functioneel op de zangmelodie aansluit. Deze liederen, nabloei van een laat-romantische, in exotismen vluchtende Weltschmerz, kunnen tot het beste worden gerekend van wat in die jaren binnen Nederland aan liederen werd gecomponeerd. Zijn in 1930 gepubliceerde Neue Gesänge Chinesischer Lyrik vonden echter door al te nadrukkelijke reminiscenties aan Mahlers Lied von der Erde reeds bij verschijnen nog slechts in beperkte kring waardering. Daarna blokkeerde een toenemend pessimisme en overmatig kritische zin ten opzichte van eigen werk een verdere ontwikkeling in zijn componeren.

A: Archief-Leo Michielsen, waarin o.a. een tiental instrumentaties van liederen uit de beide bundels Gesänge Chinesischer Lyrik in Haags Gemeentemuseum.

P: Van de ± 60 bewaard gebleven liederen zijn er 33 in de bovengenoemde en navolgende uitgaven gepubliceerd: Zwei Lieder für Frauenstimmen en Drei Lieder (Amsterdam, 1903); Drei Lieder im Volkston en Vier kleine Lieder (Amsterdam, 1904); L.W(Gent, 1905), Willems Fonds 22 no. 3; Trois Mélodies (Gent, 1906) - komt ook voor onder de titel Trois Romances-; Veilchenduft, tussengevoegd in Caecilia 65 (1908) 23-25; Vier Lieder en Deux Chansons (Amsterdam, 1909). Voorts: Adagio voor piano, bijlage bij de Nederlandse Muziekkalender 8 (1903); 'Improvisatie voor D.F. Scheurleer' in Gedenkboek Dr. D.F. Scheurleer ('s-Gravenhage, 1925) 211-212.

L: A. de Wal, 'Nieuwe muziek van landgenooten_' . in Het Vaderland, 16-4-1925; [W. Landré], 'Mr. L.P.J. Michielsen' in NRC 18-11-1932; E. Reeser, Een eeuw Nederlandse muziek (Amsterdam, 1950) 251-253.

J.B. van Benthem


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013