Middelberg, Gerrit Adriaan Arnold (1846-1916)

 
English | Nederlands

MIDDELBERG, Gerrit Adriaan Arnold (1846-1916)

Middelberg, Gerrit Adriaan Arnold, werktuigkundig ingenieur bij de spoorwegen (Boskoop 21-6-1846 - Abcoude-Baambrugge 6-3-1916). Zoon van Gerrit Adriaan Middelberg, remonstrants predikant, en Anna Wilmpje Minne. Gehuwd sinds 4-10-1871 met Leopoldine Hallmann. Uit dit huwelijk werden 5 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Middelberg, Gerrit Adriaan Arnold

Middelberg verloor al vroeg zijn vader. Zijn opvoeding werd verzorgd door zijn moeder en grootouders in Amsterdam, waar hij de lagere school bezocht. Na een aantal jaren op een kostschool te Voorst te zijn geweest, werd hij op een handelskantoor in de hoofdstad geplaatst. Daar bleek al gauw dat zijn belangstelling meer uitging naar de techniek en omdat zijn vooropleiding niet voldoende was voor een studie in Delft, werd hij in 1862 naar de Technische Hogeschool van Zürich gezonden. Zijn verblijf duurde niet lang omdat hij, met vele medestudenten, van de school werd verwijderd na een actie tegen het straffe onderwijssysteem. Na zijn terugkeer werkte hij enige tijd op de Amsterdamse machinefabriek de Atlas totdat hij in 1865 naar Hannover vertrok om zijn studie te voltooien. In 1868 behaalde hij daar aan de Technische Hogeschool het diploma van werktuigkundig ingenieur, met zulke goede resultaten, dat hij, hoewel geen Duitser, werd geplaatst bij de Pruisische Staatsspoorwegen onder de bekende A. Wöhler te Frankfurt a.O.

Hij had in Duitsland kunnen blijven, maar omdat hij een loopbaan in Nederland verkoos, wendde hij zich tot de Mij. tot Exploitatie van Staatsspoorwegen (SS), die echter in 1869 nog geen plaats vrij had. Daarom werkte hij eerst nog een jaar bij de locomotieffabriek van Beyer, Peacock & Co te Manchester, totdat de Staatsspoor hem in 1870 aanstelde als adspirant-ingenieur in Groningen. In 1871 overgeplaatst naar Luik, waar de SS een depot had voor de lijn naar Eindhoven, voldeed hij zo goed dat hij in 1873 weer werd overgeplaatst, nu naar Zwolle als chef van de werkplaats. Zijn goede naam was nu gevestigd zodat een nieuwe promotie al spoedig volgde: in 1876 stelde de Hollandse IJzeren Spoorweg Mij. de nu dertigjarige Middelberg aan tot chef van tractie. Het HIJSM-net was in een tijd van grote expansie; de lijnen in Noord-Holland waren nog maar kort in dienst en de Oosterspoor naar Utrecht en Duitsland was bijna klaar. Het verkeer nam aanzienlijk toe, waardoor veel nieuw materieel moest worden aangeschaft. Bij zijn komst vond Middelberg bij de HIJSM voornamelijk locomotieven naar Pruisisch model, meestal ontworpen en gebouwd door de fabriek van Borsig te Berlijn. Verschillende leveranties door Borsig naar bestaande voorbeelden zouden nog volgen, maar nieuwe types werden voortaan door Middelberg zelf ontworpen en niet meer door de fabriek. Zo kwam in 1883 de eerste van zijn 'snellopers', gebouwd door Borsig, op de baan, met een weliswaar Duits aandoend, maar toch geheel eigen uiterlijk. Voor de in ontwikkeling zijnde locaallijnen ontwierp hij een locomotieftype dat uniek was in Europa; 40 locomotiefjes met dierennamen, bijgenaamd 'ezeltjes' of 'fornuisjes' werden door Borsig hiervoor geleverd. Tal van detailverbeteringen, veelal van Engelse oorsprong, bracht hij aan bij het nieuwe en het bestaande materieel. Hij experimenteerde met compoundmachines om het kolenverbruik te verminderen, maar ondanks besparingen werden de proeven niet voortgezet. Tijdens zijn bewind werd de doorgaande luchtrem ingevoerd, waardoor gewicht en snelheid van de treinen konden worden verhoogd. Middelberg toonde zich een voorstander van het Nederlands fabrikaat. Door zijn relaties met J.G. Rueb, firmant van de Machinefabriek Backer & Rueb te Breda, - zij kenden elkaar uit Hannover - wist hij deze fabriek te bewegen een aantal van zijn stoomtramlocs te bouwen, de eerste van een lange reeks locomotieven uit Breda. Tijdens zijn HIJSM-periode was hij lid van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs, voorzitter van de Nederlandsche Vereeniging van Werktuig- en Scheepsbouwkundigen en actief in het Verein Deutscher Eisenbahnverwaltungen, waar de meeste Nederlandse spoorwegmaatschappijen lid van waren.

Ondanks de voldoening die het werk voor de HIJSM hem moet hebben gegeven, accepteerde Middelberg toch een kans om zijn vleugels breder uit te slaan: op 1 januari 1890 werd hij benoemd tot directeur van de Nederlandsche Zuid-Afrikaansche Spoorweg-Mij., waarmee aan zijn eigenlijke ingenieurswerk een einde kwam. Deze jonge onderneming verkeerde in een moeilijke positie, politiek zowel als financieel; de aanleg van de hoofdlijn naar Delagoabaai was net begonnen en het zou al Middelbergs gaven vergen om de bouw tot een goed einde te brengen. Naast zijn al bewezen technische kwaliteiten bleek hij te beschikken over een groot organisatietalent en veel mensenkennis; hij toonde zich soepel in de omgang, ook met zijn tegenstanders, maar een keihard onderhandelaar als het ging om de belangen van zijn maatschappij, wat hem in Kaapse spoorwegkringen de bijnaam 'terror of South Africa' bezorgde. Na zijn benoeming reisde Middelberg enige malen naar Transvaal om ter plaatse de leiding te nemen, maar in 1894 bleek een permanent toezicht nodig, zodat hij zich met zijn gezin in Pretoria vestigde, waar hij tot eind 1898 zou blijven. Onder zijn leiding werd de Nederlandsche Zuid-Afrikaansche Spoorweg Maatschappij (NZASM) een bloeiend bedrijf dat de Zuidafrikaanse Republiek grote diensten heeft bewezen. Ook in deze periode stimuleerde hij de Nederlandse industrie; bijna alles kwam uit Nederland, behalve de zware locomotieven, ondanks pogingen om Rueb tot de bouw daarvan te bewegen. Ten slotte was Werkspoor bereid de fabricage ter hand te nemen, maar door de oorlog werden er maar een paar afgeleverd. Met Kruger was Middelbergs relatie er een van wederzijds vertrouwen, zó zelfs dat zijn benoeming tot staatsfinancier van de Zuidafrikaanse Republiek, met vergaande bevoegdheden, in 1899 praktisch rond was. Door de oorlog met Engeland is er niets van gekomen.

Middelberg keerde terug naar Amsterdam als gedelegeerd commissaris van de al spoedig in liquidatie gaande NZASM zodat er niet veel meer te doen was. Hij trok zich terug in Loenersloot, hoewel hij van tijd tot tijd nog wel op de voorgrond trad, zoals in 1901 bij het aanbieden van een bank ter ere van de Delftse hoogleraar A. Huet en bij twee bezoeken aan Zuid-Afrika, de eerste maal in 1904 als begeleider van het stoffelijk overschot van Kruger, en de tweede maal in 1909 om de belangen van de Nederlanders aldaar te behartigen. Verder maakte hij nog een reis naar de USA om een noodlijdende spoorweg te reorganiseren. Bovendien was hij voorzitter van de Nederlandsch Zuid-Afrikaansche Vereeniging. In 1909 kwam aan deze rust een einde: het kiesdistrict Amsterdam VII koos hem tot lid van de Tweede Kamer voor de Anti-Revolutionaire Partij. Van huis uit remonstrants en in zijn Zwolse tijd zelfs liberaal gemeenteraadslid, was hij geleidelijk aan meer rechtzinnig geworden, mede onder invloed van zijn Afrikaanse jaren. In de Kamer trad hij weinig op de voorgrond, maar bij de behandeling van de Octrooiwet, waar hij zich sinds 1887 al mee had beziggehouden, was hij zeer actief. Nadat hij in 1913 zijn kamerzetel weer had verloren, trok hij zich geheel uit de politiek, die nooit zijn grote liefde had gehad, terug.

A: Collectie-Middelberg in Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: 'Invreting van stoomketelplaten' in Tijdschrift van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1875-1876, 382-391; -Opmerkingen omtrent de theorie ... ter verklaring van het slippen ... der locomotieven .. .', ibidem 1878-1879, 225-230; 'Omkoopbaarheid der Boeren', in Neerlandici 4 (1900) 81-84.

L: J.A. van Kretschmar van Veen, in De Ingenieur 31 (1916) 533-535; P.J. van Winter, Onder Krugers Hollanders (Amsterdam, 1937-1938. 2 dln.) passim.

I: De Ingenieur 31 (1916) 533.

A.J. Veenendaal jr.


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013