Moerman, Jacob Diederik (1885-1965)

 
English | Nederlands

MOERMAN, Jacob Diederik (1885-1965)

Moerman, Jacob Diederik, oudheidkundige (Ugchelen, gem. Apeldoorn 4-7-1885 - Apeldoorn 24-5-1965). Zoon van Johannes Jacobus Jentjes Moerman, hoofd van een openbare school, en Carolina Witteveen. Gehuwd op 18-7-1940 met Willemina Jacoba Sanders. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Een belangrijk deel van zijn vorming verkreeg Moerman aan de Rijkskweekschool te Deventer, waar hem o.a. een nauwkeurig waarnemingsvermogen werd bijgebracht. Na in 1905 de aktes voor onderwijzer en handtekenen behaald te hebben, volgde in 1907 die voor hoofdonderwijzer. Van 1905 tot 1916 was hij onderwijzer in Wageningen. Daarna vestigde hij zich te Apeldoorn, waar hij achtereenvolgens potten bakte en zilvervossen kweekte tot ca. 1934.

Een niet te stillen drang tot weten, juist en vooral ten aanzien van archeologie en prehistorie in eigen streek, beheerste zijn leven. Eigen kritisch onderzoek tot in de kleinste details kenmerkt het werk van deze autodidact. Het vinden van prehistorisch aardewerk bracht hem er toe zelf potten te gaan bakken. De bestudering van de middeleeuwse smeedijzerindustrie op de Veluwe leidde tot het bouwen en branden van een experimentele oven. Zijn onderzoek beperkte zich tot fenomenen binnen zijn actieradius i.e. de Veluwe. Pas na 1945 reisde hij veel in het buitenland, waar hij de thuis opgedane ervaringen trachtte te toetsen.

Van zijn studies over wat de mens in het verleden op de Veluwe heeft uitgericht en het waarom daarvan, getuigt een reeks publikaties, die nog steeds van fundamenteel belang is mede door overvloed aan primaire informatie. Grote belangstelling voor de alchemie vloeide voort uit zijn bezigheden als pottenbakker. Onvoltooid bleef een artikel overeen plaatselijke papierindustrie.

Bescheiden van aard, genoot deze uitmuntende streekonderzoeker erkenning in beperkte kring. Hij trad pas in de publiciteit, wanneer hij daar recht toe meende te hebben. In Apeldoorn is postuum een museum naar hem vernoemd.

P: 'Beken, sprengen en watermolens op de Veluwe', in Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap 51 (1934) 167-206; 'Veluwsche beken en daling van het grondwaterpeil', ibidem 51 (1934) 495-520 en 676-697;' 'Rood Zand' en praehistorische bewoning', ibidem 64 (1947) 537-547 en 680-698; 'Oude Smeedijzerindustrie', in Bijdragen en Mededelingen der Vereniging "Gelre" 56 (1957) 3-32; 59 (1960) 1-37; 63 (1968-1969) 1-30; 64(1970) 1-41. Alsmede artikelen in De Levende Natuur ... 30 (1925-1926) 88-96 en 44 (1939-1940) 307-313; Chemisch Weekblad 29 (1932) 702-709 en Nederlandsch kruidkundig archief. . . 57 (1950) 363-384.

L: R. Hardonk, in Gelders Oudheidkundig Contactbericht 4 (1965) 26 (juni) 6

P.J.R. Modderman


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013