Mouw, Johan Andréas der (1863-1919)

 
English | Nederlands

MOUW, Johan Andréas der (1863-1919)

Mouw, Johan Andréas der (bekend onder de naam Dèr Mouw) filosoof en dichter onder ps. Adwaita (Westervoort 24-7-1863 - 's-Gravenhage 8-7-1919). Zoon van Jacobus Cornelis der Mouw (oorspronkelijk Dermauw, naamswijziging in Der Mouw bij Besl. Arr. Rb. R'dam 3-3-1858 ingeschreven 23-3-1858 in Bev. register), zonder beroep, en Anna Elisabetha Zillinger. Sinds 14-8-1893 gehuwd met Hendrika Wijnanda van Enst; geen kinderen, wel een in 1900 aangenomen pleegdochter Teuntje Vink, van wie naamswijziging in Hetty Hanna der Mouw geregeld werd bij kb 22-11-1904 nr. 34 en Besl. Arr. Rb. 's-Gravenhage 30-5-1905. afbeelding van Mouw, Johan Andréas der

In zijn helaas slechts fragmentarisch uitgegeven biografie van Dèr Mouw roept H. Redeker een zeer suggestief beeld op van diens jeugdjaren: het dorpje Westervoort bij Arnhem dat zijn geboorteplaats was, de vader, een aarzelende figuur, een kleine rentenier die een weinig krachtige indruk maakte naast zijn doortastende vrouw, het stellige christendom dat de kinderjaren begeleidde. Binnen een jaar na de geboorte van hun zoon (eerder was al een dochtertje gekomen) verhuisden de ouders naar Zwolle, waar de vader als verzekeringsagent zijn financiële positie probeerde te verstevigen. Toen dat mislukte raakte hij steeds meer op de achtergrond in een gezin dat door vrouwen werd beheerst: de moeder van zijn vrouw nam namelijk met twee ongehuwde dochters haar intrek in het huis te Zwolle waardoor de financiële toestand in het huishouden verlicht werd. Na het overlijden van de grootmoeder in 1870 kreeg de moeder in 1872 een aanstelling als directrice van de driejarige HBS voor meisjes te Deventer. Pas in het jaar daarop volgden man en zoon haar naar Deventer, waar zij in 1874 bovendien een vrije bij de school behorende woning voor haar gezin kreeg toegewezen. Een weinig geslaagde poging van de vader een boekwinkeltje te houden in het woonhuis onderstreepte slechts zijn ondergeschikte rol. Het leven van de jonge Der Mouw werd bepaald door zijn moeder: herinneringen aan haar orthodoxe christendom zowel als heimwee naar haar koesterende aanwezigheid namen in zijn leven en in zijn poëzie een belangrijke plaats in. Daarnaast mag als vormende kracht wel de omringende natuur worden genoemd, waar het dromerige, eenzame jongetje vele uren doorbracht.

In de eerste klas van de HBS van school genomen (wegens vermeende geringe aanleg voor wiskunde, volgens de overlevering) bezocht hij daarna het gymnasium te Deventer. De studie in de klassieke talen te Leiden werd aangevat na het eindexamen in 1883. Behalve het verplichte programma volgde hij daar ook colleges in de filosofie en in het Sanskriet (de laatste bij prof. J.H.C. Kern). Na het doctoraal examen op 28 mei 1887 (een eerdere poging in 1886 faalde) sloeg Der Mouw de gebruikelijke weg in naar het onderwijs. Op een korte periode te Zwolle volgde in 1888 een aanstelling aan het stedelijk gymnasium te Doetinchem. In 1890 promoveerde hij bij prof. J. van Leeuwen op een proefschrift Quomodo antiuui naturam mirati sunt? (Daventriae, 1890). Behalve de natuurbeschouwing der oude volken worden hierin verwante thema's als religie en kunst ter sprake gebracht die o.a. Dèr Mouws eigen nostalgische terugverlangen naar het verloren paradijs der natuur van zijn jeugd tot uitdrukking brengen, evenals zijn hoge verering voor het Griekse genie. De neiging tot grote uitspraken over 'de' Grieken en 'de' Middeleeuwen duidt overigens eerder op een cultuurfilosofische dan op een zuiver historische belangstelling.

In Doetinchem was Der Mouw in contact gekomen met het gezin R. van Enst, een plaatselijke distillateur. Een jaar na het overlijden van zijn moeder huwde Der Mouw een van de dochters Van Enst: zij was het die in de toekomst de verzorgende, koesterende rol van de moeder vervulde. Een veelomvattende taak, want Der Mouw was in uiterlijk en optreden geheel de wereldvreemde denker, de geleerde die te zeer in zijn eigen problemen is verdiept om zich met de dagelijkse dingen op te houden. Alleen al om die reden was hij in het stille provinciestadje Doetinchem een opvallende verschijning. Zijn afzijdigheid werd door de plaatselijke notabelen als afwijzing ervaren. Bovendien wekte zijn onorthodoxe manier van lesgeven kritiek: niet de alwetende man voor de klas wilde de jonge leraar zijn, maar de pedagoog in de beste zin van het woord, de opvoeder die zijn leerlingen door middel van het gesprek over uiteenlopende onderwerpen tot levenswijsheid bracht. Dat was echter in het geheel niet naar de zin van de rector, dr. C.G.Ph. Schwartz, en van de leiding van het naburige internaat Ruimzicht, dat een aanzienlijk aantal leerlingen leverde aan de school en daardoor grote invloed kon uitoefenen op de gang van zaken. Dat kon weleens ten gevolge hebben dat ook minder begaafde jongens op een soepele manier aan het einddiploma werden geholpen. Dèr Mouw zag het verkeerde daarvan, en protesteerde ertegen. Aangezien hij in deze jaren bovendien zelf in hevig innerlijk verzet was tegen het overgeleverde christendom en tegen de vormendienst die hij in zijn onmiddellijke omgeving waarnam, schiep dit alles een situatie waarin conflicten nauwelijks konden uitblijven. De zaak kwam in 1903 tot een uitbarsting toen de rector Dèr Mouw ter verantwoording riep voor diens betrekkingen met Max, een zoon van dr. Schwartz. Laster en intriges brachten hem tot een tweetal zelfmoordpogingen; het schandaal dat in het kleine Doetinchem grote proporties aannam deed hem Gelderland verlaten. In een proces voor de rechtbank te Arnhem, waarbij P.J. Troelstra als verdediger optrad, werd hij wegens eenvoudige belediging van de rector veroordeeld tot f.10,- boete.

Na een verblijf in Bergen vestigde hij zich eind 1904 in Rijswijk, waar samen met een oud-collega uit Doetinchem, dr. Edw. B. Koster, een privé-opleiding voor het staatsexamen werd georganiseerd. Ook nam het gezin Dèr Mouw, dat in 1906 naar Den Haag verhuisde, voor kortere of langere tijd jongens in huis. Onder hen was Victor E. van Vriesland, die later de literaire nalatenschap van Dèr Mouw zou beheren en de uitgaven van de Verzamelde werken (Amsterdam, 1947-1951. 6 dln.) zou verzorgen.

In de Haagse tijd had een tiental jaren de filosofie zijn grootste aandacht: eerder verworven denkbeelden kwamen tot systematischer uitwerking in een aantal opstellen en boeken die getuigen van zijn worsteling om te komen tot een oorspronkelijk filosofisch systeem dat een bevredigende verklaring zou leveren voor problemen die hem bezig hielden - pijnigden, mag men welhaast zeggen. Wat was het wezen van het bewustzijn, van het Ik, konden vanuit de kennis omtrent het Ik uitspraken worden gedaan over de omringende wereld? Dèr Mouws denken mondde ten slotte uit in een kennistheoretisch idealisme dat sterk geïnspireerd was door de Duitse idealistische filosofie van de negentiende eeuw en met name door Hegel, maar dat nochtans van een eigen kritische inbreng blijk gaf. Het absoluut idealisme (Leiden, [1905]) kan men zien als een poging klaarheid te verwerven omtrent het Hegelse systeem, en vooral als een doorlopende kritiek op de Nederlandse adept van Hegel, prof. G.J.P.J. Bolland. Bij Dèr Mouw stonden zuiverheid van expressie en zorg om het taalgebruik centraal. Geen wonder dat hij treurde over 'de jammerlijke manier, waarop Bolland de taal misbruikt' (Verzamelde werken IV, 24). Zelf kwam Dèr Mouw tot een zorgvuldige uiteenzetting van zijn idealistisch uitgangspunt, zich voortdurend rekenschap gevend van de psychologische en taalkundige beperkingen die de filosoof onvermijdelijk ontmoet en die de betrouwbaarheid van zijn conclusies aantasten. In tegenstelling tot absolute idealisten als Hegel en Bolland wilde Dèr Mouw de werkelijkheid van de dingen om ons heen niet ontkennen; hij sloot zich hierin aan bij een filosoof als Eduard von Hartmann, die in Kantiaanse geest de Dinge-an-sich evenals Dèr Mouw aanvaardde als noodzakelijke hypothese om het bestaan van gedachteninhouden naast het eigen Ik te verklaren. Behalve in het boven reeds genoemde werk zette Der Mouw zijn gedachten uiteen in een aantal verspreide opstellen en in de Kritische studies over psychisch monisme en nieuw-Hegelianisme (Leiden, [1906]). Als filosoof ontmoette hij erkenning en waardering: zo werd hij in 1907 bestuurslid van de pas opgerichte Vereeniging voor Wijsbegeerte, en trad hij in 1912 toe tot de redactie van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte.

Als zoveel zoekers naar waarheid werd ook Der Mouw uiteindelijk in de filosofie teleurgesteld, toen bleek dat zij geen zekere antwoorden kon geven. Een systematische afronding van zijn ideeën bleef dan ook achterwege. Na 1912 welt in hem de stroom van gedichten die getuigen van zijn overgave aan een religieus-poëtisch wereldbeeld dat teruggreep op de Indische mystiek en de wijsheid der Oepanisjaden. Voortaan zag hij af van een logisch-redelijke fundering van zijn metafysica en verliet hij' 't cirkus Wetenschap' om op te stijgen in zijn 'aeroplaan van kunst' (Verzamelde werken I, 99, 100). Niet de neiging tot het systeem zou zegevieren, maar de mystieke drang tot vereniging met de godheid, met het scheppende beginsel van het universum, met Brahman. Als Adwaita, de tweeheidloze, heeft de dichter de tegenstellingen waar de sterveling op stuit overwonnen: Ik en niet-Ik zijn doorzien als schijn en herkrijgen hun oorspronkelijke eenheid in Brahman. Van dat verworven inzicht spreken tal van gedichten in een taal die rijk is aan een bijzondere beeldspraak: het heelal, sterrenbeelden en melkwegen vertellen daarin evenzeer van de grootheid van Brahman als de kleine beelden van het huiselijke leven; vaktermen uit de natuurwetenschappen staan naast wendingen uit de omgangstaal en geven aan dit dichterschap een geheel eigen toon. Verdriet om de beperkingen van het menselijk bestaan wijkt voor vreugde om het Brahman-zijn van de dichter in verzen die een groot meesterschap over de taal openbaren. Verhevenheid van mystieke ervaring contrasteert erin met de dagelijksheid der dingen, extatisch bewustzijn met verdriet over de verbondenheid van leed en leven.

Dèr Mouws dichterschap herinnert in taalgebruik en voorliefde voor de sonnetvorm enigszins aan de Tachtigers, de generatie waartoe hij naar leeftijd ook behoorde. Zijn poëzie werd echter pas in 1918 aan wijdere kring geopenbaard en kreeg toen aanstonds een positieve ontvangst door mensen als Van Eeden, Kloos en Verwey. Tegelijk met incidentele publikaties in tijdschriften werkte Dèr Mouw aan de uitgave van zijn gedichten in boekvorm. Het eerste deel van de bundel Brahman (Amsterdam, 1919) maakte hijzelf nog persklaar, maar de verschijning ervan mocht hij niet meer beleven. Het tweede deel van Brahman werd in 1920 door V.E. van Vriesland bezorgd.

A: Collectie-Dèr Mouw in Nederlands Letterkundig Museum te 's-Gravenhage.

P: Zie de kaarten van de documentatiedienst van het Ned. Letterkundig Museum.

L: K.G.P. Schwartz, De gebeurtenissen in verband met het laatst gehouden eindexamen aan het gymnasium te Doetinchem (Arnhem, 1904); H. Redeker, in De Nieuwe Stem 8 (1953) 350-365,434-444; idem, 'Uit het leven van J.A. dèr Mouw', ibidem 10 (1955) 29-34, 265-269; A.M. Cram-Magré, Dèr Mouw - Adwaita. Denker en dichter (Groningen, 1962) Proefschrift Amsterdam. Hierin op blz. 240-241 een lijst van beschouwingen over Dèr Mouw. Verder M.F. Fresco, De dichter Dèr Mouw en de klassieke oudheid (Amsterdam, 1971. 2 dln.); J.A. dèr Mouw, Brieven aan Frederik van Eeden. Uitgeg., ingel. en van aantn. voorzien door Harry G.M. Prick ('s-Gravenhage, 1971); Jaap Meijer, "Het ivoren aapje". J.A. dèr Mouw en Victor van Vriesland (Heemstede, 1976. Uitg. in eigen beheer); H. van den Bergh, 'De heilige eenvoud van J.A. Dèr Mouw', in Tirade 22 (1978) 398-447.

I: Website Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren: http://www.dbnl.org/auteurs/beeld.php?id=mouw001 [15-1-2008].

H. van der Hoeven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013