Naber, Johanna Wilhelmina Antoinette (1859-1941)

 
English | Nederlands

NABER, Johanna Wilhelmina Antoinette (1859-1941)

Naber, Johanna Wilhelmina Antoinette, feministe (Haarlem 25-3-1859 - 's-Gravenhage 30-5-1941). Dochter van Samuel Adrianus Naber, hoogleraar in de Griekse en Romeinse letteren en oudheden, en Anna Elizabeth L'Honoré. Ze was ongehuwd. afbeelding van Naber, Johanna Wilhelmina Antoinette

In de nabijheid van haar vader die Thorbeckiaan was en onder invloed stond van het Réveil en van haar moeder, afkomstig uit een geslacht van Hugenootse réfugiés, groeide Johanna op in een gezin waar wetenschap en eruditie hoog aangeschreven stonden en waar vele jongeren in huis kwamen (Zie: Gerretson, Verzamelde Werken, I (617-618). Zij gaf er blijk van dat men eigen wetenschappelijke aanleg waar kon maken, ook al was men als meisje nog niet begunstigd met een opleiding aan de in 1871 t.b.v. Aletta Jacobs ontsloten universiteit.

Na haar middelbare meisjesschool werd de jonge Johanna in de huishouding opgenomen, hetgeen zo zou blijven tot haar 77ste jaar, eerst te Amsterdam in het volledige hoogleraarsgezin, na 1913 inkrimpend tot een wegkwijnende moeder en een thuis gebleven broer. Daarop nam zij de huishouding waar voor twee broers te Utrecht en in 1928 voor de jongste van dit tweetal in Den Haag. Dat zij 'bitter klein' van stuk was en moeilijk liep, vormde blijkbaar geen belemmering voor deze werkzaamheden. In 1936 betrok zij eindelijk een eigen flat.

Mochten haar mannelijke familieleden niets voelen voor de vrouwenemancipatie, Johanna Nabers moeder ging haar daarin voor door haar 'met iets van plechtige wijding' Hertha van de wereldberoemd geworden Zweedse feministe en pacifiste Frederika Bremer (1801-1865) te overhandigen. Johanna's lange leven was dan ook één zuivere weerspiegeling van de vrouwelijke evolutie van die jaren. Zo verschaffen haar boeken het tracé van een niet te onderdrukken werk- en onderzoeklust -welgestelde jongedame of niet- in de jaren '80 en '90.

In 1896 wordt zij aangetrokken door de voorbereidsters van een Tentoonstelling van Vrouwenarbeid die, na een oproep van Mina Drucker (1847-1925), van 9 juli tot 1 oktober 1898 in Den Haag, bespotting, hoon en smaad ten spijt, zal plaats vinden ter gelegenheid van de inhuldiging van de achttienjarige koningin Wilhelmina. Deze tentoonstelling met de daaraan verbonden reeks van 12 congressen en tal van voordrachten, demonstraties, concerten en prijsvragen, is de doorbraak van de vrouwenbeweging in Nederland geweest. Zelfs Johanna Naber beleed toen nog, ondanks alle eigen en haar omringende geleerdheid, haar 'ongelooflijke naïefheid' en de voor haar in hoge mate beschamende ervaring dat zij zo lang, geheel gedachteloos aan al dergelijke vragen willens en wetens, als ziende blind, voorbij was gegaan. Nu werd ze ineens, met vele andere vrouwen, gedwongen tot de erkenning der noodzaak van de openbaarheid van zoveel verborgen kwaad.

Te midden van veel belangstelling bij het toegestroomde publiek, nam Johanna een eigen taak op zich. Als redactrice en voornaamste verslaggeefster van het tentoonstellingsblad, dat stipt op tijd driemaal per week verscheen, volgde zij de bij deze tentoonstelling gehouden lezingen en debatten op de voet in haar glasheldere Verslagen, die conform de opdracht 'inhoud en beeld maar geen kritiek' mochten bevatten. In de inderdaad moedig gekozen onderwerpen speurde men de energie en de ervaring van de voorbijgegane strijdsters uit de meest uiteenlopende hoeken, maar 'allen dorstend naar gerechtigheid'; uitbuiting van vrouwelijke arbeidskrachten, weeskinderen, woningtoestanden, prostitutie, Nieuw Malthusianisme en vele andere maatschappelijke aspecten, opgeworpen door de eis: voor man en vrouw 'Eenheid in Wet en Zede'.

Na de overrompelende indruk van de tentoonstelling zou het feminisme Johanna Naber niet meer loslaten. Zij predikte de nieuwe inzichten in woord en geschrift, als feministe en als christen, bezield door het oude Hugenotenvuur. Zij werd lid en enkele jaren later hoofdbestuurslid van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. Deze werd op 4 februari 1894 als strijdbaarder element afgesplitst van Mina Druckers Vrije Vrouwen Vereeniging, die dateerde uit 1889. Van 1901 tot 1913 was Johanna Naber voorzitster van de perscommissie van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, van 1917 tot 1922 presidente van de Nationale Vrouwenraad en terzelfder tijd nam zij deel aan werkzaamheden van de Internationale Vrouwenraad. De eerste instelling, die een overkoepeling van de meeste vrouwenverenigingen vormde, had in Nederland pas in 1898 zijn beslag gekregen; de internationale groepering van de landelijke Raden kwam al in 1888 te Washington tot stand.

In haar na 1898 verschenen boeken is intussen de nieuwe emancipatorisch-feministische overtuiging terug te vinden. Haar historische onderzoekingen betreffen nu niet alleen meer vorstelijke personen of andere prominente figuren, maar tevens De Wegbereidsters (Groningen, [1909]) o.m. Frederika Bremer . . . naar hare brieven (Haarlem, 1921) en Het leven en werken van Jeltje de Bosch Kemper (Haarlem, 1918). De herdenkingen Na tien jaren . . . (Groningen, 1908) en Na XXV jaren .. . (Haarlem, 1923) beschrijven wat al zo aan de in 1922 verkregen grondwettelijke burgerschapsrechten vooraf ging. Ook was Johanna Nabers oppositie tegen het wetsontwerp-Heemskerk (1910) betreffende het ontslag van vrouwelijke werknemers bij huwelijk, die populair bleek te zijn bij rechts en links, van zeer stimulerende betekenis. Verwerping ervan werd aanvankelijk zelfs door feministisch georiënteerde staatslieden 'ene onmogelijkheid' genoemd. Een comité van actie organiseerde desalniettemin o.m. twee openbare protestvergaderingen en het ontwerp werd teruggenomen. In 1921 gelukte het Johanna Naber haar in punten uitgewerkte eis tot 'volledige staatkundige, burgerrechtelijke en economische gelijkstelling van de vrouw' integraal en onverkort in het beginselprogramma van de liberale partij De Vrijheidsbond te doen opnemen, toen ondanks tegenstribbelende hoofdbesturen, zes vooraanstaande vrouwen uit diverse liberale organisaties daarop hadden aangedrongen.

Dat Johanna's altijd ouderwets deftige woorden waarmee zij de vrouwen in het begin van de jaren dertig tot de orde en opnieuw ten strijde riep, vlijmscherp waren, blijkt bijv. uit haar toen bekend geworden uitspraak: 'Wij mogen ons staatsburgerlijke recht van vrije zelfbeschikking niet prijsgeven door te dulden dat voor ons vrouwen als zodanig onze diploma's en acten van benoeming worden afgestempeld met "alleen geldig in geval van celibaat" ', en 'offers brengen kan ontroerend schoon zijn, maar slachtoffer worden is niet eervol.' Een ander meer persoonlijk gelanceerd protest werd door haar ondertekend met: 'Johanna W.A. Naber, géén ambtenaresse, nooit gehuwd geweest, dus niet opkomende voor eigenbelang.'

Haar vermaningen, hoe 'antiek' ook gesteld, bleven niet zonder effect en het voorbeeld-Heemskerk was bijzonder relevant, toen een jonge generatie vrouwen zich eindelijk, grotendeels met succes, opmaakte om mee te ageren tegen een reeks van ministers, die in de jaren dertig bij de economische crisis hun heil zochten in een drastische beperking van vrouwenarbeid, en waarin C.P.M. Romme, als minister van Sociale Zaken, na 1935 de kroon spande. De laatste brochures van Johanna Naber waren Wat heeft het Feminisme der Nederlandsche Vrouw gebracht? Wat mag het daarom van deze verwachten? (1934) en iets later nog Wat dunkt U van den modernen jongen man? [1938].

Haar tachtigste verjaardag bracht een grootse huldiging, nog verlevendigd door haar rake opmerkingen en haar eigen wederwoord. Zij was daarbij de gast van het Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging (IAV), in 1935 te Amsterdam gesticht door 'drie generaties' waarvan zij de oudste vertegenwoordigde.

Johanna W.A. Naber, die als geen ander bekend was met de voorgeschiedenis, de strijdbare bloeitijd en de teleurstellingen van het feminisme, overleed tijdens de door haar verfoeide bezetting op 25 mei 1941.

A: Archief in bezit van mr. S.A. L'Honoré Naber in Bilthoven. (Geregistreerd bij het Centraal Register van particuliere archieven.)

P: Behalve de hiervóór genoemde boeken en brochures: Rechlindis. Handleiding bij het kunstnaaldwerk (Haarlem, 1887); Kracht in zwakheid (Amsterdam, 1892. 2 dln.); Naast de kroon (Haarlem, 1897); De borduurkunst (Groningen, 1901); C.Ed. Taurel, De aesthetiek der vrouwenhandwerken. 4e dr. door J.W.A. Naber (Haarlem, 1899); Het College van Curatoren der stadsarmenscholen . . . te Amsterdam (Amsterdam, [1901]); Van de Revolutie tot de Restauratie (Haarlem, 1906); Onze vorstinnen uit het Huis van Oranje-Nassau in het Stadhouderlijk tijdperk. 2e verb. dr. (Haarlem, 1911. 2 dln.); Familie-correspondentie van Johan Willem Anton Naber .... Bew. door Johanna W.A. Naber [S.l., 1936].

L: Angenita C. Klooster, Korte levensschets van Johanna W.A. Naber (Utrecht, [1975]).

I: Maria Grever, Strijd tegen de stilte. Johanna Naber (1859-1941) en de vrouwenstem in de geschiedenis (Hilversum 1994) 221 [Johanna Naber omstreeks 1924].

Mw. W.H. Posthumus-van der Goot


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013