Naber, Samuel Adrianus (1828-1913)

 
English | Nederlands

NABER, Samuel Adrianus (1828-1913)

Naber, Samuel Adrianus, klassiek filoloog ('s-Gravenhage 16-7-1828 - Amsterdam 30-5-1913). Zoon van Johan Willem Anton Naber, chef afd. Geneeskundige dienst van het ministerie van Oorlog, en Catharina Elisabeth Meerburg. Gehuwd sinds 4-7-1855 met Anna Elizabeth L'Honoré; uit dit huwelijk werden 3 jongens en 3 meisjes geboren. afbeelding van Naber, Samuel Adrianus

Onder invloed van zijn tweede moeder, Caroline Verweert, was Naber aanvankelijk bestemd voor Waals predikant; maar na in zijn geboorteplaats de Franse school en het gymnasium te hebben doorlopen, liet hij zich in 1845 te Leiden inschrijven als student in de letteren. Van een aanvankelijke voorkeur voor de natuurwetenschappen zag hij wegens de ongunstige vooruitzichten af. Zijn brandpunt van interesse werd nu gevormd door de in 1846 gearriveerde graecus prof. Cobet. Deze bracht de traditionele tekstkritische richting tot een nieuwe bloei, die o.a. tot uiting kwam in het in 1851 door Naber samen met Mehler en Kiehl opgerichte tijdschrift Mnemosyne. De filologische werkzaamheid beantwoordde ook volledig aan Nabers gevoel voor nauwkeurigheid en precisie en maakte hem tot een vooraanstaand lid van de 'keurbende der Cobetianen' (prof. Kuiper). Zijn studie werd in korte tijd besloten en in 1850 afgerond met een dissertatie De fide Andocidis orationis de mysteriis, waarin op tekstkritische gronden een redevoering van Andocidis als niet authentiek werd afgewezen.

Zijn veeljarige werkzaamheid bij het middelbaar onderwijs begon met een kortstondige betrekking te Rijswijk, vanwaar hij in 1851 verhuisde naar Haarlem, waar hij als conrector werkzaam was. In deze stad kwam hij tot ontplooiing als een man van de gezellige tafel en had hij omgang met mensen als Busken Huet en Buys. In 1858 volgde zijn benoeming tot rector, maar twee jaar later vertrok hij naar Nederlands-Indië om in Batavia het gymnasium Willem III te helpen opbouwen. Dit project werd om niet opgehelderde redenen een mislukking en het volgend jaar keerde hij naar het vaderland terug, waar hij na een korte periode te Leiden, eerst prorector, en daarna rector van het gymnasium te Zwolle werd. In 1871 werd hij benoemd tot hoogleraar aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre, met als onderwijsopdracht naast Grieks en Latijn ook de Griekse en Romeinse oudheden. Pas nadat in 1877 het Athenaeum werd verheven tot een volwaardige universiteit en het docentencorps zich uitbreidde kon Naber zich allengs meer concentreren op zijn eigenlijke specialisme, het Grieks.

Gedurende zijn leraarsperiode had Naber de studie niet verwaarloosd. Naast een lange reeks artikelen in bladen als Mnemosyne en De Gids leggen daar ook enkele tekstuitgaven getuigenis van af, waaronder die van de Byzantijn Photius en de Romeinse retor Fronto. Later volgden hierop onder meer nog zijn Quaestiones Homericae (Amsterdam, 1877) en, samen met Allard Pierson, een studie der Paulinische brieven, de Verisimilia (Amsterdam, 1886). Al deze werkzaamheden zijn terug te voeren op het Leidse filologische ideaal uit Cobets tijd, dat toegespitst was op de kritische vaststelling van teksten door middel van conjecturen en tekstemendaties, maar voorbij ging aan de noodzakelijke collatie van de overgeleverde handschriften. Dat bracht Naber in conflict met Duitse geleerden, en het kan ook niet ontkend worden dat zijn reeksen emendaties, hoewel van een briljante kennis van het Grieks getuigend, vaak toch onvoldoende gefundeerd waren. De kritiek ontaardde ook licht tot hyperkritiek, en mede op grond van een te rationalistische benadering ('supra sanam rationem nihil est') kwam het wel tot een verwerping van teksten als onecht, die later toch als authentiek aanvaard zijn. Bovendien bleef de letterkundige zijde gewoonlijk buiten beschouwing, tot schade van het literair-esthetisch oordeel. Zo vond Naber, in navolging van Peerlkamp overigens, Horatius toch maar een middelmatig schrijver.

Naast filologische geschriften produceerde hij een aantal artikelen over zijn pedagogische inzichten; in Middelbaar onderwijs en paedagogiek (Zwolle, 1865) nam hij stelling tegen de maatschappijschool van Thorbecke zoals die door de M.O.-wet van 1863 in het leven was geroepen. In de politiek bleef hij echter de Thorbeckiaanse opvattingen trouw; religieus kan men hem, onder invloed van het Réveil, wellicht het beste schetsen als modern met orthodoxe trekjes. Zijn wetenschappelijke carrière voltrok zich verder zonder schokken: na een uitgebreide huldiging ter gelegenheid van zijn vijfentwintigjarig hoogleraarschap volgde twee jaar later, in juni 1898, zijn afscheid en een emeritaat dat hij ten volle benutte voor zijn wetenschappelijke en publicistische activiteiten. De waardering daarvoor komt tot uiting in zijn lidmaatschap van de Kon. Akademie van Wetenschappen (sinds 1865), alsmede van enkele buitenlandse academies en een eredoctoraat der Atheense universiteit (1912).

P: Zie de bibliografieën in de hierna te noemen levensberichten van Van Hille en Kuiper.

L: A. Poutsma, in Eigen Haard 39 (1913) 401-402; J. Vürtheim, in De Gids 77 (1913) III, 168-172; K. Kuiper, in Amsterdamsche Studenten-Almanak 84 (1914) 179-184; idem, in Jaarboek van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen 1914, 78-112; G.E.W. van Hille, in Levensberichten der afgestorven medeleden van de maatschappij der Nederlandsche letterkunde te Leiden 1914-1915, 1-58.

I: Kleurrijke Professoren, onder red. van Ellinoor Bergvelt e.a. (Amsterdam 2007) 69. [Portret: Ferdinand J. Hart Nibbrig, 1896].

H. van der Hoeven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013