Neher, Lambertus (1889-1967)

NEHER, Lambertus (1889-1967)

Neher, Lambertus (schuilnaam in de illegaliteit: Dijkstra) directeur-generaal der PTT (Amsterdam 13-9-1889 - Voorst 22-8-1967). Zoon van Johan Christiaan Neher, timmerman, en Elisabeth Sepp. Gehuwd op 29-6-1916 met Aaltje van den Broek. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. afbeelding van Neher, Lambertus

Neher doorliep lagere school en mulo in zijn geboorteplaats. Aanvankelijk koos hij voor een loopbaan ter koopvaardij en voer 2½ jaar bij de Koninklijke West-Indische-Maildienst. Een onvoldoende gezichtsscherpte maakte echter aan deze ambitie een einde.

In 1907 trad Neher als aspirant-monteur/lijnwerker in dienst van de Amsterdamse Gemeentetelefoon. Al spoedig ontwikkelde hij zich tot een expert in de toen nog jonge automatische telefonie. Mede hierdoor haalde de Gemeentelijke Telefoondienst te 's-Gravenhage hem in 1913 binnen zijn muren als opzichter-centralechef.

Sedertdien maakte hij op Amerikaanse wijze carrière. In 1919 werd hij ingenieur 2e klasse en een jaar later Ie klasse - voor een niet-academicus een zeldzame promotie. Een voorlopig eindpunt was zijn benoeming tot directeur van juistgenoemde dienst in 1935. Daarenboven deed Neher van zich spreken door in het midden van de jaren twintig met enige Haagse telefoontechnici de zg. Telefoonradio tot stand te brengen; een omroepdistributiesysteem over telefoonaders.

De bezettingstijd plaatste hem voor hete vuren. Gezien zijn aard en instelling - waarover verderop meer - kon een confrontatie met de nieuwe machthebbers niet uitblijven. In het voorjaar van 1943 werd Neher wegens zijn aandeel in een ambtenarenactie tegen de Arbeitseinsatz op Duits bevel ontslagen. Tevoren was het telefoonbedrijf, te zamen met de zusterinstellingen van Amsterdam en Rotterdam, op last van de bezetter bij de PTT gevoegd.

Hierna wijdde hij zich onder de schuilnaam Dijkstra aan het verzet. Weldra zag het Nationaal Comité van Verzet (NC) hem als een van zijn voormannen, meer in het bijzonder voor de coördinatie van het inlichtingenwerk. Tevens begon Neher met de opbouw van een illegaal telefoonnet voor de Ordedienst (OD), waaraan hij evenzeer verbonden werd. Natuurlijk leiderschap, positie en levenservaring deden hem de 'beleidskant' der illegaliteit zoeken. Het bestijgen van de maatschappelijke ladder ging als het ware 'in besloten kring' verder. In de zomer van 1944 ging hij deel uitmaken van de Contactcommissie, een soort bestuursorgaan van de Grote Adviescommissie der Illegaliteit. Kort daarop werd hij door de regering in Londen aangesteld als lid van het College van Vertrouwensmannen.

Mede door zijn verdiensten in oorlogstijd en zijn frisse kijk op personeelszaken volgde Neher na de bevrijding M.H. Damme als directeur-generaal der PTT op. Met voortvarendheid leidde hij de wederopbouw van dit zwaargehavende staatsbedrijf. Na een periode van herstel - globaal tot 1950 - werd onder Nehers aanvoering een verdere uitbreiding ter hand genomen. Nieuwe technieken, met name bij de telecommunicatie, deden hun intrede. Het Hoofdbestuur (de huidige Centrale Directie) werd gereorganiseerd en beter bruikbaar gemaakt als beleidsinstrument voor de toekomst. Het delegeren van bevoegdheden naar de regionale post- en telefoondirecties nam een aanvang. Bundeling van onderzoek en ontwikkeling in een centraal instituut - het tegenwoordige Dr. Neher Laboratorium (DNL) - vond plaats. Interne bedrijfsopleidingen kregen een eigentijds gezicht. Een voor die dagen vooruitstrevend personeelsbeleid ging het vroegere, starre personeelsbeheer in etappes vervangen. Veelal zeer direct en krachtig waren bij al deze veranderingen de impulsen van de directeur-generaal. Kort voor zijn pensionering in 1954 verleende de Delftse TH hem een eredoctoraat in de Technische Wetenschappen.

Nehers loopbaan werd onderbroken door een kort politiek intermezzo. In februari 1947 aanvaardde hij als lid van de Partij van de Arbeid het ministerschap van Wederopbouw en Volkshuisvesting. Hij bedong echter de overgang van de PTT van het departement van Waterstaat naar zijn ministerie. Ruim een jaar later wachtte hem een tweede taak: gedelegeerde van het Opperbestuur in Indonesië. Enerzijds waren hij en jhr. H.F.L.K. van Vredenburch een soort 'toeziende voogden' van It.-gouverneur-generaal H.J. van Mook, anderzijds moesten zij als intermediair tussen wettig gezag en republikeinen de nodige onderhandelingen voeren. Zijn politieke optreden werd geen succes. In februari 1949 werd hij ontheven van deze functie en hervatte hij zijn werk bij PTT.

Eenmaal met pensioen, wijdde Neher zich nagenoeg geheel aan nevenfuncties. Reeds tijdens zijn ambt had hij zich als bestuurslid van de Vereniging voor Statistiek, de Rijksverdedigingsorganisatie TNO, het Koninklijk Instituut van Ingenieurs (KIVI), de Contactgroep Opvoering Productiviteit (COP), de Bescherming Bevolking (BB), de Vereniging tot bevordering van Electrotechnisch Vakonderwijs (VEV), alsmede als lid van de Raad van Bestuur van de KLM duchtig geweerd. Naast een deel van deze bezigheden bracht het presidentschap van het KIVI nieuw emplooi. Als voorzitter van de Commissie Technische studie en Maatschappijwetenschappen leverde hij een bijdrage tot de latere oprichting van de Interfaculteit Bedrijfskunde te Delft.

In de loop van de jaren zestig verminderde zijn gezondheid gaandeweg. Neher verhuisde naar het Oosten des lands en leidde tot zijn dood in 1967 een teruggetrokken leven.

Hij was een interessante, zeer begaafde autodidact, met ijzeren wil, buitensporige werkkracht en grote studiezin, ook voor kunsten, letteren en wijsbegeerte. Enerzijds een verlicht despoot met alle aankleef van dien. Een slecht luisteraar, die veel aan het woord was. In hoge mate zelfverzekerd en menend alles aan te kunnen. Zelfkritiek was niet zijn sterkste zijde. Het compromis lag hem doorgaans niet. Een doorkruiser van eigen en andermans beleid, met een soms overdreven aandacht voor details. Maar ook een waarlijk groot en onbaatzuchtig leider, die zijn werkers in woord en daad voorging en stimuleerde. Een manager-van-de-grote-lijn: krachtig, kundig, flitsend, emotioneel en rechtuit. Dit laatste bezorgde hem, naast legio vrienden en medestanders, een aantal opponenten. Gegrepen door idealen, die vanuit de Bezetting via de Doorbraak naar voren kwamen, deed hij veel voor zijn personeel. Dit had hij trouwens naar vermogen reeds als directeur van de Gemeentetelefoon in Den Haag gedaan. Hij behandelde zijn mensen joviaal. Bovendien ging het overleg met de vakorganisaties hem uitstekend af. Neher faalde daarentegen als politicus. Als dynamisch manager in hart en nieren miste hij geduld, feeling en diplomatentact voor het delicate spel der politiek. Direct op de man af en wars van schipperen en 'tawarren' kon hij bijvoorbeeld in Indonesië cultuurwereld, denkwijze en instelling van tegenspelers als een Mohammed Hatta en een Mohammed Roem niet begrijpen. Als bedrijfsleider evenwel was Neher op zijn best.

P: L. Neher, Werking en toepassing van het automatisch telefoonsysteem der Western Electric Co. bij den Gemeentelijken Telefoondienst van 's-Gravenhage, in De Ingenieur 37 (1922) 18 (6 mei) 338-347.

L: Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 . . ., 4c-II, 1196-1203 en 1967-1970; 'Korte biografie van Lambertus Neher', in KABO-Post 6 (1954) no. 19 (25 september) 150; F.Q. den Hollander, in De Ingenieur 79 (1967) A537-A538; J.J. Klaasesz, in PTT-Bedrijfsbanden 8 (1967) 10 (oktober) 10-11; R. van Spronsen en J.G. Visser, De Haagse telefoonradio 1926-1940 feiten en achtergronden ('s-Gravenhage, 1970) passim; J.G. Visser, 'Manager van de grote lijn', in Onze Jaren 45-70, I (1972) 95; idem, 'Van monteur tot minister . . .', in Het PTT-Bedrijf 18 (1972) 12-17; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1976) VII.

I: H. Baudet, De lange weg naar de Technische Universiteit Delft (Den Haag 1992) 333 [Foto: PTT-Museum, Den Haag].

J.G. Visser


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013