Nijgh, Henricus Paul (1876-1949)

 
English | Nederlands

NIJGH, Henricus Paul (1876-1949)

Nijgh, Henricus Paul, cargadoor en reder (Rotterdam 9-3-1876 - De Bilt 25-12-1949). Zoon van Henricus Nijgh, kapitein ter zee, en Petronella Johanna van Ommeren. Gehuwd sinds 13-7-1905 met Adriana Wilhelmina Elizabeth van Oosterzee, uit welk huwelijk 3 dochters en 2 zoons werden geboren. Dit huwelijk werd door echtscheiding ontbonden op 15-4-1925. Op 30-4-1925 gehuwd met Cornelia van Merkestijn. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Nijgh, Henricus Paul

Na in 1895 de Openbare Handelsschool in Amsterdam te hebben afgelopen, ontving Paul Nijgh een voortgezette opleiding in de handel en scheepvaart bij verschillende binnen- en buitenlandse relaties van de Rotterdamse cargadoorsfirma Phs. van Ommeren. Vanaf 1900 was hij werkzaam bij deze onderneming in Rotterdam, in 1905 kreeg hij de procuratie en in 1910 werd Nijgh medefirmant. Inmiddels was hij zich actief gaan bezighouden met de arbeidsverhoudingen in de Rotterdamse haven. In 1907 was namelijk de Scheepvaartvereeniging, een samenbundeling van werkgevers uit de Rotterdamse haven, opgericht en Paul Nijgh, die zijn firma daarin vertegenwoordigde, verwierf zich al spoedig een bestuursfunctie. Zijn moderne inzichten bleken toen hij in 1911 samen met de vakbondsleider van het NVV Johan Bräutigam niet alleen een staking van zeelieden tot een goed einde wist te brengen, maar tevens een collectieve arbeidsovereenkomst - de eerste in de zeevaart- wist af te sluiten. Konden conflicten met de zeelieden voortaan door overleg uit de weg geruimd worden, veel moeilijker werd de situatie bij de havenarbeiders, die ten gevolge van de Eerste Wereldoorlog massaal werkloos werden. Paul Nijgh, in 1913 voorzitter van de Scheepvaartvereeniging geworden, slaagde er niet in zijn grootscheepse plannen ten aanzien van de bestrijding van de werkloosheid door te zetten. Pas toen de bestaande steunregelingen te kort schoten en er grote onrust in de haven ontstond kon hij zijn aarzelende collega's meekrijgen in de oprichting van een 'Havenreserve' (later Haven Arbeids Reserve genaamd) ter ondersteuning van werkloze havenarbeiders en voor het centraal aannemen en uitbetalen.

Nieuwe onrust in 1918, de groeiende kracht van de Rotterdamse arbeidersbeweging én het verlangen om bij het verwachte aanbod van schepen na afloop van de oorlog het werk ongestoord voortgang te doen vinden, brachten hem er toe om zijn medewerkgevers in het voorjaar van 1918 te waarschuwen, niet kortzichtig aan 'verouderde vrijheidsbegrippen' vast te houden. Zodra berichten over revolutie in Europa hem ter ore kwamen, ontvouwde hij zijn plannen voor een Loonraad in de Havenen Zeevaartbedrijven, waarin werkgevers en werknemers met gelijke zeggenschap over de loon- en arbeidsvoorwaarden zouden beslissen. Toen echter duidelijk werd dat de machtsverhoudingen in de maatschappij minder ingrijpend waren gewijzigd dan zich in 1918 had laten aanzien en het economisch getij kenterde, bleek de Loonraad niet te kunnen werken en werden de hoge verwachtingen van Paul Nijgh niet bewaarheid. Een staking in 1920, met een loonsverhoging als gevolg van het gestegen prijspeil tot inzet, ondergroef de basis van de Loonraad, en toen ook verschillende werkgevers zich tegen hem keerden, trok Nijgh, die, zeker als het om een afwijkende opstelling van enkelen in een gemeenschappelijk overleg ging, spoedig ongeduldig en geïrriteerd raakte, zich terug. In 1921 verliet hij de Loonraad, gaf zijn voorzitterschap van de Scheepvaart Vereeniging Zuid op en vroeg ontslag als lid van de Hooge Raad van Arbeid, waarin hij sinds de oprichting van 1919 zitting had gehad. Teleurgesteld verliet hij Rotterdam om zich in Bilthoven te vestigen.

Zijn functie als president van de Raad van Toezicht der Coöperatieve Vereniging 'Centraal Beheer' G.A. (1920-1927) bleef hij behouden, evenals het voorzitterschap van de Commissies van Toezicht van de daarbij aangesloten verenigingen Zee-risico' (1915-1927) en 'Pensioen-Risico' (1920-1927). Voorts was hij commissaris van de Centrale Werkgevers Risico-Bank (1914-1927). In 1933 werd hij tot commissaris van de NV Holland-Amerika Lijn gekozen, hetgeen hij tot 1949 bleef. Maar zijn grootste werkkracht was gewijd aan de expansie van het Van Ommeren-concern, waarvan hij sinds de omzetting in een naamloze vennootschap in 1923 commissaris en van 1932 tot 1949 president-commissaris was. In dat zelfde jaar overlijdt hij, 73 jaar oud, in De Bilt.

Paul Nijgh is een modern, sociaal ondernemer geweest. Hoewel zijn grootste schepping, de Loonraad, zijn tijdgenoten wel tot voorbeeld maar niet tot navolging heeft gestrekt, is zijn sociaal beleid in de Rotterdamse haven van groot belang geweest. Ter herinnering aan zijn werk is in 1956 in Rotterdam de stichting 'Paul Nijgh Penning' opgericht, die jaarlijks onderscheidingen uitreikt aan die Rotterdammers die zich op sociaal of cultureel terrein bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt.

P: De geschiedenis der Havenreserve te Rotterdam (Rotterdam, 1918); voorts heeft Paul Nijgh enkele brochures geschreven in de jaren 1918-1929, die vermeld zijn in de hieronder genoemde Stand van Zaken.

L: Stand van Zaken. Gedenkboek bij het vijftigjarig bestaan der Scheepvaart Vereeniging Zuid. . . Samengest. door A.J. Teychiné Stakenburg (Rotterdam, 1957); A.J. Teychiné Stakenburg in Werkers aan de Waterweg (Rotterdam, 1972); F.S. Gaastra, in Vier Eeuwen Varen (Bussum, 1973) 300-315.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1090.

F.S. Gaastra


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013