Oppermann, Otto [Alexander] (1873-1946)

 
English | Nederlands

OPPERMANN, Otto [Alexander] (1873-1946)

Oppermann, Otto [Alexander], mediaevist (Blasewitz bij Dresden 10-6-1873 - Wiesbaden 28-12-1946). Zoon van Eduard Oppermann, jurist, en Elise Platz. Hij was ongehuwd. afbeelding van Oppermann, Otto [Alexander]

Oppermann studeerde, na het Staats-Gymnasium te Dresden bezocht te hebben, te Bonn, Leipzig en Berlijn. Hij bleef een geestdriftig lid van de Burschenschaft 'Alemannia'. De jonge historicus promoveerde in 1897 te Leipzig bij K. Lamprecht op het proefschrift Das kursächsische Amt Wittenberg im Anfang des 16. Jahrhunderts . . . (Leipzig, 1897). Hij was medewerker van het Gesellschaft für Rheinische Geschichtskunde en werkte daarnaast in het stedelijk archief te Keulen en schreef in 1902 een Führer durch die Münzsammlung des Historischen Museums der Stadt Köln.

Aangezien in die tijd de beoefening van de middeleeuwse geschiedenis in Nederland verre ten achter was bij die in het buitenland, stelde de Utrechtse rijksarchivaris mr. S. Muller Fzn-, na ingewonnen informaties bij de Keulse stadsarchivaris, in 1904 aan curatoren van de Utrechtse Rijksuniversiteit voor om Oppermann aan deze Universiteit te verbinden. Zodoende werd de toen 31-jarige geleerde als lector benoemd in de mediaevistiek en historische hulpwetenschappen. Zijn (niet gedrukte) openbare les luidde: 'Mittelalterliche Urkundenfälschungen als Quelle der Verfassungsgeschichte von Staat und Kirche'. De leeropdracht was ook speciaal bedoeld om de opleiding van de Nederlandse archivarissen te verbeteren. In 1909 aanvaardde hij het ambt van buitengewoon hoogleraar met de inauguratierede over Noord-Nederland in de geestelijke geschiedenis der Middeleeuwen (Utrecht, 1909). In 1918 werd hij gewoon hoogleraar. Van 1908 af waren al belangrijke publikaties van zijn hand over Nederlandse Middeleeuwse geschiedenis verschenen, vooral over Holland en Utrecht in de 12de en 13de eeuw gebaseerd op zorgvuldige bronnenkritiek. Spoedig na zijn komst in Utrecht was onder zijn auspiciën het Instituut voor Middeleeuwse Geschiedenis opgericht, toentertijd een unieke instelling in het land.

Zijn colleges maakten op vele studenten een grote indruk, zodat hij reeds in 1913 als promotor kon optreden (N.B. Tenhaeff). Ondanks zijn doofheid behield hij contact met de gevorderde en afgestudeerde leerlingen. In zijn geschriften begon de oorkondenkritiek - tot dusver in Nederland hoegenaamd niet beoefend - een steeds meer overheersende plaats te krijgen. Zo onderwierp hij in de Untersuchungen zur nordniederländischen Geschichte des 10. bis 13. Jahrhunderts (1920-1922. 3 Bdn.) de Egmondse oorkondenschat en ook andere oorkondengroepen aan een zeer kritisch onderzoek. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat het Historisch Genootschap in 1925 aan Oppermann een nieuwe uitgave van de Annales Egmundani en andere Egmondse geschiedbronnen opdroeg. Zo verschenen in 1933 de Fontes Egmundenses, waarin zowel verhalende bronnen als oorkonden op hun echtheid getoetst worden.

Inmiddels had Oppermann zich ook met oorkonden buiten Nederland beziggehouden. Vóór zijn komst in Utrecht werkzaam aan een commentaar ten dienste van een nieuw Rheinisches Urkundenbuch kon hij hiervan het eerste deel pas in 1922 voltooien onder de titel van Rheinische Urkundenstudien I (Utrecht, 1922). Het zetsel van het tweede deel verbrandde in 1941 door een bombardement op Keulen. Gelukkig kon de tekst met behulp van drukproeven opnieuw gezet en door F. Ketner postuum uitgegeven worden (1951). Even kritisch was zijn in 1928 verschenen lijvig boek Die älteren Urkunden des Klosters Blandinium und die Anfänge der Stadt Gent (Utrecht, 1928). Het volgende jaar schreef Oppermann een diplomatische studie over Die fränkische Staatsgedanke und die Aachener Königskrönungen des Mittelalters (Utrecht, 1929).

Het kon niet uitblijven, dat in binnen- en buitenland de geschriften van Oppermann en van sommige zijner leerlingen op diplomatisch gebied felle antikritiek teweeg brachten. Oppermann achtte zich geroepen de laatsten te verdedigen, o.m. in zijn boekje Opmerkingen over Hollandse stadsrechten der XIIIe eeuw (Utrecht, 1923). Hierin verdedigde hij de resultaten van de dissertatie van C.D.J. Brandt tegen J. Huizinga inzake de onechtheid van de stadsrechten van Haarlem, Delft en Alkmaar. Brandt keerde zich later tegen de zienswijzen van zijn leermeester en verdedigde de echtheid van het charter van bisschop Godebold anno 1127 voor de stad Utrecht. Hiertegen handhaafde Oppermann in het Nederlands Archievenblad (NA) (1933-1934) de onechtheid. Het Tijdschrift voor Geschiedenis (TvG) van 1933 bevat een verdediging door Oppermann van de door Brandt aangevallen resultaten van F. Ketners proefschrift (1932) over De oudste oorkonden van het klooster Bethlehem bij Doetinchem (Utrecht, 1932).

De indruk van droogheid en hyperkritiek die Oppermann bij de buitenwereld wekte, werd intussen weerlegd zowel door een dichtbundel Späte Ernte (1926), waaruit een geheel ander aspect van zijn geest bleek, als door de feestbundel ter ere van zijn 25-jarig ambtsjubileum, duidelijk de sterke gehechtheid van juist de oudleerlingen aan hun leermeester bewijzend (afl. TvG in 1934).

In september 1944 werd Oppermann door de Gestapo gedwongen naar Duitsland terug te keren, waar hij in kommervolle omstandigheden overleed. Nog een tweede postume publikatie verscheen in 1952: het door hem niet voltooide, maar door W.J. Alberts en F. Ketner tot een kleiner geheel aangevulde werk Kölnisch-geldrische Urkundenstudien zur Geschichte des 13. Jahrhunderts (Arnhem, 1952). Hierin wordt o.m. een groot deel van de oudste Gelderse stadsrechten voor onecht verklaard. In voetnoten blijken de bewerkers het overigens niet altijd eens met Oppermanns resultaten te zijn.

Diepgaande onderzoekingen van de zg. particuliere oorkonden hebben uitgewezen, dat Oppermann in zijn oorkondenkritiek ongetwijfeld veel te ver is gegaan. Recent verschenen publikaties verwerpen dan ook vaak zijn kritiek. Niettemin is zijn invloed op de Nederlandse mediaevistiek van eminente betekenis geweest. Dit moge al blijken uit het feit, dat niet minder dan acht bij hem gepromoveerde leerlingen aan het hoger onderwijs verbonden werden.

P: Behalve de reeds genoemde werken 'Untersuchungen zur Geschichte von Stadt und Stift Utrecht vornehmlich im 12. und 13. Jahrhundert', in Westdeutsche Zeitschrift für Geschichte und Kunst 27 (1908) 185-263; 'Holland onder de regeering van graaf Floris V 1256-1296',in De Gids 26 (1908) IV, 521-540; in het Duits verschenen in Studium Lipsiense. Ehrengabe Karl Lamprecht (Berlin, 1909) 100-121; 'De onechtheid der oorkonde van Graaf Balderik voor St. Maarten te Zyfflich', NA 24 (1915-1916) 49-53; 'Oorkondenkritiek zooals ze niet zijn moet', ibidem, 26 (1917-1918) 144-147; 'Problemen van kritiek op middeleeuwsche geschiedbronnen', TvG 45 (1930) 1-17; 'Bella diplomatica rondom het klooster Bethlehem bij Doetinchem', ibidem, 48 (1933) 376-390; 'De onechtheid van bisschop Godebolds oorkonde van 1127', NA 41 (1933-1934) 182-190; 'Bella diplomatica Brandtiana und kein Ende', ibidem, 41 (1933-1934) 254-260; 'De uitgave der Fontes Egmundenses en haar jongste criticus', Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde (BVGO) 7e reeks 5 (1935) 33-54; 'Bijdrage tot de kritiek der oudste oorkonden voor de abdij Mariënweerd', ibidem, 6 (1935) 205-226.

L: 'Prof. Oppermann †', in NA 51 (1946-1947) 106-107 [= art. van T.S. Jansma in NRC, 31 jan. 1947]; D.Th. Enklaar, in Jaarboek der Rijksuniversiteit te Utrecht 1946-1947, 15-22.

I: Bas van Bavel, 'Een verbeten jacht op valse oorkonden. De diplomatische studiën van Oppermann en zijn school', in Madoc. Tijdschrift over de Middeleeuwen 7 (1993) 246 [Portret: Carl Wohlrab].

F. Ketner


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013