Pelkwijk, Gerhard Abraham Willem ter (1882-1964)

 
English | Nederlands

PELKWIJK, Gerhard Abraham Willem ter (1882-1964)

Pelkwijk, Gerhard Abraham Willem ter, burgemeester van Utrecht (Elst 29-3-1882 - Doorn 8-9-1964). Zoon van Jan ter Pelkwijk, ontvanger der registratie, en Anna Maria Marcella van Nouhuijs. Gehuwd op 9-6-1910 met Alida Johanna Jacoba Donath. Uit dit huwelijk werden 2 dochters en 3 zoons geboren. afbeelding van Pelkwijk, Gerhard Abraham Willem ter

Ter Pelkwijk bezocht het gymnasium te 's-Gravenhage en studeerde op 18 september 1902 tot 31 januari 1907 rechtswetenschappen te Leiden, waar zijn promotie op 18 mei 1911 in de staatswetenschap op stellingen plaatsvond.

Ondertussen was hij sinds 1-4-1908 adjunct-commies bij de sociaal-economische afdeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek geworden. In 1912 volgde zijn aanstelling op de juridische afdeling van de gemeentesecretarie in Den Haag waar hij spoedig verschillende rangen doorliep. Zijn activiteiten beperkten zich niet tot secretariebezigheden. Zo was hij zeer nauw betrokken bij de huldiging van koningin Wilhelmina op 18 november 1918 op het Malieveld als reactie op Troelstra's bekende 'vergissing'. Na zijn benoeming tot gemeentesecretaris in 1920 was hij niet alleen actief bij de vorming en uitvoering van diverse Haagse plannen, zoals de wens tot aanleg van een vliegveld, de stadsuitbreiding en de bouw van het stadhuis, maar ook bleek zijn betrokkenheid bij de organisatie van het verzet tegen de Belgische annexatiepogingen om Zeeuws-Vlaanderen en een deel van Limburg in handen te krijgen. Ter Pelkwijk was bovendien in 1923 de man die leiding gaf aan de voorbereiding van de viering van het zilveren regeringsjubileum van koningin Wilhelmina.

Ondanks zijn grote affiniteit tot de residentie gaf hij toch gevolg aan de uitnodiging om burgemeester van Utrecht te worden. Op 15 januari 1934 volgde de aanvaarding van deze functie die hij met grote ijver vervulde. Zo greep hij bijv. in toen de Rijksoverheid naar zijn mening te weinig medewerking verleende bij het ophogen van spoorlijnen bij het Centraal Station, waarmee in de crisistijd een groot stuk werkgelegenheid gemoeid was. Typerend voor hem was het feit dat hij zelf de bij het project behorende gegevens ten departemente bezorgde met de aantekening op het stuk 'Zijne excellentie wacht er op'. Hij smaakte het genoegen dat de werkzaamheden daarna spoedig konden beginnen. Verder had hij een bijzonder grote invloed op de totstandkoming van het Centraal Oranje Comité, de aanleg van renbanen op 'Mereveld', de bouw van het Centraal Militair Hospitaal. Als burgemeester werd hij in 1936 nauw betrokken bij het derde eeuwfeest van de Rijksuniversiteit, ter gelegenheid waarvan het universiteitsmuseum werd ingericht. Nog in hetzelfde jaar kreeg Utrecht zijn stadion 'Galgenwaard'. Onder zijn burgemeesterschap werd in 1938 de Beatrixhal van de Koninklijke Nederlandse Jaarbeurs geopend, werden tramlijnen tot buslijnen getransformeerd, kon in 1939 de restauratie van de Domtoren worden voltooid, werd een aanzet gegeven tot de bouw van een stadsschouwburg en werd de nieuwe vleugel van het stadhuis in gebruik genomen.

Op 1 april 1942 werd Ter Pelkwijk door de bezetter van zijn taak ontheven. Het ontslag kwam niet geheel onverwacht gezien zijn houding en uitlatingen t.o.v. de bezetter. Hij dook onder in Doorn en bereidde zich daar met zijn medewerkers voor op de bevrijding, die hij evenwel niet in alleen juichende vreugde kon begroeten -zijn zoon Jan Joost was nl. aan boord van de mijnenveger Endeh in de Indonesische wateren in 1942 gesneuveld.

Op 7 mei 1945 volgde Ter Pelkwijks glorieuze terugkeer. Onmiddellijk stortte hij zich met alle energie op het herstel van Utrecht. Tot zijn grote voldoening besloot de gemeenteraad op 26 februari 1948 een grondregeling met het Rijk aan te gaan t.b.v. de definitieve vestiging van het nieuwe Jaarbeurscomplex op het voormalige 'Suikerterrein'. Op 31 maart 1948 nam hij afscheid als burgemeester.

Zowel tijdens als na zijn actief burgemeesterschap vervulde Ter Pelkwijk tal van maatschappelijke functies. Zo was hij curator en president-curator van de Rijksuniversiteit te Utrecht, resp. van 1946-1950 en van 1950-1954, lid en later voorzitter van het stads- en academisch ziekenhuis (1934-1954), lid van de Raad van rechtsherstel en voorzitter van het bestuur van het revalidatiecentrum 'De Hoogstraat' (1962-1964).

Ter Pelkwijks verdiensten voor Utrecht vonden o.a. erkenning in de aanbieding van een bronzen plaquette met zijn beeltenis in 1946 en de gouden stadsmedaille bij zijn afscheid met de woorden 'Bonorum rector, malorum victor'. Deze laatste spreuk paste goed bij het moedige, vaak onbuigzame, doch sterke karakter van de burgemeester wiens levensdevies 'Leven is vechten' was.

P: De bevrijding van Utrecht (Utrecht, 1946); 'Utrecht in de Meidagen van 1940', in Jaarboekje van "Oud-Utrecht" 1949, 137-157; Utrecht in de eerste jaren van de bezetting (Utrecht, [1950]); Utrecht in de eerste jaren na de bevrijding (Utrecht, [c. 1955]); Terugblik (Doorn, [c. 1961]).

L: Naast verslagen van de gemeenteraad van Den Haag van 8-1-1934, alsmede van Utrecht van 15-1-1934 en 31-3-1948, A. Graafhuis, 'Utrechts burgemeesters 1813-1948 . ..', in De Schakel. Personeelsorgaan van de gemeente Utrecht (1970) 70 (december) 1-4.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1140.

A. Graafhuis


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013