Pot, Combertus Willem van der (1880-1960)

 
English | Nederlands

POT, Combertus Willem van der (1880-1960)

Pot, Combertus Willem van der, rechtsgeleerde (Zevenbergen 25-1-1880 - 's-Gravenhage 25-6-1960). Zoon van Barend van der Pot, fabrikant, en Johanna Gosewina de Voogt. Gehuwd op 27-7-1905 met Lubertha Niermans. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. afbeelding van Pot, Combertus Willem van der

Sinds zijn tweede jaar verbleef Van der Pot op de kleine buitenplaats 'Overenk', een half uur gaans van Zwolle, waar hij na de lagere school de Rijkshogereburgerschool doorliep en in 1896 het eindexamen behaalde. Na twee jaar privaatles slaagde hij in 1898 tevens voor het eindexamen gymnasium te Kampen. Hij liet zich als student inschrijven aan de Universiteit van Utrecht en promoveerde daar op stellingen in 1903 tot doctor in de rechtswetenschap.

Van der Pot vestigde zich als advocaat en procureur te Dordrecht, een beroep dat hij slechts één jaar uitoefende. Tevens trad hij op als redacteur van de Dordrechtsche Courant. In 1904 ging Van der Pot naar Zwolle, waar hij tot 1910 werkzaam was bij de provinciale griffie. Hij was bovendien kantonrechter-plaatsvervanger en secretaris van de Commissie van Toezicht op het Lager Onderwijs. Inmiddels volgde in 1905 het doctoraal examen in de staatswetenschap. Daarna verhuisde hij naar Leiden in 1910 in verband met zijn benoeming tot secretaris van het hoogheemraadschap Rijnland. In 1912 werd hij als vrijzinnig democraat lid van de Leidse Gemeenteraad, in 1917 secretaris van de Kamer van Koophandel. In 1918 werd hij wethouder van de gemeente Leiden. In die hoedanigheid beheerde Van der Pot gedurende drie jaren de portefeuille van financiën en volkshuisvesting. Uit die tijd dateert zijn belangstelling voor de gemeentefinanciën, de volkshuisvesting en de ruimtelijke ordening. Inmiddels was hij in 1916 cum laude in Utrecht bij zijn leermeester J. de Louter gepromoveerd in de staatswetenschap op het proefschrift Wet en algemeene maatregel van bestuur in het Nederlandsche Staatsrecht, dat hem in de eerste gelederen van de beoefenaren van het publieke recht in ons land plaatste. In 1921 werd hij benoemd tot hoogleraar in het staatsrecht, administratief recht, staatkundige geschiedenis en volkenrecht in Groningen, waar hij Ph. Kleintjes opvolgde. Zijn op 19 november 1921 gehouden intreerede luidde: De verdeeling der staatstaak. Talloze publikaties op het gebied van het gemeenterecht, de rechtsgeschiedenis en het staatsrecht in het algemeen zagen sindsdien het licht. Zo publiceerde hij in 1928 een nieuwe uitgaaf van de vijfde druk van J. Oppenheim, Het Nederlandsch Gemeenterecht (Haarlem, 1928-1932. 3 dln.). Van Vollenhoven spreekt over een 'keurige bewerking', daar Van der Pot zijn eigen opvattingen naar voren brengt zonder aan die van Oppenheim afbreuk te doen. Inmiddels was hij in 1926 lid geworden van de Staatscommissie voor de Waterstaatswetgeving, terwijl hij o.m. van 1930 tot 1950 voorzitter was van het Scheidsgerecht voor de ziekteverzekering, van 1931 tot 1939 lid van de Groningse gemeenteraad en verder curator van het Groningse Stedelijk Gymnasium (tot 1945) en lid van de Onderwijsraad (tot 1960), rechter-plaatsvervanger (tot 1950).

Vriend van historisch onderzoek had Van der Pot er behoefte aan de rechts- en staatsinstellingen van het heden historisch te verklaren en te begrijpen. Dit komt ook tot uiting in zijn belangrijkste werk, het Handboek van het Nederlandsche Staatsrecht, dat vlak vóór de Duitse inval in 1940 verscheen. De opzet is overigens die van een systematisch ingedeeld commentaar op de grondwet met de hoofdzaken van organieke wetten. Ofschoon deze indeling in de praktijk niet heeft gewerkt, vooral ten gevolge van de staatsrechtelijke ontwikkeling van 1954, heeft het boek als leerboek zeer veel gezag gehad. Nog steeds wordt het, thans in de bewerking van A.M. Donner, gebruikt. Tweemaal preadviseerde hij voor de Nederlandse Juristen Vereniging, en wel in 1925, te zamen met F.G. Scheltema, over de wettelijke regeling van het vernietigingsrecht van de kroon en in 1935, te zamen met F.J.A. Huart, over de vraag betreffende de wenselijkheid van delegatie door de gemeenteraad aan het college van Burgemeester en Wethouders. In 1925 bracht hij tevens een preadvies uit voor de Vereniging voor Wijsbegeerte des rechts, getiteld : Het Parlementarisme als staatsvorm. De laatste keer dat hij preadviseerde was in 1951 voor de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, te zamen met F.E. de Visschere over De verordenende bevoegdheid van lagere niet-territoriale organen (Zwolle, 1951). Van 1930 tot 1957 was hij lid van de redactie van het inmiddels met het Rechtsgeleerd Magazijn samengesmolten tijdschrift Themis. Naast artikelen verschenen hierin vele boekbesprekingen van zijn hand. Bovendien werd hij in 1937 benoemd tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, voor welk gezelschap hij in 1939 zijn mededeling deed over De plaats van het koningschap in ons hedendaagsche staatsrecht. Hij stelt hierin dat de monistische verhouding van regering en volksvertegenwoordiging in werkelijkheid een dualistische is. Hierop voortbouwend is men zich de vraag monisme of dualisme later ook gaan stellen binnen de kroon, dus bij de relatie koning-minister. In 1947 leverde hij nogmaals een bijdrage aan de Akademie door in opdracht daarvan de geschiedenis van de Nederlandse Staatswetenschap sedert 1813 te beschrijven.

Tijdens de Duitse bezetting publiceerde Van der Pot nagenoeg niets, maar wel maakte hij als ondervoorzitter deel uit van een commissie ter bestudering van vraagstukken van administratief recht. Bovendien werkte hij intensief aan zijn Bestuurs- en rechtsinstellingen der Nederlandse Provinciën, dat in 1949 verscheen. Onmiddellijk na de bezetting nam hij de plaats in, waartoe hij in 1940 reeds benoemd was, nl. die van rector magnificus van de Groningse Universiteit. Op 23 juni 1945 hield hij bij de heropening der Universiteit een rede, op 16 september 1946 sprak hij bij de rectoraatsoverdracht over Het probleem van den staatsnood vroeger en thans, een onderwerp dat hij als voorzitter van de Nederlandse Juristenvereniging op de vergadering van 28 juni van dat jaar ook reeds had behandeld. Tevens werd hij in 1945 voorzitter van de Commissie tot zuivering van de politie in de provincie Groningen en voorzitter van de Groningse Raad van het rechtsherstel (tot 1960).

Inmiddels had hij zich in 1945 terstond bereid verklaard het onderwijs in het oudvaderlands recht op zich te nemen zolang nog niet was voorzien in de vacature van J.H. van Meurs. Dit deed hij tot de benoeming van P.W.A. Immink in 1946. Sinds die tijd maakte hij deel uit van het bestuur van de Vereeniging tot uitgaaf van de Bronnen van het oud-vaderlandsche recht, en vanaf 1951 tot aan zijn dood van de redactie van het Nederlands Juristenblad (NJB). Ook hierin publiceerde hij met name talloze boekbesprekingen. Tevens leverde hij vele bijdragen aan het Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis (TRG).

Na zijn emeritaat in 1950 vertrok hij naar Den Haag, waar hij zich met grote wilskracht en toewijding zette aan het ontwerpen van een nieuwe wet op het hoger onderwijs, de taak van een driemanschap, waarvan hij reeds in 1949 het presidium op zich had genomen. Dat het resultaat van de werkzaamheden, een zeer verdienstelijk lijvig ontwerp, niet een gunstiger lot beschoren is geweest - de commissie werd op 29 juli 1952 opgeheven - leverde voor hem een grote teleurstelling op. Verheugend daarentegen was zijn eredoctoraat in de rechtswetenschappen in 1956 aan de Leuvense Universiteit,

Van der Pot gevoelde zich als kind reeds aangetrokken en geboeid door het landschap en genoot van lange wandelingen en fietstochten, niet slechts als aangename lichaamsbeweging, maar ook om te registreren wat hij zag. Zo verschenen in de Verslagen en Mededelingen van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis verschillende bijdragen, waarin hij de kastelen en buitenplaatsen van de streek, de geschiedenis van de gebouwen zelf en hun bewoners, zorgvuldig uitgeplozen tot in details beschreef.

Hij was een bescheiden en van nature uiterst beminnelijk mens. Zijn groot plichtsbesef en geweldige werkkracht gingen gepaard met een uitzonderlijk uithoudingsvermogen. Ofschoon zijn gezondheid vooral in de laatste levensjaren precair was, liet hij daarvan weinig naar buiten merken. De onverwachte dood van de père noble van het Nederlandse Staatsrecht kwam dan ook voor de meesten als een grote verrassing.

P: Behalve de bovengenoemde, zijn de meeste andere publikaties te vinden in de bibliografie, opgenomen in Publiekrechtelijke Opstellen aangeboden aan prof.mr.dr. C.W. van der Pot bijzijn aftreden als hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Groningen (Zwolle, 1950) 371-377.

L: J.H. Beekhuis e.a., in Rechtsgeleerd Magazijn Themis 18 (1957) 3-4 en 21 (1960) 363; P.W.A. Immink, in TRG 28 (1960) 391-392; J.C. van Oven, in NJB 35 (1960) 27 (9 juli) 545-548; J.H. Beekhuis, in Jaarboek der Rijksuniversiteit te Groningen 1960, 37-38; A.M. Donner, in het Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1960-1961, 357-368; J.P. Duyverman, in Bestuurswetenschappen 15 (1961) 205-223; J.V. Rijpperda Wierdsma, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1965-1966. Levensberichten 118-123.

I: Bestuurswetenschappen 15 (1961) afbeelding tegenover pagina 212 [Van der Pot in 1929].

W.M. Peletier


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013