Presser, Jacob (1899-1970)

 
English | Nederlands

PRESSER, Jacob (1899-1970)

Presser, Jacob (Jacques), (ps. J. van Wageningen, J. Drukker, Herodotus, Janus, J. van Dam, Haggi Mami Reis) historicus, schrijver en dichter (Amsterdam 24-2-1899 - Amsterdam 30-4-1970). Zoon van Gerrit Presser, diamantversteller, later diamanthandelaar, en Aaltje Stempel. Sinds 30-7-1936 gehuwd met Debora Suzanna Appel en na haar overlijden in maart 1943 te Sobibor, hertrouwd op 22-1-1954 met Bertha Hartog. Beide huwelijken bleven kinderloos. afbeelding van Presser, Jacob

Presser was afkomstig uit een arm joods gezin waarin het geloof aan het opkomend socialisme een grote rol speelde. Werkloosheid in het diamantvak bracht het gezin ertoe zich te Antwerpen te vestigen (1903-1907). In Amsterdam teruggekeerd mislukte de intellectueel hoogbegaafde, maar zeer gevoelige en kwetsbare jongen op de HBS, doch vervolgens ontwikkelde hij zich op de Openbare Handelsschool tot een briljante leerling, mede onder invloed van zijn leraar Nederlands en geschiedenis A. Zijderveld. Na het eindexamen (1917) volgde hij de wens van zijn vader en werkte enige tijd zeer tegen zijn zin als kantoorbediende. In 1919 stelde een particuliere studiebeurs hem in staat om zich eerst voor te bereiden op het staatsexamen gymnasium-A en vervolgens geschiedenis en Nederlands te studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Deze studie werd in 1926 bekroond met een promotie cum laude op het proefschrift Das Buch "De Tribus Impostoribus" . . . (1926). Een enorme dorst naar kennis en een niet minder grote belangstelling voor kunst en literatuur waren kenmerkend voor deze eerste levensperiode, naast een proces van politieke bewustwording - vooral als reactie op zijn bestaan als kantoorbediende - waaruit hij als een overtuigd, doch volstrekt ondogmatisch marxist te voorschijn kwam. Zo werd reeds in deze tijd niet alleen de kiem gelegd voor de grote eruditie en kunstzinnigheid, maar ook voor het politiek engagement van zijn latere levensjaren.

In 1926 werd Presser benoemd tot leraar aan het pas opgerichte Vossiusgymnasium te Amsterdam. Hiermee trad hij eigenlijk voor het eerst uit een isolement dat gedeeltelijk was veroorzaakt door de overmatige nadruk op intellectuele vorming in zijn studiejaren. Hij ontwikkelde zich al snel tot een voortreffelijk docent, die zijn leerlingen bovendien liet delen in zijn eigen geestdrift voor kunst en cultuur. Vooral in de eerste jaren van zijn leraarschap concentreerde hij zich volledig op de school en de leerlingen. Zijn veelbelovend essay over 'Anatole France en de geschiedenis' in Historische Opstellen, opgedragen aan prof.dr. H. Brugmans (1929) werd voorlopig niet gevolgd door andere wetenschappelijke publikaties; wel werkte hij mee aan schoolboeken en schreef boekbesprekingen. De interesse voor de wetenschappelijke kant van zijn vak ontwaakte pas weer toen hij omstreeks 1930 in aanraking kwam met Jan Romein, die hem een docentschap aanbood aan het Instituut voor Historische Leergangen - een M.O.-opleiding die Romein samen met zijn vriend J. Suys had opgezet. Romein beïnvloedde Presser niet alleen in wetenschappelijk, maar ook in politiek opzicht: hij opende Presser de ogen voor de klemmende politieke problemen van die jaren. Romein werd door Presser later meermalen zijn eigenlijke leermeester genoemd, zowel op het gebied der historische wetenschap als wereldbeschouwelijk. Pressers belangstelling voor de contemporaine geschiedenis, die vooral na de oorlog in talloze publikaties aan bod zou komen, vond zijn oorsprong in de woelige jaren dertig; hij hield toen cursussen in de hedendaagse geschiedenis voor de Amsterdamse Volksuniversiteit. Ook zijn artikel 'Het antisemitisme als historisch verschijnsel', in Antisemitisme en Jodendom (1939) ontstond uiteraard direct uit het gebeuren van die tijd. Romein introduceerde hem ook in het geleerde vriendengezelschap Unitas Multiplex, voorgezeten door de filosoof H.J. Pos. Deze kring stimuleerde hem tot het schrijven van een omvangrijk boek over de confrontatie van historie en legende bij Napoleon, dat in 1940 nagenoeg gereed was maar pas in 1946 werd gepubliceerd: Napoleon. Historie en legende.

Het reeds genoemde artikel over Anatole France toonde hem al als iemand die - evenals France - de geschiedenis met een menging van ironie en medelijden tegemoet trad. In Napoleon . . . werd de ironie een ontmaskering van Napoleon als een geheel ten onrechte verheerlijkte tiran en van diens familie als een verzameling meer of minder gevaarlijke uitzuigers en nietsnutten; het medelijden werd edele verontwaardiging over het lot van alle slachtoffers van Napoleons dictatuur. In zijn eerste, op een enorme belezenheid gebaseerde, grote boek staat hij reeds ten voeten uit voor ons als de bij uitstek subjectieve, zeer bij zijn stof betrokken historicus die hij altijd is gebleven. Presser was geen analyticus; voor hem bestond er geen scheidslijn tussen wetenschappelijke problemen en levensvragen. Voor zijn tweede boek, De Tachtigjarige Oorlog (1941) , toen onder B.W. Schapers naam gepubliceerd wegens de maatregelen van de bezetter tegen publikaties door joden, geldt dit evenzeer, al was de toon uiteraard anders dan in Napoleon ... : men hoeft maar naar de datum van verschijnen te kijken om te begrijpen dat het schrijven van juist dit boek in juist deze tijd een kolfje naar zijn hand was. Het boek, waaraan ook enkele andere historici meewerkten, ontstond in recordtijd maar maakt toch een rijpe en bezonnen indruk.

De Duitse inval in ons land op 10 mei 1940 markeerde een dieptepunt in zijn leven. Zijn wanhoop aan het voortleven der Europese beschaving kwam vlak na deze gebeurtenis tot uiting in een vergeefse vluchtpoging naar Engeland, gevolgd door een mislukte poging tot zelfmoord. In de herfst van 1940 werd hij als leraar op het Vossiusgymnasium ontslagen vanwege de door de bezetter bevolen scheiding tussen joden en niet-joden bij het onderwijs. Van oktober 1941 tot zijn onderduik in mei 1943 gaf hij les aan het Joods Lyceum te Amsterdam. In maart 1943 werd zijn vrouw, Dé Appel, een oud-leerlinge met wie hij in 1936 was gehuwd, opgepakt met een vals persoonsbewijs, als 'strafgeval' naar kamp Westerbork gezonden en vandaar vrijwel direct op transport gesteld naar het Poolse vernietigingskamp Sobibor. Deze verschrikkelijke slag is de centrale ervaring van zijn leven geworden, verwoord in zijn gedichten, die gedeeltelijk reeds tijdens de oorlog illegaal werden gepubliceerd en direct daarna gebundeld in Orpheus en Ahasverus (1945) onder het pseudoniem J. van Wageningen. Hij had in zijn jeugd en ook later talloze gedichten en rijmen geschreven, waarvan echter het merendeel door hem toen en in later jaren niet geschikt noch bedoeld voor publikatie werd geacht. De gedichten die hij in en na de oorlog schreef stempelen hem tot een zeer zuivere, welluidende 'minor poëta', bij wie de traditionele vorm, gepaard aan de voorkeur voor simpele, alledaagse, doch met poëtische kracht geladen woorden aan Bloem doet denken. De vorm van deze gedichten doet er veel minder toe dan de gevoelens die spreken uit deze ontroerende verzen: als dichter was hem elke taalvirtuositeit vreemd, terwijl deze juist in zijn andere, historische werken vaak op de voorgrond trad.

Te midden van alle rampspoed wist Presser toch de geestkracht op te brengen om aan een nieuw omvangrijk boek te beginnen: Amerika. Van kolonie tot wereldmacht (1949). Evenals Napoleon ... is dit boek vaak satirisch van toon, vlijmscherp in zijn oordeel, gericht op 'debunking' en vergruizing van het beeld van Amerika als het beloofde land en de ideale staat. Het is zeker een der meest leesbare werken over de geschiedenis van Amerika ooit in onze taal verschenen, gebaseerd op een grondige kennis van een onwaarschijnlijke hoeveelheid literatuur, uiterst meeslepend geschreven en bovendien doortrokken van zijn gevoelens van sympathie jegens de underdog - negers, Indianen, armen. Nog meer dan in Napoleon... komt in dit boek zijn voorkeur voor de anekdotische kant der geschiedschrijving aan bod. Dit werd nog versterkt door zijn opvatting omtrent Amerikaanse geschiedenis als de antithese der Europese historie. Hoewel hij het nergens in zijn boek zo uitspreekt, is het toch duidelijk dat er voor hem een fundamentele tegenstelling bestond tussen Europese en Amerikaanse geschiedenis, waarvan hij zich waarschijnlijk in het geheel niet of nauwelijks bewust was. Theoretiseren over de wetenschap der geschiedenis lag hem niet -vandaar ook zijn afkeer van figuren als Toynbee - maar dat verhinderde niet dat zijn eigen historische arbeid rustte op zeer eigen, zeer persoonlijke ideeën, waarvan hij in ieder geval niet in geschrifte rekenschap aflegde. Terwijl hij, de echte Europeaan doordrenkt van de beschaving van dit continent, de Europese geschiedenis vooral zag als een voorbeeld van historische continuïteit, beschouwde hij Amerika toch in de eerste plaats als 'de nieuwe wereld' met een jonge geschiedenis waarin traditie en continuïteit nauwelijks een plaats vonden.

Na de oorlog werkte hij eerst weer als leraar aan het Vossiusgymnasium (1945-1947), welke betrekking sinds 1946 werd gecombineerd met een lectoraat in de politieke geschiedenis en de didactiek en methodiek der geschiedenis aan de faculteit der letteren van de Universiteit van Amsterdam. Zijn openbare les, Beeldbaarheid en beeldvorming in de jongste Amerikaanse historie (1947), gaf duidelijk zijn levendige belangstelling voor de Amerikaanse geschiedenis weer. Bij de oprichting van de politiek-sociale faculteit aan de Universiteit van Amsterdam in 1947 werd hij ook daar lector. Men wenste al snel dit lectoraat om te zetten in een professoraat, waarbij de Universiteit echter op felle tegenstand stuitte: de Kroon weigerde aanvankelijk de benoeming van Presser, Suys en S. Kleerekoper tot hoogleraren aan de politiek-sociale faculteit te bekrachtigen. Vooral de twee eerste kandidaten waren voor de toenmalige regering van een te verdachte, linkse signatuur om betrokken te worden bij het 'waardevrije' en 'onbesmette' hoger onderwijs dat de regering voor ogen stond. Deze affaire is te beschouwen als een uitwas van de koude-oorlogssfeer in het naoorlogse Nederland. Wat betreft Presser verwezen zijn tegenstanders vooral naar diens medewerking aan linkse bladen (De Waarheid, De Vrije Katheder, Vrij Nederland), zijn protesten tegen het McCarthyisme in Amerika en tegen de Nederlandse politiek inzake Indonesië. Na veel rumoer, dat hem zeer pijnlijk trof, werd hij in 1949 ten slotte benoemd tot buitengewoon hoogleraar en op 1 augustus 1952 tot gewoon hoogleraar. Hij aanvaardde dit ambt met het uitspreken van de oratie Historia Hodierna (1950). In 1959 verliet hij de politiek-sociale faculteit om Romein aan de faculteit der letteren op te volgen als hoogleraar in de algemene en vaderlandse geschiedenis sinds de Middeleeuwen.

Zijn ambten aan de Universiteit oefende hij uit met dezelfde hoge plichtsopvatting die voorheen zijn leraarschap hadden gekenmerkt. Zijn colleges waren druk bezocht en hij ondervond veel waardering zowel van zijn collega's als van zijn - talrijke - studenten. Bovendien beleefde hij in de naoorlogse jaren een ware explosie van creativiteit: hij schreef onophoudelijk, vooral artikelen en boekbesprekingen. Het leeuwedeel van zijn geschriften werd na de oorlog gepubliceerd. Ook anderszins was hij actief: in 1949 nam hij zitting in de redactie van de Algemene Geschiedenis der Nederlanden, sinds 1956 maakte hij deel uit van de hoofdredactie van de Algemene Winkler Prins Encyclopedie. In 1950 aanvaardde hij de opdracht van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie tot het schrijven van een geschiedenis der joden in Nederland in de jaren 1940-1945. De publikatie hiervan werd voorafgegaan door de knappe novelle De nacht der Girondijnen (1957), die zich grotendeels in het kamp Westerbork afspeelt. Voor hemzelf betekende deze novelle de beslissende doorbraak om tot het schrijven van zijn belangrijkste boek te komen: Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 verscheen in 1965 in twee delen. Het schrijven van een boek als dit zou voor iedereen een zware taak zijn geweest; hoeveel te meer dan niet voor hem, die zelf een van de slachtoffers der vervolging was. Toch was het niet onlogisch om juist hem de opdracht te verstrekken, wegens zijn grote kennis der contemporaine geschiedenis en vooral zijn instelling als historicus, die slechts kon schrijven dank zij zijn betrokkenheid bij het onderwerp, niet dank zij de afstand ertoe. De zware spanningen tijdens het werk aan het boek vonden onder andere een uitweg in het schrijven van enige detectives. Toen Ondergang . .. eenmaal was verschenen, wekte het een ongekende weerklank die voor de auteur veel heeft betekend. Er kwam ook kritiek, die - voor zover hij van de kant der vakhistorici kwam - grotendeels gerechtvaardigd was en door Presser ook wel werd aanvaard. Toch is het boek niet alleen te beschouwen als een waardig en groots monument voor de rampzalige geschiedenis van het Nederlandse jodendom tijdens de oorlog, maar ook als een origineel en doorwrocht geschiedwerk, dat bovendien eigenlijk het enige boek in zijn oeuvre was dat vooral was gebaseerd op bronnen, en niet op literatuur. Het onderzoek op zichzelf - met inbegrip van de vele interviews die hij slachtoffers en vervolgers afnam - was een werk geweest van ontzaglijke omvang, het verwerken van het materiaal tot een samenhangend geheel ging met moeilijkheden gepaard die de gewone problemen van historische arbeid wel vaak overtroffen. De voltooiing van Ondergang... betekende geenszins dat er nu een rustpauze voor hem was ingetreden: de vele reacties op het boek eisten zijn aandacht op. Zijn werk als hoogleraar ging door totdat hij in mei 1969 afscheid nam; daarnaast werkte hij onvermoeibaar aan vele nieuwe publikaties. Tot vlak voor zijn dood in 1970 bleef hij actief.

A: Archief Presser in Universiteitsbibliotheek Amsterdam.

P: Bibliografie tot 1969 in zijn afscheidsbundel Uit het werk van dr. J. Presser. Onder red. van M.C. Brands e.a. (Amsterdam, 1969) 295-320; een aanvullende bibliografie, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1969-1970, 169-170.

L: Jacques Presser. Geschenk van vrienden bij zijn zestigste verjaardag... [Samengest. onder red. van J.M. Romein e.a.] (Amsterdam, 1959); B.W. Schaper, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1969-1970. Levensberichten 161-170; B.W. Schaper, 'Jacques Presser: 'historien engagé', 1899-1970', in Tijdschrift voor Geschiedenis 83 (1970) 495-498; M.C. Brands, in Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 85 (1970) 360-363 ; L. de Jong, in Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1970. Afd. Letterk. N.R. XXXIII no. 9, 419-433; Gesprekken met Jacques Presser. Gevoerd door Philo Bregstein (Amsterdam 1972); J. Presser, Autobiografische schets 1899-1919. [Verz. en ingel. door B. Presser-Hartog]. [Bergen (NH), 1974. Uitg. in eigen beheer].

I: ANP Historisch Fotoarchief, beeldnummer 71281.

M.E.H.N. Mout


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013