Querido, Israël (1872-1932)

 
English | Nederlands

QUERIDO, Israël (1872-1932)

Querido, Israël, romanschrijver en criticus (Amsterdam 1-10-1872 - Amsterdam 5-8-1932). Zoon van Aron Querido, diamantbewerker, en Ester Lopes Dias. Gehuwd met Janet Sjouwerman op 30-5-1893. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. afbeelding van Querido, Israël

Israël, afkomstig uit een Portugees-joodse familie, groeide niet op in het echte arbeidersmilieu van die tijd. Samen met zijn broer Emanuel, de latere uitgever, ging hij naar een particuliere school in plaats van naar de stadsschool. Na zijn veertiende was er echter geen sprake meer van onderwijs en werd hij in de praktijk geschoold als horlogemaker. Bij deze opleiding liep hij een oogbeschadiging op. Vervolgens werkte hij als leerjongen in de diamantindustrie; mede door zijn oogletsel bleef hij niet lang in dat vak. Omstreeks zijn negentiende jaar vestigde hij zich zelfstandig als juwelier; dit liep echter al snel op een financieel debacle uit. Gelukkig kon hij spoedig hierna een betrekking krijgen als verslaggever bij De Amsterdammer. Reeds toen had hij zich geworpen op alles wat de lacunes in zijn kennis op kon vullen. Al lezend in de grote schrijvers der wereldliteratuur, in boeken over schilderkunst, muziek, filosofie, enz., vergaarde hij een uitgebreide kennis van de meest uiteenlopende onderwerpen. Zijn aldus verkregen kennis ging echter niet zeer diep, en daardoor treft ons in zijn werk het, vaak aan autodidacten eigen, blufferig ten toon spreiden van zijn, niet altijd even goed verwerkte, belezenheid en eruditie.

Toen Querido achttien jaren telde, was hij aan een, nooit voltooide, roman begonnen geïnspireerd door Gustave Aimard. Hij debuteerde evenwel met de bundel Verzen (1893), welke in 1894 gevolgd werd door Gedichten. Beide bundels verschenen onder het pseudoniem Theo Reeder; ze bevatten veel onrijp werk, dat een getrouwe kopie was van Gorters hypersensitivistische verzen. Querido was in die tijd een enthousiast lid van 'De Olievlek', een clubje jonge arbeiders die over allerlei zaken vaak heftig debatteerden. Gevormd door deze leerschool wierp hij zich, na het fiasco als dichter, volledig op de literaire kritiek. Kritiek beschouwde hij, in navolging van Lodewijk van Deyssel (naast Remy de Gourmont zijn grote leermeester op dit gebied), als een aparte lyrische kunstvorm. Al spoedig verschenen zijn kritieken in De Kunstwereld, later mocht hij ook voor De Amsterdammer een letterkundige kroniek, onder het pseudoniem J.V., verzorgen. Zijn artikelen werden in 1897 als Meditaties over literatuur en leven I gebundeld. Onder het reeds genoemde pseudoniem J[oost] V[erbrughe] werkte hij ook mee aan Le Rêve et l"Idée, het tijdschrift van zijn vriend Maurice le Blond, de schoonzoon van de door Querido zo bewonderde Emile Zola.

In 1897 werd hij lid van de SDAP, waardoor hij in contact kwam met Herman Heijermans, die hem, toen in 1898 De Jonge Gids werd opgericht als socialistische tegenhanger van De Nieuwe Gids, om zijn medewerking vroeg. Querido publiceerde in De Jonge Gids onder meer zijn Studiën over tijdgenooten, waarvan in 1899 het eerste deel in boekvorm verscheen. Over zijn kritische beginselen schreef hij in april 1898 aan Heijermans:' - Ik wensch niet meer 'n kritiek [...] te geven, alleen uit letterkundig gezichtspunt, maar nu voor alles als achtergrond: de geschiedenis, het leven der massa op vijfvoudige basis dus: de geschiedenis van 't tijdperk, de wijsbegeerte, de wetenschap, de sociale en politieke toestanden, de letterkundige en geestelijke verschijnselen.' (Maatstaf 12 (1964/65) 482). Hoewel socialist, moest hij Frank (Franc) van der Goes gelijk geven die hem verweet door zo te schrijven de massa van zich te vervreemden; ter verdediging voerde Querido aan dat ook Marx' hegeliaanse wijsbegeerte niet door de massa begrepen werd.

Inmiddels was Querido wat zijn scheppend werk betreft in de ban geraakt van het toen al niet meer zo nieuwe naturalisme. In zijn eerste roman, Levensgang [1901], trachtte hij, in navolging van Zola's Germinal, de Amsterdamse diamantbewerkerswereld uit te beelden. Hij volgde ook de werkmethode van Zola: naarstig legde hij archieven aan om zich te documenteren en nauwgezet werkte hij met aantekenboekjes die hij altijd bij zich droeg. Ook Menschenwee . . . [1903], waarin hij het harde bedrijf in de bloembollenstreek beschreef, ontstond volgens dit procédé; voor dit boek vestigde hij zich zelfs metterwoon gedurende een aantal jaren in Beverwijk. Hierna verschenen al spoedig romanfragmenten en essays in tijdschriften als Groot Nederland, De Gids en Nederland. Veel financieel gewin bracht hem dit alles niet; in 1909 werd de Vereeniging Querido opgericht die zich, blijkens het in het Letterkundig Museum bewaard gebleven prospectus, ten doel stelde 'den dringensten schuldenlast van Querido's schouders te nemen'. Lid van deze vereniging werden o.a. Marcellus Emants, Ch. Boissevain, F.M. Wibaut en P.J. Troelstra.

Na twee grotendeels autobiografische romans, Zegepraal (1904) en Kunstenaarsleven (1906), schreef hij een vierdelige romancyclus. De Jordaan (1912-1924), toch wel als zijn hoofdwerk te beschouwen. Ook voor deze boeken heeft hij jarenlang ter plekke gegevens en impressies verzameld. Vervolgens zocht hij nieuwe stof te bewerken en vond die in de bijbel en in de oudheid. Resultaten zijn o.m. het toneelstuk Saul en David (1914), het driedelige epos uit Oud-Perzië De oude waereld, met het wel zeer merkwaardige 'boek der toelichtingen' daarop (1921), en als vrucht van zijn belangstelling voor oudindische literatuur Misleide majesteit (1926), waarin hij tal van toespelingen vervlocht op zijn literaire vijanden. In dit laatste boek moest vooral zijn broer het ontgelden; deze had immers onder het pseudoniem Joost Mendes in zijn tiendelige Het geslacht der Santeljano's (Rotterdam, 1918-1929) de familiegeschiedenis uit de doeken gedaan en daarbij zijn broer Israël niet gespaard. Het beste van zijn werk na de Jordaancyclus waren echter zijn dagbladkritieken die hij voor Het Handelsblad schreef.

In 1927 stichtte hij samen met A.M. de Jong, met wie hij al sinds 1919 bevriend was, het socialistisch gerichte literaire tijdschrift Nu, waarin zij heftig ten strijde trokken tegen de in hun ogen te individualistische Nederlandse literatuur. Vooral de expressionistische jongeren rondom de tijdschriften De Gemeenschap en De Vrije Bladen voelden zich aangevallen en uitten hun grieven in het pamflet aNti-schUnd (januari 1928). Uitsluitend de bijdrage van Menno ter Braak daarin, 'Stand en bevoegdheid van Is. Querido's literatuur-critiek', valt op door enige coherentie; de overige bijdragen van o.m. H. Marsman, Jan Engelman, Erich Wichman en Alben Kuyle komen ternauwernood het niveau van een machteloze scheldpartij te boven. Het periodiek Nu ging al na de tweede jaargang in 1929 ter ziele, nadat aan het slot van de eerste jaargang A. M. de Jong zich uit de redactie had teruggetrokken, omdat hij het niet eens was met de strekking van een artikelenserie door Querido over Marsman. Over hem schreef De Jong aan Querido : 'Ik zie deze krampachtige man zich omhoogwringen aan alle verwarringen van de tijd, en veracht dat bedrijf grondeloos. Maar afgezien daarvan heb ik een maatschappelijk inzicht, dat zich heftig keert tegen juist deze soort literatuurfraaiigheden. Dat maatschappelijk inzicht, die maatschappelike hartstocht mis jij [. . .]'. (Tirade 20 (1976) 365). Hierin is het zelfde verwijt te proeven dat Van der Goes eerder aan Querido's adres maakte: zijn socialistische visie vond niet haar neerslag in zijn literaire werk; daarin sloot hij veel meer aan bij de individualistische stijl van de Tachtigers.

In deze periode begon Querido opnieuw aan een groots opgezette cyclus, Het volk God's, waarin hij de geschiedenis van de joodse bevolking van Amsterdam wilde uitbeelden. Querido heeft dit werk echter niet kunnen voltooien. Op 26-7-1932 werd hij voor een 'zenuwaandoening' in de Amsterdamse Boerhaavekliniek opgenomen, waar hij plotseling aan een hartverlamming overleed. Zijn vrouw en zijn zoon werden in die tijd op advies van de arts Arie Querido, de zoon van Emanuel, verpleegd in de psychiatrische inrichting Het Apeldoomsche Bosch.

Al tijdens Querido's leven verouderde zijn werk snel. Wie het pathos ervan niet kan accepteren, zal echter zijn boeken toch kunnen waarderen om hun bouw, hun forse conceptie en om de levendigheid van sommige details, maar zal blijven steken in de overdaad aan adjectieven en onmogelijke woordkoppelingen. Wat beklijft is zijn essayistisch werk, dat weliswaar gebukt gaat onder het al te nadrukkelijk ten toon spreiden van zijn eruditie, maar waarin tevens juiste oordelen en zienswijzen aangetroffen kunnen worden. Een opstel als 'Remy de Gourmont, Balzac en Sainte Beuve', opgenomen in zijn Groote figuren (1930) blijft tot de hoogtepunten in zijn kritisch werk behoren.

P: Een bibliografie van Querido door P.H. Muller in Opwaartsche Wegen 6 (1928-1929) 107-112. Daarna verschenen nog Simson. Ontreddering (Amsterdam, 1929), Essay en critiek. I. Groote figuren (Amsterdam, 1930), en twee delen van zijn Het volk God's: Van armen en rijken (Amsterdam, 1931) en Menschenharten (Amsterdam, 1932).

L: J.L. Boender, Is. Querido en het begrip literatuur (Maastricht , 1927); K. de Wind, Rond het leven van Israël Querido (Amsterdam, 1933); A.M. de Jong, Israël Querido. De mens en de kunstenaar (Amsterdam, 1933); S.P. Uri, 'Israël Querido, als Israëlietisch neo-romanticus...', Vlucht der verbeelding (Groningen [enz.], 1955) 162-171; G. Borgers, 'Herman Heijennans en Is. Querido', Maatstaf 12 (1964/1965) 476-498, 545-570; E. d'Oliveira, 'Is. Querido', in '80 en '90 aan het woord. [Samengest. door] H.U. Jessurun d'Oliveira (Amsterdam, 1966) 121-147; Sjoerd van Faassen, 'Vier brieven van Is. Querido en A.M. de Jong over Nu', Tirade 20 (1976) 361-376.

I: A.M. de Jong, Israël Querido. De mens en de kunstenaar (Amsterdam, 1933) afbeelding tegenover titelblad.

S.A.J. van Faassen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013