Rengers Hora Siccama, jhr. Duco Gerrold (1876-1962)

 
English | Nederlands

RENGERS HORA SICCAMA, jhr. Duco Gerrold (1876-1962)

Rengers Hora Siccama, jhr. Duco Gerrold, rechtshistoricus en rechtsfilosoof (' s-Gravenhage 2-12-1876 - Utrecht 7-6-1962). Zoon van jhr. Willem Adolf Werner Rengers Hora Siccama, grondeigenaar, en Alida Maria Cornelia Verkuyl. Gehuwd met Maria Dora Elfriede Nielbock op 13-8-1915; gescheiden 26-8-1930. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. Zijn tweede huwelijk werd gesloten op 26-5-1932 met Jacqueline Adriène Justine barones Van Nagell. Er waren geen kinderen uit dit huwelijk. afbeelding van Rengers Hora Siccama, jhr. Duco Gerrold

Na gymnasium in Nijmegen volgde rechtenstudie in Utrecht, waar hij op 17 februari 1905 promoveerde op een bijzonder lijvig en doorwrocht proefschrift (zie onder P.), waarin nog een tweede deel werd aangekondigd, dat evenwel nooit is verschenen, omdat de laatste (definitieve) versie ervan in oorlogstijd is verbrand. Reeds na een goed half jaar werd hij benoemd tot hoogleraar te Utrecht, en wel in de encyclopaedie der rechtswetenschap (deze overnemende van Hamaker) en, lang voordat dit in 1921 tot een verplicht vak zou worden verheven, in het oud-vaderlandse recht en zijn geschiedenis. Hij vervulde dat ordinariaat gedurende 36 jaren en trad in die tijd publicistisch veel minder naar voren dan men aanvankelijk had verwacht. Een aantal vaak zeer breed uitgewerkte boekbesprekingen, enkele artikelen en het verrassende essay Natuurlijke waarheid en historische bepaaldheid vormden zijn vooroorlogse produktie. In 1942 legde hij zijn ordinariaat neer en ontving hij van een twaalftal dankbare bewonderaars, in hoofdzaak oud-leerlingen, een omvangrijke opstellenbundel. Tegelijk werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de rechtsfilosofie, voor zover betreft de algemene rechtsleer. Tevens liet hij zich in de bezettingstijd een benoeming tot buitengewoon raadadviseur bij het departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming en één tot lid van de Nederlandsche Kultuurraad welgevallen. Hij werd op grond van het Zuiveringsbesluit 1945 als hoogleraar ontslagen - aanvankelijk zelfs met intrekking van alle pensioenrechten - daar hij, naar de bewoordingen van het desbetreffende in beroep genomen Koninklijk Besluit, in ernstige mate was tekort geschoten in het betrachten van de juiste houding in verband met de bezetting, al wordt daarbij tegelijkertijd erkend, dat hij ook blijken heeft gegeven van goed vaderlandse gezindheid en in bepaalde opzichten een afwijzende houding tegenover de bezetter heeft aangenomen. Zijn enige zoon had trouwens in het verzet de dood gevonden. Nadien schreef hij nog, vooral ter uitwerking van het reeds genoemde essay, een uitvoerige studie getiteld 'Homo iuridicus' en opgenomen in zijn Verspreide Geschriften, die zijn vier opvolgers lieten verschijnen. In zijn sterfjaar gaf hij nog eenmaal een essay uit: Paradox.

Paradoxis wel een slagwoord ter typering van zijn gecompliceerde persoonlijkheid en van zijn vaak moeilijk, ook wel vermoeiend leesbaar oeuvre. In zijn geschiedkundig werk ontmoet men, reeds van de aanvang af, maar in stijgende mate, tegelijk de (rechts)filosoof, die zich met de feiten alleen niet tevreden kan stellen, doch in zijn filosofische bespiegelingen worden telkens weer de feiten aan de ene kant en religieuze implicaties ter andere zijde mede betrokken. Zijn kritisch-historische denktrant maakt, dat hij zijn bevindingen en uitspraken telkens weer relativeert, stelt en tegenstelt, poneert en terugneemt. Maar tegelijk kan hij - vooral aan zijn proefschrift wordt dat verweten - heel scherp, vierkant, sarcastisch verwerpen wat hem onhoudbaar voorkomt. Beslissend in zijn levensbeschouwing en levenshouding is wel het onderscheid tussen het standpunt van de speler en dat van de toeschouwer. Hij stelt zich, reeds omwille van de noodzakelijk geachte zuiverheid van wetenschapsbeoefening, gedecideerd op het tweede en vergist zich dan ook deerlijk, als hij zich in de bezettingstijd op het eerste waagt. In zijn publikaties vindt men in ontelbare variaties, maar ook herhalingen, zijn inzichten als gedistantieerde toeschouwer beschreven. Voor zijn studenten is hij een fascinerend docent en gesprekspartner geweest, niet in de laatste plaats door zijn hoog en breed ontwikkelde eruditie.

P: De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht (Utrecht, 1905). Proefschrift Utrecht; De samenhang in het recht bij den strijd over de Utrechtsche kapittelen. (Utrecht, 1906). Inaugurele rede; Natuurlijke waarheid en historische bepaaldheid. (Zwolle, 1935); Verspreide Geschriften (Zwolle, 1954); Paradox (Zwolle, 1962).

L: P.W.A. Immink, in Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 30 (1962) 536-538; G.E. Langemeijer, De wijsbegeerte des rechts en de encyclopaedie der rechtswetenschap sedert 1880 (Amsterdam, 1963) 112-114; J. de Ruiter, 'Notities bij leven en werk van Rengers Hora Siccama', in Met eerbiedigende werking. Opstellen aangeboden aan prof.mr. L.J. Hijmans van den Bergh (Deventer, 1971) 103-117.

I: Opstellen aangeboden aan prof.dr. D.G. Rengers Hora Siccama 1906-1942 (Utrecht 1942) afbeelding tegenover pagina 3.

J.J.M. van der Ven


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013