Ruijneman, Daniël (1886-1963)

 
English | Nederlands

RUIJNEMAN, Daniël (1886-1963)

Ruijneman, Daniël (bekend onder de Naam Ruyneman) componist (Amsterdam 8-8-1886 - Amsterdam 25-7-1963). Zoon van Willem Ruijneman, ambtenaar bij de Nederlandse Spoorwegen, en Femmigje Kel. Gehuwd sinds 17-5-1918 met de zangeres Dina Becht. Na scheiding op 9-3-1929 hertrouwd op 4-4-1929 met Maatje Martina Marinissen. Uit beide huwelijken waren geen kinderen. afbeelding van Ruijneman, Daniël

Daniel Ruyneman werd zich pas relatief laat bewust van zijn muzikale aanleg. Als kind had hij pianolessen gekregen, maar daar hij niet wilde studeren, werden deze al spoedig stopgezet. Nadat hij een tweetal zeereizen had gemaakt en vervolgens bij het Franse Bureau van de Nederlandse Spoorwegen in dienst was getreden, begon hij zich echter op de muziek toe te leggen. Hij was toen 18 jaar. Aanvankelijk wijdde hij zich - voornamelijk autodidactiseh - aan de pianostudie, later kreeg het componeren steeds meer zijn belangstelling. Zijn eerste compositieproeven dateren van omstreeks 1910. Op aanraden van Alphons Diepenbrock, maar vooral ook door de steun van Julius Röntgen, werd Ruyneman in 1913 ingeschreven als leerling van het Amsterdams Conservatorium. Gedurende drie jaar volgde hij hier de compositielessen van Bernard Zweers. In 1916 legde hij het eindexamen af. Op zijn initiatief werd in 1918 in Amsterdam de Nederlandse Vereniging tot Ontwikkeling der Moderne Scheppende Toonkunst opgericht. Tot de leden behoorden de componisten Sem Dresden, Henri Zagwijn, Bernard van den Sigtenhorst Meyer en Alexander Voormolen. Later sloot zich ook Willem Pijper aan. De Vereniging stelde zich ten doel om door middel van concerten en muziekuitgaven werk van Nederlandse componisten 'der meest vooruitstrevende richting in ruime kring, allereerst in Nederland, later ook in het buitenland, bekend te maken', zoals in de circulaire staat te lezen, die naar aanleiding van de oprichting werd verspreid. Deze doelstellingen werden slechts ten dele gerealiseerd: weliswaar werden tussen 1918 en 1920 in verscheidene steden concerten met moderne Nederlandse kamermuziek gegeven, maar de activiteiten van de vereniging bleven tot Nederland beperkt en tot de voornoemde uitgaven is het nooit gekomen. Na de officiële opheffing in 1924 ging de vereniging over in de inmiddels opgerichte Sectie Holland van de International Society for Contemporary Music (ISCM).

In 1920 verliet Ruyneman Amsterdam en vestigde zich in het toen in cultureel opzicht zeer levendige Groningen. Hier kwam hij in contact met een aantal jonge en vooruitstrevende beeldende kunstenaars (o.a. Jan Wiegers, Johan Dijkstra, Jan Altink en J.G. Jordens) die zich in 1918 onder de naam De Ploeg aaneengesloten hadden. Tot deze kunstenaarsgroep, die een belangrijke rol speelde bij de introductie van het Duitse Brücke-expressionisme in de Nederlandse schilderkunst, behoorde ook de drukker en schilder Hendrik Nikolaas Werkman. Ruyneman werd muziekredacteur van het door Werkman uitgegeven en gedrukte Blad voor Kunst, een expressionistisch tijdschrift voor beeldende kunst, literatuur, toneel en muziek. Met het Groningse studenten-muziekgezelschap Bragi, dat hij van 1924 tot 1929 leidde, gaf hij in 1925 de eerste scenische uitvoering in Nederland van de pantomime Le Boeuf sur le Toit waarvoor Jean Cocteau het scenario had geschreven, Darius Milhaud de muziek. In 1928 richtte Ruyneman in Groningen de Vereniging voor Moderne Kamermuziek op, die zich ten doel stelde om 'die werken uit te voeren die in een essentieel verband staan met de tijd waarin wij leven', zoals Ruyneman het formuleerde.

Omstreeks 1930 kwam het zwaartepunt van Ruynemans activiteiten weer in Amsterdam te liggen. In dat jaar organiseerde hij in het Amsterdams Muzieklyceum een serie van vier belangwekkende concerten, waarin een overzicht werd gegeven van moderne Duitse, Tsjechische en Oostenrijkse kamermuziek. Deze concerten vormden de eigenlijke aanleiding tot de oprichting van de Nederlandse Vereniging voor Hedendaagse Muziek. Ruim dertig jaar lang, vanaf de oprichting in 1930 tot 1962, was Ruyneman - hij vestigde zich in 1933 definitief in Amsterdam - de stimulerende kracht van deze vereniging, die zich geheel richtte op het propageren van eigentijdse muziek. Met het buitenland werden intensieve contacten onderhouden: door samenwerking met de door de Weense dirigent en componist Hans Pless opgerichte Foundation for International Exchange Concerts kwamen een aantal interessante uitwisselingsconcerten tot stand. Van 1931-1941 verscheen het door Ruyneman geredigeerde en voor Nederland unieke tijdschrift Maandblad voor Hedendaagse Muziek. Gedurende enkele jaren (1947-1950) was Ruyneman bestuurslid van de Sectie Holland der ISCM. Van 1952 tot aan zijn dood had hij de artistieke leiding van de Stedelijke Museum Concerten in Amsterdam.

Het belang voor het Nederlandse muziekleven van Ruynemans organisatorische werk is groot geweest. In feite was hij de enige die zich op deze wijze voor de moderne Nederlandse en buitenlandse muziek inzette. Juist die componisten en die werken werden door hem aan de orde gesteld, die buiten het gangbare repertoire vielen van het gevestigde muziekbedrijf, dat onvermoeibaar diensten bewees aan het muzikale verleden en volledig faalde ten opzichte van de muziek van eigen tijd.

Dat Nederland in de componist Daniel Ruyneman een uitzonderlijke verschijning bezat, een componist die open stond voor radicale vernieuwingstendensen en deze zelf ook vertegenwoordigde, werd voor het eerst duidelijk in 1918, toen zowel zijn koorwerk De Roep als Hiërogliefen het publiek door hun moderniteit choqueerden. Beide werken hebben gemeen dat in hen het element klankkleur een opvallend grote rol speelt. In De Roep - de ondertitel luidt: 'kleurengamma voor gemengde stemmen' - wordt niet een tekst gezongen maar verschillende vocalen en consonanten; het tweede stuk is geschreven voor de even ongebruikelijke als kleurrijke bezetting van drie fluiten, celesta, harp, piano, cupbells, twee mandolines en twee gitaren. (De cupbells, chromatisch gestemde komvormige klokken die in Engeland waren vervaardigd, gingen verloren bij het bombardement op Rotterdam in mei 1940. Het instrument kan worden vervangen door een vibrafoon.) In Ruynemans liederen uit deze periode is een maatindeling dikwijls achterwege gebleven. Wat de teksten betreft is zijn voorkeur voor oosterse poëzie alsook voor die van het Franse symbolisme opvallend.

Wanneer het element klankkleur in Ruynemans composities sinds het midden van de jaren twintig minder op de voorgrond treedt dan voorheen, betekent dit niet dat hij de geest van zijn vroegere werk verloochende. Onorthodox is hij altijd gebleven. Wél valt een toenemende aandacht te constateren voor de muzikale vormgeving. Deze wending manifesteert zich in werken als de Sonate voor viool-solo (1925), het Divertimento voor fluit, klarinet, altviool, hoorn en piano (1927) en in zijn Kleine Sonate voor piano (1928). Neoclassicistische tendensen zijn te bespeuren in het Concert voor viool en orkest (1941), het Nightingales quintet voor blaaskwintet (1949), en in zijn Symfonie uit 1953. Een nieuwe stilistische periode in het oeuvre van Ruyneman begint na het midden van de jaren vijftig. In dit verband kan gewezen worden op zijn vier Réflexions (1959-1961). Deze composities voor verschillende kamermuziekbezettingen vormen zowel een verbinding met de eerste periode van zijn scheppend werk als met nieuwe compositorische technieken die in de Europese muziek sinds omstreeks 1950 waren ontwikkeld.

A: Collectie-Ruyneman in het Nederlands Muziek Instituut te 's-Gravenhage.

P: Behalve een aantal artikelen in verschillende tijdschriften publiceerde Ruyneman de monografie De componist Jan Ingenhoven (Amsterdam, 1938). Vrijwel het gehele oeuvre van Ruyneman staat vermeld in General Catalogue. Dutch Contemporary Music (Amsterdam, [1977]). Uitg. Donemus.

L: W. Paap, in Mens en Melodie 5 (1950) 75-80; J. Wouters, in Sonorum Speculum 11 (1962) 1-9; W. Paap, in Mens en Melodie 18 (1963) 237-239; P. Op de Coul, 'Unveröffentliche Briefe von Alban Berg und Anton Webern an Daniel Ruyneman', in Tijdschrift van de Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis 22 (1972) 201-220.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1270.

P.M. Op de Coul


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 25-03-2014