Ruijs van Beerenbroek, jhr. Charles Joseph Marie (1873-1936)

 
English | Nederlands

RUIJS VAN BEERENBROEK, jhr. Charles Joseph Marie (1873-1936)

Ruijs van Beerenbroek, jhr. Charles Joseph Marie; (naamswijziging in Ruijs de Beerenbrouck bij vonnis Arr. Rb. Roermond 21-3-1895) staatsman (Roermond 1-12-1873 - Utrecht 17-4-1936). Zoon van jhr. Gustave Lodewyk Marie Hubert Ruijs van Beerenbroek (na 1895 Ruijs de Beerenbrouck) minister van Justitie, en jkvr. Marie Isabelle Louise Ruys de Beerenbrouck. Gehuwd op 14-4-1902 met jkvr. Maria Josephina Ernestina Alexandrina van der Heijden. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren. afbeelding van Ruijs van Beerenbroek, jhr. Charles Joseph Marie

Na te Maastricht en in Den Haag het stedelijk gymnasium te hebben afgelopen, ving Charles J.M. Ruijs de Beerenbrouck in 1892 zijn rechtenstudie te Leiden aan. Hoewel hij in oktober van dat jaar lid geworden was van het Leidsch Studenten Corps, richtte hij op 3 mei 1893 met o.a. P.J.M. Aalberse de rooms-katholieke studentenvereniging Sanctus Augustinus op, waarvan hij de eerste praeses was. Zijn juridische studie, onder leiding van de hoogleraren H. van der Hoeven, J. Oppenheim, H.L. Drucker en W. van der Vlugt, sloot hij op 17 december 1895 af met het verdedigen van zijn dissertatie Het strafrecht in het oude Maastricht.

In 1896 vestigde hij zich als advocaat en procureur te Maastricht, terwijl hij spoedig tevens benoemd werd tot ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantongerecht en tot plaatsvervangend kantonrechter. Eveneens trad hij op als rechtskundig adviseur van de twee eerste Maastrichtse katholieke vakverenigingen, 'God en ons Recht' (aardewerkers) en 'Recht en Orde' (glasbewerkers). In 1899 werd Ruijs na harde strijd met 751 tegen 498 stemmen gekozen tot lid van de gemeenteraad van Maastricht, terwijl in dat zelfde jaar ook het voorzitterschap volgde van de op 1-4-1899 opgerichte rooms-katholieke bond tot drankbestrijding, 'Sobriëtas', welke beide functies hij tot 1918 zou vervullen. Als gemeenteraadslid bevorderde Ruijs diverse initiatieven tot sociale maatregelen, o.a. een pensioenregeling voor ambtenaren. In deze jaren ontplooide hij vele activiteiten in het belang van de provincie Limburg. Hij stimuleerde het werk van de Sint Vincentius Vereeniging (ter beoefening van naastenliefde), richtte EHBO-cursussen op, het Limburgsche Kruisverbond (drankbestrijding), de Katholieke Vroedvrouwenschool te Heerlen en gaf zijn aandacht aan wijkverpleging, kraamverzorging, bibliotheekwezen, volkszang, rooms-katholieke pers, boerenleenbanken, verbetering van spoor- en waterwegen, de landsverdediging en arbeidersretraites, terwijl verder genoemd moet worden zijn werk voor de in 1888 opgerichte R.K. Volksbond, een diocesane organisatie voor katholieke arbeiders, waaruit later de Limburgse en R.K. Werkliedenbond zou groeien. Ruijs werd daarvan secretaris en later rechtskundig adviseur.

Op 16 juni 1905 werd Ruijs voor het kiesdistrict Gulpen (L.) tot lid van de Tweede Kamer gekozen, waar hij, na zijn beëdiging op 19 september 1905 al spoedig een vooraanstaande en gewaardeerde plaats innam, en onder meer land-, mijnbouw- en defensiezaken behartigde. Van 1915 tot 1918 was hij tweede ondervoorzitter van dit college. In 1913 werd hij kamerheer i.b.d. van de Koningin, terwijl hij door de uitgebroken wereldoorlog in 1914 benoemd werd tot regeringscommissaris voor de verzorging van Belgische vluchtelingen in het Zuidelijk deel van Nederland.

In mei 1918 volgde hij zijn vader op als commissaris der Koningin in Limburg, waardoor het kamerlidmaatschap op 14 mei 1918 moest worden opgegeven. Toen na de verkiezingsuitslag van 3 juli 1918 geen vooraanstaand protestant bereid bleek als leider van een nieuw rechts kabinet op te treden, en ook zijn partijgenoten mgr. W.H. Nolens en O.F.A.M. van Nispen tot Sevenaer weigerden daarvoor in aanmerking te komen, verleende koningin Wilhelmina, na langdurig beraad met diverse politici, aan Ruijs de opdracht tot kabinetsformatie. Voortbouwend op de reeds door Nolens verkregen resultaten van overleg, kon Ruijs op 9 september 1918 zijn formatie voltooien, en trad hij met een geheel nieuw kabinet op, dat steunde op de rechterzijde, waarbij hij zelf de portefeuille van Binnenlandse Zaken op zich nam (9-9-1918 -1-1-1923, daarna tot 4-8-1925 Binnenlandse Zaken en Landbouw). Tevens stelde hij op 25 september 1918 twee nieuwe departementen in, die afgesplitst werden van Binnenlandse Zaken: dat van Arbeid (Aalberse) en Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (J.Th. de Visser).

Het nieuwe kabinet, met de jongste minister-president die Nederland ooit gehad had, dat aanvankelijk buiten rooms-katholieke kring met matig enthousiasme begroet werd, kwam direct voor grote moeilijkheden te staan door de komst van de Duitse keizer, Wilhelm II, op 10 november 1918 naar Nederland, met de daaropvolgende uitleveringseis van de geallieerden, die echter door het kabinet met beslistheid werd afgewezen. Vrijwel gelijktijdig waren er moeilijkheden: het dreigend revolutionaire optreden van P.J. Troelstra, de terugtocht van de verslagen Duitse troepen door de gemeenten Roosteren en Susteren (l.), alsmede de Belgische annexatie-eisen inzake Zuid-Limburg en Zeeuws-Vlaanderen, waartegen de minister van Buitenlandse Zaken H.A. van Karnebeek zich met succes verzette. Bovendien traden in de loop van de tijd diverse ministers af, waardoor Ruijs naast zijn eigen departement verschillende ministeries ad interim moest bekleden. Na een reconstructie van zijn kabinet in juni-juli 1921 (waarbij D.J. de Geer tot zijn kabinet toetrad) behaalde de rechterzijde, mede dank zij de genomen sociale maatregelen (Aalberse), de herziening van de onderwijswet (De Visser), een grondwetsherziening (Ruijs) en de invoering van het vrouwenkiesrecht (initiatiefwet van H.P. Marchant) bij de verkiezingen op 5 juli 1922 een ruime meerderheid. Na een langdurige formatie, die werd voorafgegaan door een geheime informatie van De Geer, trad Ruijs op 18 september 1922 met een tweede rechts kabinet op, dat in hoofdzaak een voortzetting van zijn eerste kabinet was, omdat jhr. H.A. van Karnebeek, Th. Heemskerk, Aalberse, De Visser, De Geer, J.J.C. van Dijk en S. de Graaff gecontinueerd werden. Door het aftreden van De Geer (Financiën) op 11 augustus 1923 kwam het kabinetsbeleid in moeilijkheden, maar H. Colijn, die De Geer opvolgde, wist een nieuwe stimulans te geven aan het beleid, dat voortaan in nog sterkere mate door bezuinigingen werd gekenmerkt. Dit ondanks een langdurige kabinetscrisis, die het gevolg was van de verwerping op 26 oktober 1923 van de Vlootwet. Die crisis bleek ten slotte alleen op te lossen met de weigering van de Koningin op 7 januari 1924 het gevraagde ontslag van het zittende kabinet te aanvaarden, en daarmee kon en moest dit kabinet zijn arbeid voortzetten.

Bij de verkiezingen op 1 juli 1925 behaalde de rechterzijde wederom een (kleinere) meerderheid, doch thans bevorderde Nolens de vorming van een (eerste) kabinet-Colijn, dat op 4 augustus 1925 optrad; Ruijs werd 17 september 1925 voorzitter van de Tweede Kamer. Bij de spoedig optredende, langdurige kabinetscrisis, als gevolg van het aanvaarden van het amendement-Kersten, dat opheffing van het Nederlandse gezantschap bij het Vaticaan beoogde, bevorderde Ruijs ten slotte - geheel tegen Nolens' wens in en tot teleurstelling van Colijn - het optreden van het eerste kabinet-De Geer op 8 maart 1926. Inmiddels had Ruijs op 7 november 1925 van mr. A.I.M.J. baron Van Wijnbergen het voorzitterschap van de Rooms-Katholieke Staatspartij overgenomen, terwijl hij toen op landelijk niveau het rooms-katholieke leven wilde bevorderen, daarbij met name de belangen behartigend van de KRO en de sociale studieweken te Rolduc. Op 25 juli 1927 volgde zijn benoeming tot minister van Staat.

Op 13 juli 1929 werd Ruijs na de verkiezingen weer formateur en na een aanvankelijke mislukking, trad hij op 10 augustus 1929 met zijn derde kabinet naar buiten, dat wederom een rechtse meerderheid bezat, en waarbij De Geer minister van Financiën bleef, terwijl hij zelf Binnenlandse Zaken en Landbouw, later alleen Binnenlandse Zaken beheerde. In 1933 trad Ruijs tevens ad interim op aan Buitenlandse Zaken, omdat het hoofd van dit departement, F. Beelaerts van Blokland, tot vice-president van de Raad van State werd benoemd. Ondanks toenemende nationale en internationale economische achteruitgang en groeiende sociale ontevredenheid, wist het kabinet eensgezind de eindstreep te bereiken. Alleen werden er vervroegde verkiezingen voor 26 april 1933 uitgeschreven, omdat de minister van Justitie, J. Donner, op 9 februari 1933 door het aanvaarden van de motie-Boon een nederlaag in de Tweede Kamer leed met zijn voorgestelde bezuinigingen inzake kantongerechten. Juist toen zag zich het kabinet geplaatst tegenover de muiterij op De Zeven Provinciën in Nederlandsch-Indië. Na het optreden van het tweede kabinet-Colijn werd Ruijs op 31 mei 1933 opnieuw tot voorzitter van de Tweede Kamer gekozen, waarbij zijn verhouding ook met sterk oppositionele figuren als J.E.W. Duys (SDAP) en H.J.F.M. Sneevliet (Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij) opmerkelijk was. Tevens trad hij op als voorzitter van de Mijnraad en lid van de Bosraad, terwijl hij in nauwe samenwerking met mgr. H.A. Poels in 1934 de Adelbertsvereniging oprichtte. Na nog in juli 1935 matigend en bemiddelend te zijn opgetreden bij het conflict van het tweede kabinet-Colijn met de rooms-katholieke Tweede Kamerfractie, waardoor op 31 juli 1935 een nieuw (derde) maar vrijwel ongewijzigd kabinet-Colijn moest optreden, overleed Ruijs nog vrij plotseling op 17 april 1936 in het St. Anthonius Gasthuis te Utrecht. Wat zelden geschiedde vond bij zijn uitvaart plaats: het gehele Nederlandse kabinet, de vrijwel voltallige Tweede Kamer en de oud-ministers die in zijn kabinetten waren opgetreden, bewezen hem de laatste eer, toen zijn stoffelijk overschot werd bijgezet in de grafkelder van de familie zijner echtgenote bij de Kerk van de H. Willibrordus te Vierakker (Gld.) dicht bij het buiten Suideras, waar hij als liefhebber van de natuur zo vaak en graag vertoefd had.

Als eerste rooms-katholieke minister-president van Nederland had hij, meer als wijs regent dan groot wetgever, naast vele staatslieden van formaat een eigen plaats in de politiek. Overtuigd dienaar van Oranje en warm voorstander van de rechtse coalitie, genoot hij, als gelovig katholiek door zijn integer en evenwichtig karakter, zijn politieke manoeuvreerbaarheid en zijn vermogen tegenstellingen te verzoenen, vertrouwen in eigen kring en daarbuiten. Hij kan als één der voltooiers van de rooms-katholieke emancipatie beschouwd worden.

A: Archief-Ruijs de Beerenbrouck bevindt zich op kasteel Wolfrath te Holtum (gem. Born in L.).

L: J.A.H. Verhagen, De totstandkoming van het eerste ministerie-Ruys de Beerenbrouck ('s-Hertogenbosch, 1952). Proefschrift Leiden; De nieuwe mens. Maandblad voor beleving van het christendom 4 (1952-1953) 357-384; G. Puchinger, Colijn en het einde van de Coalitie. De geschiedenis van de kabinetsformaties 1918-1924 (Kampen, 1969). Proefschrift VU; H.J.H. Schurgers, Charles Ruys (Valkenburg, 1973); E. van Raalte, 'Enige herinneringen aan Jhr.mr. Ch.J.M. Ruys de Beerenbrouck', in Tijdschrift voor overheidsadministratie 30 (1974) 1237 (3 januari) 11-15.

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie personen: afb. 2A8240.

G. Puchinger


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013